Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-11-12
ECLI:NL:RBOBR:2024:6800
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,456 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
datum : 12 november 2024
Parketnummers : 82.131067.24, 82.131079.24, 82.248086.24, 82.248398.24 en
82.131085.24
Dictum
in de strafzaak tegen verdachten:
[verdachte 1]
geboren op [1971] ;
[verdachte 2]
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ;
[verdachte 3]
geboren op [1963] ;
[verdachte 4]
geboren op [1954] ;
[verdachte 5]
gevestigd te [vestigingsplaats 2] .
Procesverloop
Het hoger beroep is achter gesloten deuren behandeld in de meervoudige raadkamer van 29 oktober 2024. Gehoord is de officier van justitie, mr. P. van Minnen. Verdachten en hun advocaten zijn, met toepassing van artikel 23 lid 6 Sv, niet opgeroepen aangezien de rechtbank – gelet op de inhoud van het hoger beroep van de officier van justitie – van oordeel is dat door een dergelijke oproeping het belang van het onderzoek ernstig zou worden geschaad.
De vordering van de officier van justitie bij de rechter-commissaris van 15 augustus 2024
De officier van justitie heeft op grond van artikel 181 Sv de rechter-commissaris gevorderd over te gaan tot een getuigenverhoor van de heer [getuige] , geboren op [1974] .
De officier van justitie heeft de rechter-commissaris gelet op artikel 177 Sv gevorderd dat het verhoor wordt gedelegeerd aan opsporingsambtenaren van de FIOD.
Verder heeft de officier van justitie gevorderd, onder verwijzing naar artikel 181 lid 3 Sv, dat in het belang van het onderzoek de vordering van de officier van justitie en de beslissing van de rechter-commissaris niet aan de verdediging zal worden verstrekt.
Tot slot heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar artikel 186a Sv, gevorderd dat de verdediging in het belang van het onderzoek niet toegelaten zal worden tot het verhoor.
Het belang van het onderzoek is gelegen, aldus de officier van justitie, in:
het gegeven dat de stand van het opsporingsonderzoek het niet toelaat dat de verdachten op de hoogte raken van het opsporingsonderzoek;
collusiegevaar voor zover de actiedag al heeft plaatsgevonden.
De beschikking van de rechter-commissaris van 22 augustus 2024
De rechter-commissaris heeft vastgesteld dat de actiedag heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2024, zodat het argument dat verdachten niet op de hoogte mogen raken van het opsporingsonderzoek (hiervoor onder a.) niet langer kan gelden.
Het collusiegevaar (hiervoor onder b.) is door de officier van justitie onderbouwd met de stelling dat het onwenselijk is dat de verdachten op de hoogte raken van het verhoor, omdat zij de getuige kennen en daarom de getuige zouden kunnen benaderen en (proberen te) beïnvloeden.
De rechter-commissaris acht deze algemene stelling onvoldoende om de raadslieden de toegang tot het verhoor van een potentieel belangrijke getuige te verbieden. De rechter-commissaris merkt op dat het bovendien de vraag is of artikel 186a Sv in het geval van een gedelegeerd verhoor (in dit geval uitgevoerd door de FIOD) van toepassing is.
Tot slot stelt de rechter-commissaris vast dat uit het onderliggend proces-verbaal blijkt dat de advocaat van de getuige een verzoek heeft gedaan om een door de rechter-commissaris gedelegeerd verhoor door de FIOD te laten plaatsvinden. De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de aan dat verzoek ten grondslag liggende redenen geen reden zijn voor een gedelegeerd verhoor. Daarnaast is naar het oordeel van de rechter-commissaris niet gebleken dat de verzochte getuige niet vrijwillig zal meewerken aan een getuigenverhoor.
De rechter-commissaris wijst de vordering van de officier van justitie af.
Om de officier van justitie de gelegenheid te geven een rechtsmiddel tegen de afgewezen vordering in te stellen en met het oog op een eventueel dan andersluidende beslissing, is de rechter-commissaris vooralsnog niet overgegaan tot verstrekking van de vordering van de officier van justitie en de beslissing van de rechter-commissaris aan de verdediging.
Hoger beroep officier van justitie
De officier van justitie heeft op 2 september 2024 op grond van artikel 446 lid 1 Sv hoger beroep ingesteld tegen de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris van 22 augustus 2024. De officier van justitie is ontvankelijk in het hoger beroep.
De officier van justitie stelt in zijn appelschriftuur van 2 september 2024 dat de rechter-commissaris ten onrechte zijn vordering heeft afgewezen en voert daartoe het volgende aan.
De officier van justitie stelt dat in de fase van het voorbereidend onderzoek de opsporingsdiensten, onder gezag van het Openbaar Ministerie, leidend en richtinggevend zijn voor wat betreft het opsporingsonderzoek. De rechter-commissaris heeft in deze fase in beginsel alleen op vordering van het Openbaar Ministerie, of op verzoek van de verdachte, een (beperkte) rol.
Daarnaast kenmerkt een voorbereidend onderzoek zich in de regel als een (geheel of gedeeltelijk) heimelijke fase. Dit omdat anders de waarheidsvinding in het kader van het opsporingsonderzoek belemmerd zou kunnen worden, bijvoorbeeld door collusie.
Hoe die mogelijke belemmering van het onderzoek, bijvoorbeeld in de vorm van collusie, kan plaatsvinden en hoe groot dat risico is, is in dit stadium van het onderzoek moeilijk aan te geven. Immers, nu het voorbereidend onderzoek nog gaande is bestaat per definitie nog geen volledig beeld van alle relevante sporen en verklaringen. Daarmee is ook niet in beeld hoe en op welke wijze sporen uitgewist kunnen worden en verklaringen kunnen worden beïnvloed.
Gelet op het voorgaande heeft de rechter-commissaris in de fase van het voorbereidend onderzoek naar het oordeel van de officier van justitie een lijdelijke rol en het past daarom in deze fase van het onderzoek niet om aan het Openbaar Ministerie een zware motiveringsplicht op te leggen en/of een zwaar toetsingskader te hanteren. Dat is wel wat de rechter-commissaris heeft gedaan.
De officier van justitie stelt verder dat geen rechtsregel zich in het geval van een gedelegeerd verhoor in de zin van artikel 177, lid 1 Sv, verzet tegen de toepassing van artikel 186a, lid 1 Sv. Het blijft naar het oordeel van het Openbaar Ministerie gaan om een verhoor van de rechter-commissaris. Mocht de rechtbank dat anders zien, dan betekent dit dat ook de toegangsbepaling voor de raadsman ex artikel 186, lid 1 Sv niet van toepassing is.
Tot slot voert de officier van justitie aan dat uit het aanvullend verstrekte proces-verbaal blijkt dat de verzochte getuige tegenover de FIOD kenbaar heeft gemaakt dat hij niet vrijwillig zal meewerken aan een getuigenverhoor.
De officier van justitie heeft tijdens de besloten raadkamer op 29 oktober 2024 zijn standpunt gehandhaafd en nader toegelicht.
Beoordeling
De rechtbank stelt allereerst vast dat in hoger beroep – door overlegging van een nader proces-verbaal – vast is komen te staan dat de [getuige] alleen aan een getuigenverhoor wil meewerken als hij daartoe verplicht wordt. Dit in verband met de verhouding tussen [bedrijf] en de verdachte [verdachte 3] , lopende civiele procedures en eventuele contractuele geheimhoudingsverplichtingen. Deze bijzondere omstandigheid maakt dat de officier van justitie een vordering ex artikel 181 Sv heeft ingediend in plaats van het onder eigen gezag laten horen van deze getuige.
De officier van justitie verzoekt de rechter-commissaris het verhoor op grond van art. 177, lid 1 Sv te delegeren aan de FIOD. Dit roept vervolgens de vraag op of bij een dergelijk verhoor de regelgeving gegeven voor het verhoor door de rechter-commissaris (zoals bijvoorbeeld artikel 186a Sv) van toepassing is. De wetgeving biedt daarover geen duidelijkheid.
In het kader van de vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering (MvT, TK 2022-2023, 36327, nummer 3, pagina 753) is hierover opgemerkt dat deze onduidelijkheid in de huidige praktijk “leidt tot terughoudendheid om te verschijnen en te verklaren bij getuigen die op zichzelf wel bereidwillig zijn te verklaren, maar daartoe, als geen wettelijke verklaringsplicht bestaat, toch niet overgaan vanwege hun beroepsmatige geheimhoudingsplicht en daarmee verband houdende aansprakelijkheid”.
In het voorstel voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt daarom een mogelijkheid gecreëerd voor de rechter-commissaris om in bepaalde gevallen een gedelegeerd verhoor te bevelen waarvoor een wettelijke verschijnings- en verklaringsplicht geldt (MvT, TK 2022-2023, 36327, nummer 3, pagina 755). Expliciet wordt opgemerkt dat “deze bevoegdheid niet moet worden aangewezen als dwangmiddel om te bewerkstellingen dat getuigen die ten overstaan van een opsporingsambtenaar niet bereid zijn te verklaren om andere redenen dan hun beroepsmatige geheimhoudingsplicht en daarmee verband houdende civielrechtelijke aansprakelijkheid, wel verplicht zijn te verschijnen en te verklaren”.
In onderhavige zaak gaat het om een getuige die – in verband met de verhouding tussen [bedrijf] en de verdachte [verdachte 3] , lopende civiele procedures en eventuele contractuele geheimhoudingsverplichtingen – zonder een wettelijke verklaringsplicht niet wil verklaren. Uit het in het proces-verbaal verzoek gedelegeerd RC-verhoor (documentcode BOB-026-01) opgenomen ‘doel verhoor [getuige] ’ blijkt dat de verklaring van [getuige] zonder meer relevant kan zijn voor het onderzoek en de strafrechtelijke beoordeling van de gedragingen van de verdachten. Anticiperend op voornoemd wetsvoorstel, is de rechtbank van oordeel dat gelet op het voorgaande, de vordering van de officier van justitie op grond van artikel 181 Sv moet worden toegewezen.
De volgende vraag waar de rechtbank zich voor gesteld ziet, is of dit verhoor op grond van artikel 177, lid 1 Sv gedelegeerd dient te worden aan de FIOD. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de stand van het onderzoek en de bij het onderzoeksteam aanwezige specifieke kennis van de materie en van deze zaak het belang van het onderzoek vergt dat het verhoor (gedelegeerd) wordt uitgevoerd door opsporingsambtenaren van de FIOD. Om toepassing te geven aan de regelgeving die geldt voor verhoren door de rechter-commissaris, zal dit verhoor onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris op het kabinet moeten plaatsvinden.
De vraag is vervolgens of toepassing moet worden gegeven aan artikel 186a Sv en artikel 181, lid 3 Sv. De toetsingsmaatstaf is de vraag of het belang van het onderzoek om toepassing van die artikelen vraagt. De rechtbank stelt in dit kader vast dat het onderzoek zich nog in de voorbereidende fase bevindt. In het belang van waarheidsvinding is openbaarheid in deze fase van een opsporingsonderzoek doorgaans geen uitgangspunt. De rechtbank is daarom van oordeel dat in dit stadium van het onderzoek geen zware toetsingsmaatstaf moet worden gehanteerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan daarom in dit geval van de officier van justitie niet worden gevraagd het belang van het onderzoek nader te concretiseren.
De rechtbank is gelet op het voorgaande en gelet op hetgeen de officier van justitie daartoe heeft aangevoerd van oordeel dat in het belang van het onderzoek uitvoering moet worden gegeven aan artikel 186a Sv en artikel 181 lid 3 Sv.
Dat betekent dat het getuigenverhoor van de heer [getuige] zonder aanwezigheid van de verdediging zal plaatsvinden en dat de vordering van de officier van justitie ingevolge artikel 181 Sv, de beslissing van de rechter-commissaris en de beslissing van de rechtbank niet aan de verdediging verstrekt zullen worden, zolang het belang van het onderzoek hierom vraagt.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het hoger beroep van de officier van justitie gegrond;
- wijst de vordering van de officier van justitie ex artikel 181, eerste lid, Sv toe, in die zin dat de heer [getuige] als getuige dient te worden gehoord;
- bepaalt dat voornoemd verhoor ex artikel 177, eerste lid, Sv uitgevoerd zal worden door opsporingsambtenaren van de FIOD, maar dat het verhoor zal plaatsvinden op het kabinet onder verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris;
- bepaalt dat in het belang van het onderzoek de raadslieden niet bevoegd zijn het verhoor van de getuige [getuige] bij te wonen;
- bepaalt dat toepassing wordt gegeven aan artikel 181, derde lid, Sv waardoor de vordering van de officier, de beslissing van de rechter-commissaris en onderhavige beslissing van de rechtbank niet aan de verdediging worden verstrekt zolang het belang van het onderzoek zich tegen de openbaarmaking verzet.
Deze beslissing is genomen door:
mr. T. Kraniotis, voorzitter,
mr. A.H.J.J. van de Wetering en mr. A.E. de Kryger, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N.P.M. van de Wouw, griffier,
en is in besloten raadkamer uitgesproken op 12 november 2024.