Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-12-04
ECLI:NL:RBOBR:2024:6798
Civiel recht
Beschikking
4,468 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer / rekestnummer: 11286707 \ EJ VERZ 24-504
Beschikking van 4 december 2024
in de zaak van
[verzoeker]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. S.E. Johansen,
tegen
ARTI-SHOCK DESIGN B.V.,
gevestigd te Eindhoven,
verwerende partij,
hierna te noemen: Arti-Shock,
gemachtigde: mr. J.J.E. van der Wallen,
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met 15 bijlagen, ontvangen op 30 augustus 2024;
- het verweerschrift met 8 bijlagen;
- de brief van [verzoeker] d.d. 13 november 2024 met de aanvullende bijlagen 16 tot en met 21;
- de mondelinge behandeling van 19 november 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de spreekaantekeningen die de gemachtigden van partijen ter gelegenheid daarvan hebben overgelegd en voorgedragen.
1.2.
Daarna is een uitspraakdatum voor een beschikking bepaald.
Feiten
2.1.
Arti-Shock exploiteert een modewinkel en richt zich op de verkoop van designer merkkleding. Mevrouw [A] (hierna: [A] ) is bedrijfsleider en tevens middellijk bestuurder van Arti-Shock.
2.2.
[verzoeker] , geboren [geboortedatum] 1992, is met ingang van 1 februari 2019 in dienst getreden bij Arti-Shock in de functie van Verkoper en was laatstelijk werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Het laatst verdiende loon van [verzoeker] bedroeg € 2.012,27 per maand bruto, bij een dienstverband van 28 uur per week exclusief 8% vakantietoeslag en overige emolumenten.
2.3.
Op 28 juni 2024 om 19:18 uur heeft [A] onder meer een blouse van het merk Isabel Marant met een verkoopprijs van € 375,- (hierna: de blouse) verkocht aan een klant (hierna: [B] ).
2.4.
Diezelfde dag om 19:42 uur heeft [verzoeker] een retour van de blouse in het kassasysteem verwerkt, zonder dat hij de blouse op enig moment retour heeft genomen. Er waren op dat moment geen klanten aanwezig. De retourbon heeft [verzoeker] verscheurd, in zijn broekzak gestopt en op een later moment weggegooid.
2.5.
Kort hierna hebben [verzoeker] en een andere werknemer van Arti-Shock, mevrouw [C] (hierna: [C] ) het geld uit de kassa geteld in het keukentje van de winkel. Eerst was er een kasverschil van € 50,00, dit biljet is teruggevonden, waarna er uiteindelijk geen kasverschil was.
2.6.
[B] heeft de blouse niet geretourneerd.
2.7.
Op 3 juli 2024 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] , [A] en haar echtgenoot, de heer [D] (hierna: [D] ). In dat gesprek hebben [A] en [D] [verzoeker] ermee geconfronteerd dat [verzoeker] de retour van de blouse heeft verwerkt en de retourbon heeft verscheurd, dat de blouse niet retour is gekomen, dat er geen kasoverschot van € 375,- bestond en dat er is gezien dat [verzoeker] geld in zijn broekzak heeft gestopt. Tijdens dat gesprek heeft Arti-Shock [verzoeker] op staande voet ontslagen.
2.8.
Bij brief van 4 juli 2024 heeft Arti-Shock het ontslag bevestigd. In die brief is het volgende opgenomen:
“Beste [verzoeker] ,
Wij hebben jou op woensdag 4 juli jl. Gevraagd waarom jij op vrijdag 28 juni 2024 om 19.42u een blouse geretourneerd hebt onder de naam van [E] . Wij hebben jou de beelden getoond dat jij deze handeling hebt verricht. Jij hebt deze handeling/creditering ook
toegegeven.
Jij hebt geen verklaring waarom er dan geen € 375,00 overschot in de kassa zit welke jij met
collega [C] hebt opgemaakt.
Tevens hebben wij een verklaring van een collega die ziet dat jij geld in je broekzak steekt. Jij ontkent dit.
Voor ons is overduidelijk dat jij dit geld uit de kassa hebt genomen zonder enige goedkeuring van de werkgever.
Hierbij past maar een maatregel namelijk: Ontslag op staande voet vanwege diefstal.
Wij zullen ook aangifte doen bij politie.”
2.9.
Op de uitbetaling van de eindafrekening heeft Arti-Shock een bedrag van € 375,- ingehouden.
2.10.
[verzoeker] berust in het ontslag op staande voet, zodat het dienstverband op 3 juli 2024 is geëindigd.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt – samengevat – bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat Arti-Shock de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] in strijd met artikel 7:671 in samenhang met artikel 7:677 Burgerlijk Wetboek (BW), althans onrechtmatig heeft opgezegd;
II. voor recht te verklaren dat Arti-Shock bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] geen rekening heeft gehouden met de geldende opzegtermijn en artikel 7:672 BW en daarmee onregelmatig heeft opgezegd;
III. Arti-Shock te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de volgende vergoedingen en bedragen, vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW:
- een billijke vergoeding van € 78.237,06;
- een gefixeerde schadevergoeding van € 6.237,33;
- een transitievergoeding van € 3.931,86 bruto;
- een bedrag van € 375,- bruto aan achterstallig loon, vermeerderd met een bedrag van € 187,50 aan wettelijke verhoging;
- een schadevergoeding van € 2.249,84 voor gemaakte juridische kosten;
met veroordeling van Arti-Shock in de proceskosten vermeerderd met wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW.
3.2.
Hieraan legt [verzoeker] – samengevat – ten grondslag dat het gegeven ontslag op staande voet niet voldoet aan de eisen van artikel 7:277 BW omdat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, er geen sprake is van een dringende reden en omdat de geformuleerde dringende reden onvoldoende duidelijk is. [verzoeker] betwist dat hij diefstal heeft gepleegd, althans geld uit de kassa heeft weggenomen. De opzegging is in strijd met artikel 7:671 BW. Daarmee is gegeven dat Arti-Shock ernstig verwijtbaar tegenover hem heeft gehandeld en heeft hij recht op de gevorderde vergoedingen. Voor hetgeen [verzoeker] verder heeft aangevoerd en hetgeen hij aan zijn overige verzoeken ten grondslag legt, wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling.
3.3.
Arti-Shock voert – samengevat – het volgende verweer dat strekt tot afwijzing van de verzoeken met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten. Arti-Shock stelt dat [C] na sluitingstijd telefonisch contact heeft opgenomen met [A] en dat [C] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [verzoeker] tijdens het tellen van de kassa geld in zijn broekzak heeft gestopt. Vervolgens is Arti-Shock een onderzoek gestart naar de gebeurtenissen op 28 juni 2024. Arti-Shock stelt dat zij het ontslag na dit onderzoek op de eerstvolgende werkdag van [verzoeker] heeft gegeven, nadat zij hoor en wederhoor heeft toegepast. Daarmee is het ontslag onverwijld gegeven. De dringende reden is onverwijld en duidelijk medegedeeld tijdens het gesprek op 3 juli 2024 en is later bevestigd in de brief van 4 juli 2024, namelijk het wegnemen van geld uit de kassa zonder toestemming / diefstal. Het ontslag is daarom terecht gegeven en [verzoeker] heeft geen recht op de door hem gevorderde vergoedingen. Voor hetgeen Arti-Shock daartoe verder heeft aangevoerd, wordt verwezen naar de overwegingen onder de beoordeling.
Beoordeling
het ontslag op staande voet
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of er op 3 juli 2024 een rechtsgeldig ontslag op staande voet is gegeven door Arti-Shock aan [verzoeker] . [verzoeker] heeft berust in het ontslag op staande voet. Daarom is niet in geschil tussen partijen dat de arbeidsovereenkomst op 3 juli 2024 is geëindigd. Het antwoord op die vraag is doorslaggevend voor de vraag of [verzoeker] aanspraak kan maken op met het ontslag samenhangende vergoedingen. Omdat het ontslag op staande voet een uiterste middel is, stelt de wet daaraan strenge eisen. Deze zijn terug te vinden in artikel 7:677 lid 1 BW: de opzegging moet onverwijld zijn en vergezeld gaan van mededeling van de reden voor ontslag, die bovendien als dringende reden moet gelden.
is het ontslag onverwijld gegeven?
4.2.
Bij de eis dat de opzegging onverwijld moet zijn gedaan, geldt dat er voor de werkgever enige ruimte moet zijn voor het instellen van een onderzoek, voor het horen van de werknemer, voor intern overleg en voor het inwinnen van (juridisch) advies. Wel moet met de nodige voortvarendheid worden gehandeld. Naar oordeel van de kantonrechter heeft Arti-Shock voldoende onderbouwd dat zij het ontslag onverwijld heeft gegeven. De gebeurtenissen die tot het ontslag hebben geleid, hebben zich voorgedaan aan het einde van de (werk)dag op 28 juni 2024. Vervolgens heeft Arti-Shock [verzoeker] op zijn eerstvolgende werkdag, zijnde 3 juli 2024, geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek dat Arti-Shock in de tussentijd heeft verricht en hem direct daarna ontslagen. Arti-Shock heeft [verzoeker] tussentijds niet meer aan het werk gelaten. Een tijdsverloop van slechts vierenhalve dag is afgezet tegen de omvang van het korte onderzoek naar de gebeurtenissen op 28 juni 2024 voldoende voortvarend.
is sprake van een dringende reden en is hiervan onverwijld mededeling gedaan?
4.3.
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW beschouwd, zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Hierbij moeten de aard en ernst van de aangevoerde dringende reden worden afgewogen tegen de door de werknemer aangevoerde persoonlijke omstandigheden. Relevant daarbij zijn de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer zijn werk heeft vervuld en ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer. Ook als de gevolgen van een ontslag op staande voet ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst was gerechtvaardigd. De op het moment van het ontslag op staande voet meegedeelde reden fixeert in beginsel de ontslagreden. De toetsing of het ontslag al dan niet rechtsgeldig is kan in beginsel alleen plaatsvinden op basis van wat feitelijk aan de werknemer is meegedeeld – dat is de fixatie van de dringende reden – en niet op basis van later aangevoerde feiten of omstandigheden. De dringende reden moet de werknemer meteen duidelijk zijn. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen in dit geval bij de werkgever.
4.4.
De dringende reden voor het ontslag is medegedeeld tijdens het gesprek op 3 juli 2024 en is daarna bevestigd in de brief van 4 juli 2024; het wegnemen van geld uit de kassa zonder toestemming / diefstal. Uit de eigen stellingen van [verzoeker] blijkt dat Arti-Shock deze reden tijdens het gesprek op 3 juli 2024 heeft medegedeeld (zie onder meer randnummer 5.56 van het verzoekschrift), zodat daarover geen onduidelijk bij [verzoeker] heeft kunnen bestaan. Deze reden is vervolgens herhaald in de brief van 4 juli 2024. Daarmee is onverwijld mededeling gedaan van de dringende reden.
4.5.
Beoordeeld dient te worden of datgene wat Arti-Shock ten grondslag aan het bestaan van een dringende reden heeft gelegd, zich heeft voorgedaan en of dit vervolgens een dringende reden oplevert voor een ontslag op staande voet. Het gaat er in de kern dus om of Arti-Shock voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] geld uit de kassa heeft weggenomen / gestolen. [verzoeker] heeft dat gemotiveerd betwist. Arti-Shock heeft haar stelling dat [verzoeker] tijdens het tellen van de kassa in het keukentje van de winkel geld uit de kassa in zijn broekzak heeft gestopt, onderbouwd met een schriftelijke verklaring van [C] . In die verklaring is onder meer het volgende opgenomen:
“ […] Het was een super drukke dag met veel contanten dus ik besluit vast het kasgeld te gaan tellen zoals we dat vaker doen. In de keuken uit het zicht van onze klanten voor de veiligheid.
[verzoeker] komt plotseling naast me staan en begint mee te tellen.
Al tellende vraagt hij aan mij of ik de tussendeur dicht wil doen waarop ik zeg nee hij zit al dicht ben aan het tellen. Hij vraagt het nog een keer waardoor ik argwaan krijg. Ik hou hem in de gaten door met mijn rug een stap naar achter te zetten en de deur toch nog een stukje dicht te doen.
Zodra ik weer aan het aanrecht sta zie ik aan mijn rechterkant geld verdwijnen in zijn rechter broekzak. […]”
4.6.
[verzoeker] heeft de authenticiteit van deze schriftelijke verklaring betwist. Volgens [verzoeker] doet de formulering van de verklaring vermoeden dat deze door een derde is opgesteld. Daarnaast stelt hij dat de naam van [C] in een ander lettertype onder de verklaring is getypt en dat de handtekening onder de verklaring niet lijkt op de handtekening van [C] , maar gelijkenissen vertoont met de handtekening van [A] . Ook heeft [verzoeker] de inhoud van de verklaring betwist; hij heeft naar eigen zeggen geen geld weggenomen uit de kassa / gestolen.
4.7.
Gesteld noch gebleken is dat andere personen dan [C] hebben gezien dat [verzoeker] geld in zijn broekzak heeft gestopt. Desgevraagd heeft Arti-Shock verklaard dat er geen camerabeelden beschikbaar zijn waarop te zien is dat [verzoeker] geld in zijn broekzak heeft gestopt. Het tellen van de kassa in het keukentje van de winkel heeft zich afgespeeld buiten het bereikt van de camera’s. Nu [verzoeker] zowel de totstandkoming als de inhoud van hierboven genoemde schriftelijke verklaring heeft bestreden, kan de kantonrechter vooralsnog niet uitgaan van de juistheid van de verklaring van [C] .
de bewijsopdracht
4.8.
De kantonrechter zal Arti-Shock toelaten tot het leveren van bewijs van haar stelling dat [verzoeker] op 28 juni 2024 geld afkomstig uit de kassa in zijn broekzak heeft gestopt in het keukentje van de winkel. Als Arti-Shock niet slaagt in het opgedragen bewijs zal dat tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat [verzoeker] geld heeft weggenomen / gestolen. De opzegging is dan in strijd met artikel 7:671 BW en daarmee is gegeven dat Arti-Shock ernstig verwijtbaar tegenover [verzoeker] heeft gehandeld. In dat geval heeft hij in beginsel recht op de door hem gevorderde ontslagvergoedingen, waarvan de hoogte nog zal worden bepaald. Als Arti-Shock wel slaagt in het opgedragen bewijs, moet worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden.
4.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Dictum
De kantonrechter
5.1.
draagt Arti-Shock op te bewijzen dat [verzoeker] op 28 juni 2024 geld afkomstig uit de kassa in zijn broekzak heeft gestopt in het keukentje van de winkel;
5.2.
bepaalt dat Arti-Shock zich uiterlijk donderdag 2 januari 2025 kan uitlaten of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel;
5.3.
bepaalt dat, als Arti-Shock geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen;
5.4.
bepaalt dat, als Arti-Shock getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden februari tot en met juni 2025 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald;
5.5.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. E.C. Zandman, in het gerechtsgebouw te Eindhoven, Stadhuisplein 4;
5.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de kantonrechter en de wederpartij moeten toesturen;
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.C. Zandman en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2024.