Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-10-16
ECLI:NL:RBOBR:2024:6812
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
5,174 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.203151.24
Datum uitspraak: 16 oktober 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1981] ,
ingeschreven op het adres [woonplaats] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 2 oktober 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 september 2024.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
T.a.v. feit 1:
hij op of omstreeks 23 juni 2024 te Boxtel, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- (meermaals) de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, en/of
- (meermaals) het hoofd van die [slachtoffer] tegen de muur heeft gebonkt, en/of
- (meermaals) met een vork, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op het hoofd, naast het (linker)oog, in de hals, in de (linker)hand, in het (linker)bovenbeen, althans in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2:
hij op één of meerdere tijdstippen in de periode van 21 juni 2024 tot en met 23 juni 2024 te Boxtel, althans in Nederland [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- (meermaals) die [slachtoffer] te slaan, en/of
- (meermaals) die [slachtoffer] aan de armen te sleuren en/of aan de haren te trekken, en/of
- (meermaals) die [slachtoffer] met een aansteker, althans een scherp en/of puntig voorwerp, op de wang, op de keel keel en/of op de arm, althans op het lichaam te slaan.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
De bewijsvraag.
Het standpunt van de officier van justitie.
Ten aanzien van feit 1 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen voor een poging tot zware mishandeling omdat verdachte door zijn handelen niet de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer zou hebben aanvaard, maar wel de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling heeft de officier van justitie eveneens gevorderd dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen.
Het standpunt van de verdediging.
Ten aanzien van feit 1 heeft de verdediging vrijspraak bepleit gelet op de ontkennende houding van verdachte. Bovendien zouden de verwondingen niet kunnen worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het onder feit 2 ten laste gelegde stelt de verdediging zich op het standpunt dat slechts het slaan bewezen kan worden verklaard. Ten aanzien van de overige handelingen is vrijspraak verzocht.
Beoordeling
De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1.
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde handelingen niet kunnen kwalificeren als een poging tot doodslag. De rechtbank zal verdachte daarvan vrijspreken.
Ter terechtzitting heeft de verdediging bepleit dat verdachte de ten laste gelegde feitelijke gedragingen niet heeft begaan, en indien de rechtbank dat wel bewezen acht, zouden deze gedragingen niet kunnen kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank ziet dit anders. De aangifte wordt door de medische informatie en foto’s ondersteund. De verklaring die verdachte daar tegenover stelt vindt geen steun in het dossier. De rechtbank gaat dus uit van de door aangeefster omschreven handelingen van verdachte.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Het samenstel van gedragingen van verdachte, te weten het dichtknijpen van de keel, het bonken van het hoofd tegen de muur en het steken met een vork op het lichaam van zijn vrouw, is naar objectieve maatstaven aan te merken als handelen waardoor een aanmerkelijke kans bestaat op zwaar lichamelijk letsel voor degene die dit ondergaat. Zoals algemeen bekend kan worden verondersteld, bevinden zich in de nek / hals van een mens onder meer vitale bloedvaten en de luchtpijp. Het is daarmee een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam. Het is een feit van algemene bekendheid dat het dichtknijpen van de keel zuurstofgebrek, gebrek aan bloedtoevoer en daarmee hersenbeschadiging tot gevolg kan hebben en in zoverre tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden. Ook de ogen zijn een kwetsbaar en essentieel onderdeel van het menselijk lichaam. Daarvoor geldt eveneens dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer men met een vork rondom het oog prikt, dit tot zwaar lichamelijk letsel kan leiden, zoals een ernstige oogbeschadiging of gehele of gedeeltelijke blindheid. Datzelfde geldt ten aanzien van het met het hoofd tegen de muur bonken. Het hoofd is eveneens een kwetsbaar lichaamsdeel waarbij het tegen de muur bonken van het hoofd kan leiden tot hersenbeschadiging.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel ook aanvaard gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn handelen. Verdachte heeft al deze vormen van geweld aangewend, waardoor de gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht waren op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het naar het oordeel van de rechtbank niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit letsel bewust heeft aanvaard.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank, anders dan de verdediging, de poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
T.a.v. feit 1:
omstreeks 23 juni 2024 te Boxtel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen, en
- het hoofd van die [slachtoffer] tegen de muur heeft gebonkt, en
- met een vork op het hoofd, naast het linkeroog, in de linkerhand, in het linkerbovenbeen, heeft gestoken
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
T.a.v. feit 2:
in de periode van 21 juni 2024 tot en met 22 juni 2024 te Boxtel, [slachtoffer] heeft mishandeld door:
- die [slachtoffer] te slaan, en
- die [slachtoffer] aan de haren te trekken, en
- die [slachtoffer] met een aansteker, op de wang, op de keel en op de arm, te slaan.
De strafbaarheid van het feit.
Het bewezenverklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.
Oplegging van straffen.
De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 112 dagen, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Daarbij vordert de officier van justitie de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd op te leggen en deze dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Tevens vordert de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De verdediging heeft verzocht om rekening te houden met de gevolgen die de strafzaak reeds voor verdachte heeft gehad en met het feit dat verdachte per abuis te veel schildkliermedicatie heeft ingenomen waardoor hij niet bewust heeft gehandeld. De verdediging heeft verzocht om een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Daarnaast is aangevoerd dat verdachte een taakstraf zal uitvoeren en mee zal werken aan behandeling bij Novadic-Kentron.
Beoordeling
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn vrouw door haar keel dicht te knijpen, haar hoofd tegen de muur te bonken en haar te steken met een vork. Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn vrouw door haar te slaan, aan haar haren te trekken en haar met een aansteker te slaan. Dit zijn ernstige feiten, temeer nu deze in de huiselijke sfeer hebben plaatsgevonden, terwijl bij een deel van die handelingen ook de kinderen aanwezig waren. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen binnen de eigen woning en in het eigen gezin.
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte geen enkel berouw toont of inzicht geeft in het strafwaardige van zijn handelen en de gevolgen voor het slachtoffer.
De rechtbank zal geen rekening houden met een eventuele inname van een hogere dosis van het schildkliermedicijn dat verdachte gebruikt. Niet is komen vast te staan wat daadwerkelijk de effecten hiervan zijn. Bovendien volgt uit het dossier dat verdachte naast medicijnen ook harddrugs gebruikte, waardoor de situatie zich voordoet dat verdachte onder invloed van diverse middelen handelende, maar hier zelf verantwoordelijk voor is.
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 augustus 2024 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
In strafmatigende zin weegt de rechtbank mee dat verdachte vanwege de strafzaak zijn baan is verloren en dat verdachte gemotiveerd is om aan behandeling mee te werken.
Om de ernst van de feiten voldoende tot uitdrukking te brengen kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een gevangenisstraf. De rechtbank zal de op te leggen gevangenisstraf deels voorwaardelijk opleggen teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Bovendien kan met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf een hulpkader voor verdachte worden gerealiseerd. De rechtbank zal daaraan een proeftijd van drie jaren verbinden.
De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de adviesrapportage van Novadic-Kentron van 19 september 2024. Met de reclassering is de rechtbank van oordeel dat het van belang is dat verdachte hulp krijgt. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en in het dictum nader omschreven aan verdachte opleggen. De bijzondere voorwaarden zullen dadelijk uitvoerbaar worden verklaard omdat er ernstig rekening moet worden gehouden met het feit dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De reclassering schat de risico’s op recidive en letsel immers als gemiddeld tot hoog in, zolang verdachte nog geen behandeling heeft ondergaan voor zijn problematiek.
Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 150 uren passend en geboden.
Alles overziend zal de rechtbank aldus aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 112 dagen, waarvan 86 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van drie jaren. De rechtbank zal als bijzondere voorwaarden opleggen een meldplicht, een ambulante behandeling, een drugsverbod, een locatieverbod voor het adres [adres 1] en het meewerken aan de module Stap voor Stap. Daarbij zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis.
Toepasselijke wetsartikelen.
Dictum
14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
t.a.v. feit 1:
poging tot zware mishandeling
t.a.v. feit 2:
mishandeling
verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
legt op de volgende straffen:
* een gevangenisstraf voor de duur van 112 dagen;
bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de aan verdachte opgelegde gevangenisstraf;
bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 86 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van een proeftijd van 3 jaren één of meer van de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd;
stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
- zich meldt binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij de reclassering Novadic-Kentron op het adres: [adres 2] ( [telefoonnummer 1] ). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
- zich laat behandelen door de forensische verslavingszorg van Novadic-Kentron of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
- geen drugs gebruikt en meewerkt aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
- zich niet bevindt op of rondom het adres waar aangeefster en de kinderen verblijven ( [adres 1] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt;
- meewerkt aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt verdachte binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap;
omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, beveelt de rechter, gelet op artikel 14e Wetboek van Strafrecht dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen.
* een taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis;
heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis (dat reeds geschorst was) met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.E. Bartels, voorzitter,
mr. C.A. Mandemakers en mr. M.E.N. van Haren, leden,
in tegenwoordigheid van mr. J. Beex, griffier,
en is uitgesproken op 16 oktober 2024.