Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-07-18
ECLI:NL:RBOBR:2024:6792
Civiel recht
Bodemzaak
2,394 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 10982429 \ CV EXPL 24-1323
Vonnis van 18 juli 2024
in de zaak van
FBTO ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Leeuwarden,
eisende partij,
hierna te noemen: FBTO,
gemachtigde: Syncasso Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 5 maart 2024 met bijlagen, - het e-mailbericht van [gedaagde] van 3 april 2024,
- de aantekeningen van het mondeling gegeven antwoord op de rolzitting van 4 april 2024,
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- het bericht van FBTO van 10 juni 2024 met producties 1 tot en met 3,
- het e-mailbericht van [gedaagde] van 19 juni 2024 met bijlagen,
- de mondelinge behandeling van 20 juni 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Feiten
2.1.
[gedaagde] heeft in het verleden een basiszorgverzekering afgesloten bij FBTO en een aanvullende zorgverzekering afgesloten bij Achmea Zorgverzekeringen N.V. (hierna: Achmea). Voor de basisverzekering en de aanvullende verzekering hebben FBTO en Achmea premie en zorgkostennota’s in rekening gebracht bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft de zorgpremie en zorgkostennota’s over de jaren 2022 en 2023 niet volledig betaald.
2.2.
Omdat Achmea haar vordering op [gedaagde] heeft overgedragen aan FBTO, vordert FBTO ook betaling van de premies die aan Achmea betaald hadden moeten worden.
Geschil
3.1.
FBTO vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de nog openstaande premies en zorgkosten tot een bedrag van € 1.995,09. Omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald, vordert FBTO ook rente en buitengerechtelijke incassokosten. FBTO vordert in totaal € 2.212,78 van [gedaagde] . FBTO wil ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld.
3.2.
FBTO legt aan haar vordering, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft de premie van FBTO en Achmea over de periode november 2022 tot en met november 2023 ondanks aanmaningen niet steeds maandelijks voldaan. Ook heeft [gedaagde] een aantal zorgkostennota’s ondanks aanmaningen onbetaald gelaten. Het gaat om een totaalbedrag van € 1.995,09. [gedaagde] verkeert ten aanzien van de betaling van dit bedrag in verzuim. De gemachtigde van FBTO heeft [gedaagde] bij brief van 22 januari 2024 aangemaand waarbij de buitengerechtelijke incassokosten zijn aangezegd. [gedaagde] is deze kosten van € 326,00 inclusief btw ingevolge de wet verschuldigd. Vanwege het verzuim is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd (€ 110,64 berekend tot 5 maart 2024).
3.3.
[gedaagde] erkent de vordering en verzoekt om de vordering in termijnen te mogen betalen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
Beoordeling
4.1.
De vordering van FBTO worden toegewezen. [gedaagde] moet € 2.212,78 aan FBTO betalen. Hierna wordt de beslissing van de kantonrechter uitgelegd.
4.2.
Op grond van de Zorgverzekeringswet en de uit hoofde daarvan door [gedaagde] gesloten zorgverzekeringsovereenkomst is [gedaagde] verplicht tot betaling van de maandelijkse premies en het eigen risico. De onderhavige vordering ziet op betaling van de niet-betaalde premie gedurende de periode november 2022 tot en met november 2023 en op door [gedaagde] gemaakte zorgkosten in het jaar 2022. [gedaagde] heeft niet betwist dat zij de betreffende premies en eigen risico verschuldigd is. Door [gedaagde] is wel toegelicht dat zij door haar persoonlijke omstandigheden en betalingsproblemen niet in staat is om de vordering te betalen, maar die persoonlijke omstandigheden en betalingsproblemen liggen in de risicosfeer van [gedaagde] en kunnen niet leiden tot afwijzing van de vordering van FBTO. De kantonrechter zal [gedaagde] veroordelen tot betaling van de hoofdsom.
4.3.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] de kantonrechter verzocht om te bepalen dat zij de vordering van FBTO in termijnen mag voldoen. Zij heeft de kantonrechter bovendien verzocht om de vordering kwijt te schelden. De kantonrechter kan geen betalingsregeling aan partijen opleggen en kan ook niet bepalen dat de vordering wordt kwijtgescholden. Voor een verzoek om een betalingsregeling of kwijtschelding dient [gedaagde] in overleg te treden met (de gemachtigde van) FBTO.
4.4.
FBTO vordert een bedrag van € 326,00 (inclusief btw) ter vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. FBTO heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering moet worden getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom zal de kantonrechter het gevorderde bedrag van € 326,00 (inclusief btw) toewijzen.
4.5.
Vanwege het niet-tijdig betalen is [gedaagde] wettelijke rente verschuldigd. De door FBTO gevorderde wettelijke rente van € 110,64, berekend vanaf verzuim tot 5 maart 2024, zal daarom worden toegewezen. De daarna verschenen wettelijke rente wordt toegewezen over de hoofdsom vanaf 5 maart 2024.
4.6.
Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen:
- hoofdsom en rente berekend tot 5 maart 2024
€
2.105,73
- buitengerechtelijke incassokosten
€
326,00
+
totaal
€
2.431,73
- betalingen
€
218,95
-/-
Totaal
€
2.212,78
4.7.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van FBTO worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
137,38
- griffierecht
€
372,00
- salaris gemachtigde
€
408,00
(2,00 punten × € 204,00)
- nakosten
€
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.019,38
Dictum
De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan FBTO te betalen een bedrag van € 2.212,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 5 maart 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.019,38, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.G.A. Cox en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2024.