Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2025-02-24
ECLI:NL:RBOBR:2025:1091
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,783 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 24/1756
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. H.M.A. van den Boogaard),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(gemachtigde: [naam]).
Samenvatting
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
1.1.
De rechtbank doet een tussenuitspraak, omdat de beslissing van het UWV een gebrek heeft. Het UWV wordt in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen. Dit betekent dat de rechtbank nog niet inhoudelijk oordeelt over het geschil. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 26 januari 2023 (het primaire besluit) heeft het UWV geoordeeld dat eiser per 7 juni 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering, omdat de mogelijkheden van eiser om te werken niet minder zijn geworden.
2.1.
Op 15 november 2023 heeft het UWV aan eiser kenbaar gemaakt dat hij het voornemen heeft om het primaire besluit te wijzigen. Eiser heeft op 23 november 2023 en 12 december 2023 gereageerd op dit voornemen.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 27 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard. Eiser wordt per 7 juni 2022 voor 32,08% arbeidsongeschikt geacht. Met inachtneming van de uitlooptermijn eindigt de WIA-uitkering van eiser de dag volgend op de dag dat de beslissing op bezwaar bekend is gemaakt, te weten 28 februari 2024.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft partijen op 15 oktober 2024 een brief gestuurd. Partijen hebben schriftelijk op deze brief gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 16 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Wat aan de procedure vooraf ging
3. Eiser is werkzaam geweest als procesoperator voor gemiddeld 37,01 uur per week. Op 18 maart 2013 heeft hij zich ziek gemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het UWV aan eiser met ingang van 16 maart 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Bij een herbeoordeling in 2015 bleek eiser volledig arbeidsongeschikt in verband met een opname in een GGZ-instelling. Daarna heeft een herbeoordeling plaatsgevonden, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 27 maart 2017 is vastgesteld op 50,19%. Met ingang van 1 april 2019 heeft het UWV de loongerelateerde uitkering van eiser omgezet in een WGA-vervolguitkering, gebaseerd op een arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55%.
4. Op 25 november 2019 heeft eiser zich bij het UWV toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 8 september 2020 heeft het UWV de WIA-uitkering per 9 november 2020 beëindigd, omdat eiser vanaf 25 november 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Met de beslissing op bezwaar van 19 maart 2021 heeft het UWV dit besluit gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep van eiser tegen deze beslissing op bezwaar op 30 mei 2022 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
5. Eiser heeft zich op 10 juni 2022 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld per 7 juni 2022.
6. Hangende het hoger beroep bij de CRvB heeft het UWV op 13 maart 2023 de beslissing op bezwaar van 19 maart 2021 gewijzigd, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser per 9 november 2020 op 35 tot 45% is vastgesteld. Eiser heeft hierdoor per 9 november 2020 wel recht op een WGA-vervolguitkering, terwijl dit aanvankelijk niet zo was.
7. Het gevolg van de gewijzigde beslissing op bezwaar van 13 maart 2023 is dat de motivering van het primaire besluit in deze procedure volgens het UWV geen stand kan houden. Aan dit primaire besluit ligt namelijk een rapport van de verzekeringsarts ten grondslag waarin is beoordeeld of bij eiser sprake is van een toename van zijn beperkingen. Door de hoger beroepsprocedure heeft eiser echter weer recht op een WIA-uitkering per 9 november 2020, waardoor de vraagstelling had moeten zijn wat de belastbaarheid van eiser was op 7 juni 2022, volgens het UWV de datum in geding.
8. Het UWV heeft eiser opnieuw laten onderzoeken door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. Hierna heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals opgenomen onder punt 2.
Beoordeling
De datum in geding
9. Het UWV heeft in het bestreden besluit 7 juni 2022 als datum in geding aangemerkt en de belastbaarheid van eiser bepaald naar deze datum. Volgens vaste rechtspraak is de datum in geding echter de datum waarop aan het einde van de uitlooptermijn de uitkering wordt beëindigd. Dit betekent dat de datum in geding niet 7 juni 2022 is, maar 28 februari 2024, omdat op die datum de WIA-uitkering van eiser is beëindigd. De rechtbank heeft partijen met haar brief van 15 oktober 2024 op het voorgaande gewezen en daarbij gevraagd of dit het UWV aanleiding geeft tot het innemen van een gewijzigd standpunt.
10. Het UWV heeft in een reactie op deze brief aangegeven dat hij ook van mening is dat de datum in geding 28 februari 2024 moet zijn. De wijziging van de datum in geding geeft het UWV geen aanleiding om een gewijzigd standpunt in te nemen. Eiser heeft namelijk geen medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zijn medische situatie tussen 7 juni 2022 en 28 februari 2024 is gewijzigd. Het UWV heeft daarom geen nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek hoeven te verrichten. In dit geval was het voldoende om de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (B&B) te laten beoordelen of de eerder geselecteerde functies nog actueel waren.
11. Eiser is het hier niet mee eens. Hij vindt dat het UWV onzorgvuldig handelt door hem niet te onderwerpen aan een nieuw verzekeringsgeneeskundig onderzoek waarbij zijn belastbaarheid naar 28 februari 2024 wordt bepaald. Volgens eiser gaat het UWV voorbij aan het feit dat het hier gaat om een bijzondere situatie. De uitlooptermijn in de uitspraak op bezwaar is er vanwege bijzondere omstandigheden, namelijk een hoger beroep dat doel treft, waardoor eiser wel recht had op een WIA-uitkering.
12. De rechtbank volgt het standpunt van het UWV niet. Door het hanteren van een nieuwe uitlooptermijn is de datum in geding 28 februari 2024 geworden. Dat betekent dat als zich voor die datum relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de medische situatie van eiser daarmee rekening gehouden moet worden. De rechtbank vindt de enkele stelling van het UWV dat eiser geen medische informatie heeft ingebracht onvoldoende om aan te nemen dat hiervan geen sprake is. Mede gelet op het tijdsverloop tussen 7 juni 2022 en 28 februari 2024 valt niet uit te sluiten dat er relevante wijzigingen zijn geweest in de gezondheidssituatie van eiser. Uit het rapport van de verzekeringsarts B&B van 16 oktober 2023 blijkt bijvoorbeeld dat eiser tijdens de hoorzitting heeft verteld dat hij in behandeling was bij de psycholoog en de begeleiding rond maart/april 2023 is gestopt. Dat is ruim na 7 juni 2022. De rechtbank vindt dat het UWV een nieuw medisch onderzoek moet verrichten waarbij de belastbaarheid van eiser wordt bepaald naar de datum in geding 28 februari 2024.
Conclusie
13. Het voorgaande betekent dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Er bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het UWV op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak.
14. Het UWV kan het gebrek herstellen door een nieuw medisch onderzoek te verrichten waarbij de belastbaarheid van eiser wordt vastgesteld op 28 februari 2024. Indien het gebrek door de verzekeringsarts B&B leidt tot bijstelling van de FML dient eveneens een arbeidsdeskundige beoordeling plaats te vinden. Vervolgens dient het UWV te bezien of het bestreden besluit, met nadere motivering, kan worden gehandhaafd, of dat er een nieuwe beslissing op bezwaar dient te worden genomen.
15. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het UWV het gebrek kan herstellen op twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak.
16. Het UWV moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of het gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als het UWV gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het UWV. In beginsel, ook in de situatie dat het UWV de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
Procesverloop
18. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
.
Dictum
De rechtbank:
draagt het UWV op binnen twee weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de rechtbank mee te delen of het gebruikt maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt het UWV in de gelegenheid om binnen twaalf weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Langenhoff, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.
CRvB 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:220 en CRvB 18 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:105.
CRvB 23 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:220.