Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-12-06
ECLI:NL:RBOBR:2024:6134
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,833 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/3460
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2024 in de zaak tussen
[eiser], in [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M. Yigitdol),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. T.P.A.W. Hanenberg).
Inleiding
1. Met het besluit van 31 januari 2023 heeft het UWV besloten dat eiser met ingang van 16 oktober 2022 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat hij per deze datum 21,91% arbeidsongeschikt is.
2. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.
3. Op 14 november 2023 heeft het UWV dat bezwaar gegrond verklaard (dit is het bestreden besluit) en besloten dat eiser vanaf 16 oktober 2022 recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid in bezwaar is vastgesteld op 58,16%.
4. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
5. Het UWV heeft een verweerschrift ingediend. Naar aanleiding van de aanvullende beroepsgronden heeft het UWV een aanvullend verweerschrift ingediend.
6. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV.
Feiten
7. Op 19 oktober 2020 viel eiser uit voor zijn werk als medewerker retouren voor 31,06 uur per week. Na een wachttijd van 104 weken acht het UWV hem per 16 oktober 2022 minder dan 35% arbeidsongeschikt.
8. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) eiser meer beperkt geacht dan de verzekeringsarts deed. De beperkingen van eiser zijn vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De arbeidsdeskundige B&B heeft daarop voor eiser de voorbeeldfuncties productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) (SBC-code 111180), productiemedewerker confectie, kleermaken (SBC-code 272042) en inpakker (handmatig) (SBC-code 111190) geselecteerd. Vergelijking van het gemiddelde uurloon dat eiser in deze functies kan verdienen met het uurloon dat hij als medewerker retouren verdiende, leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 58,16 %.
De standpunten van partijen
9. Volgens eiser is het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel genomen. Hij stelt daartoe – kort gezegd – het volgende. Het UWV heeft te weinig beperkingen vastgesteld, althans niet goed gemotiveerd waarom het geen aanleiding zag om meer beperkingen vast te stellen. De door het UWV geselecteerde voorbeeldfuncties overschrijden de belastbaarheid van eiser. De vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid is daarom niet juist; deze moet hoger zijn.
10. Het UWV stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het bestreden besluit wel goed is gemotiveerd en op een zorgvuldig onderzoek is gebaseerd.
11. Op de standpunten van partijen wordt hierna nader ingegaan.
Beoordeling
12. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft beslist dat eiser recht heeft op een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 58,16%. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De zorgvuldigheid
13. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van het UWV voldoende zorgvuldig is geweest. Dat baseert de rechtbank op de onderzoeksactiviteiten die zijn verricht, zoals dossieronderzoek en het spreekuur bij de verzekeringsarts. Ook heeft naar aanleiding van het voorgenomen besluit van 31 juli 2023 een tweede hoorzitting plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen reden om te oordelen dat het UWV verdergaand aanvullend onderzoek had moeten verrichten.
14. Voor zover eiser vindt dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest omdat de verzekeringsarts B&B hem niet heeft onderzocht op het spreekuur van 1 juni 2023, slaagt dit argument niet. Naar vaste rechtspraak betekent het gegeven dat de verzekeringsarts geen lichamelijk onderzoek heeft verricht niet dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest. De rechtbank volgt het UWV in het standpunt dat er geen aanleiding was voor de verzekeringsarts B&B om eiser lichamelijk te onderzoeken. De fysieke klachten van eiser waren door middel van medische informatie bekend en daarvoor zijn beperkingen aangenomen in de FML. De verzekeringsarts B&B heeft verder toegelicht dat de primaire verzekeringsarts eiser uitgebreid lichamelijk heeft onderzocht en dat er daarom geen indicatie was voor een nieuw lichamelijk onderzoek. De rechtbank kan dit volgen.
Equality of arms
15. Naar het oordeel van de rechtbank hebben partijen in gelijke mate de gelegenheid gehad om bewijsmateriaal aan te dragen. Eiser heeft informatie ingebracht van zijn behandelaars. Gesteld noch gebleken is dan ook dat sprake is van bewijsnood aan de zijde van eiser. Hij heeft dus in voldoende mate weerwoord kunnen bieden aan wat de verzekeringsartsen hebben aangevoerd ter onderbouwing van het bestreden besluit.
De medisch inhoudelijke beoordeling
16. Eiser heeft bij de verzekeringsarts aangegeven dat hij last heeft van fysieke en mentale klachten. Vanwege deze klachten heeft het UWV beperkingen aangenomen in de FML van 11 januari 2023 in de rubrieken dynamische handelingen en persoonlijk en sociaal functioneren. De verzekeringsarts B&B heeft deze beperkingen onderschreven en aangevuld met een urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week. Hij heeft dit aangepast in de FML van 25 juli 2023.
Mentale klachten
17. Eiser voert aan dat ten onrechte geen beperking is aangenomen ten aanzien van het hanteren van emoties van anderen, het werken in teamverband, concentratie en aandacht. Hij stelt daartoe dat hij forse depressieve klachten, traumatische stressklachten en aandachtsproblemen heeft en dat bij hem sprake is van vermoeidheid, somberheid, stressgevoeligheid en aanzienlijke beperkingen in de cognitieve functies denken, geheugen, concentratie en ingewikkelde problemen oplossen. Ook voert eiser aan dat hij ten onrechte in staat wordt geacht om deadlines en productiepieken te hanteren in eenvoudig productiematig/routinematig werk en om in een hoog handelingstempo te werken. Hij stelt daartoe dat hij ook bij eenvoudig werk geen hoog handelingstempo aankan, en dat dit ook verklaart waarom hij niet in staat wordt geacht zijn maatgevende arbeid te verrichten. Verder wijst eiser er in dit verband op dat zijn behandelend psycholoog heeft geschreven dat de therapie die eiser volgt is gericht op het herstellen van de rust in zijn leven.
18. Het UWV blijft bij het standpunt dat de beperkingen van eiser juist zijn vastgesteld.
19. De rechtbank stelt vast dat eiser in bezwaar nagenoeg dezelfde gronden heeft aangevoerd als hij in beroep aanvoert. Enkel op het punt van de door eiser bepleite urenbeperking heeft het UWV hem in bezwaar gevolgd door een urenbeperking aan te nemen van 4 uur per dag en 20 uur per week. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat de verzekeringsarts B&B in bezwaar niet heeft gemotiveerd waarom hij eiser in de overige door hem bepleite beperkingen niet volgt. Nadat eiser de betreffende bezwaargronden in beroep heeft herhaald, heeft de verzekeringsarts B&B deze motivering wederom niet gegeven. Het lijkt er op dat de verzekeringsarts B&B geen reden ziet om aanvullende beperkingen vast te stellen omdat het door de primaire verzekeringsarts en het door hem verrichte onderzoek daartoe geen aanknopingspunten bieden. Het is echter aan het UWV om – bij monde van de verzekeringsarts B&B – aan eiser uit te leggen waarom een door eiser bepleite beperking niet wordt aangenomen. De verzekeringsarts B&B dient daarin niet alleen zijn eigen onderzoeksbevindingen en die van de primaire verzekeringsarts te betrekken, maar dient ook in te gaan op de argumenten van eiser en de onderbouwing die hij daarbij heeft gegeven. Zo heeft de gemachtigde van eiser tijdens de mondelinge behandeling als voorbeeld genoemd dat het haar nog steeds niet duidelijk is waarom eiser niet beperkt wordt geacht op het hanteren van emoties van anderen en het werken in teamverband, terwijl hij wel beperkt wordt geacht in het omgaan met conflicten en aangewezen is op werk waarin klantencontacten en patiëntencontacten geheel niet mogelijk zijn. Volgens eiser hangen deze items met elkaar samen. Het is aan het UWV om aan eiser uit te leggen waarom dit volgens het UWV kennelijk niet zo is. Met het enkele verwijzen naar de eigen onderzoeksbevindingen (en die van de primaire verzekeringsarts) en het vaststellen van een (forse) urenbeperking in bezwaar heeft het UWV die uitleg niet gegeven. Immers blijkt hier niet uit waarom het UWV geen aanleiding ziet om eiser beperkt te achten op het hanteren van emoties van anderen en het werken in teamverband. Ook heeft het UWV hiermee de vraag waarom de overige door eiser bepleite beperkingen niet zijn gevolgd, niet beantwoord. Dat zal in een nieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog moeten worden gedaan. Het UWV dient in dit nieuw te nemen besluit op bezwaar – bij monde van de verzekeringsarts B&B – voor iedere door eiser bepleite beperking inzichtelijk te maken waarom – indien het UWV dit ook dan vindt – eiser hierin niet wordt gevolgd. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Dat opnieuw op het bezwaar moet worden beslist betekent overigens niet dat de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid niet juist is. Het UWV kan met een verbeterde motivering tot dezelfde mate van arbeidsongeschiktheid concluderen.
Lichamelijke klachten
20. Eiser stelt dat hij klachten heeft aan zijn armen, schouders, nek, rug en knieën. Hij heeft daarbij gewezen op informatie van zijn behandelend fysiotherapeut. Deze heeft bij brief van 15 juli 2023 bevestigd dat sprake is van klachten aan de schouder. Volgens eiser dienen beperkingen te worden aangenomen ten aanzien van het werken boven schouderhoogte, reiken, duwen, trekken, dragen en tillen. Ook dienen volgens hem beperkingen te worden aangenomen voor lang lopen. Verder stelt eiser dat hij last heeft van het carpaaltunnelsyndroom en een allergie voor stof, planten en pollen. Ook daarvoor dienen volgens hem beperkingen te worden aangenomen.
21. Het UWV blijft bij het standpunt dat de beperkingen juist zijn vastgesteld.
22. Volgens de verzekeringsarts B&B is er geen reden om structurele aanvullende beperkingen aan te nemen voor de door eiser gestelde klachten aan zijn armen, schouders, nek, rug en knieën omdat de lichamelijke klachten werden veroorzaakt door een combinatie van overbelasting en stress. De rechtbank kan deze toelichting, hoewel summier, volgen.
Conclusie
35. Omdat eiser gelijk krijgt, is het beroep gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt daarom het griffierecht terug en hij heeft ook recht op vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van wat in rechtsoverweging 19 en 27 van deze uitspraak is overwogen;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten tot een bedrag van € 1.750,-, te betalen aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Brink, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.M.C. van Og, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 6 december 2024.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
ECLI:NL:CRVB:2007:BA1976, ECLI:NL:CRVB:2015:4896 en ECLI:NL:CRVB:2021:750
Beoordeling
De door de fysiotherapeut genoemde triggerpoints van de fysieke klachten, te weten, fysieke overbelasting in combinatie met veel werken en een hoge werkdruk in de maatgevende arbeid, zijn met de vastgestelde beperkingen niet meer aan de orde. Immers is eiser licht beperkt geacht op tillen en dragen tijdens het werk en is een (forse) urenbeperking vastgesteld. De stelling van eiser dat hij niet in staat is om boven schouderhoogte actief te zijn, volgt niet logisch uit de door hem overgelegde informatie van de fysiotherapeut. Het verzoek van eiser om de zaak aan te houden zodat hij nog informatie kan overleggen van een nog te initiëren onderzoek door een medisch specialist aan het weefsel van zijn schouder- / nekregio (eiser moet nog langs de huisarts voor een verwijzing) wijst de rechtbank af, reeds omdat het UWV een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen en de bezwaarfase dus weer open komt te liggen. Desgevraagd heeft het UWV tijdens de zitting laten weten nieuwe medische informatie naar aanleiding van dit nog door eiser te initiëren onderzoek in de beoordeling te zullen betrekken. Het is aan eiser om ervoor te zorgen dat het UWV de beschikking krijgt over die medische informatie.
23. De rechtbank volgt voorts het standpunt van het UWV dat eiser niet eerder naar voren heeft gebracht en ook niet heeft onderbouwd dat hij allergisch is voor stof, planten en pollen en dat om die reden geen aanleiding bestond eiser in verband daarmee beperkt te achten. Hetzelfde geldt voor het standpunt van het UWV ten aanzien van de stelling van eiser dat bij hem sprake is van het carpaaltunnelsyndroom.
24. Verder heeft eiser nog gesteld dat hij last heeft van het prikkelbare darmsyndroom en dat dit blijkt uit de journaalregels van de huisarts. Voor zover eiser daarmee beoogt te stellen dat het UWV dit in de beoordeling had moeten betrekken, stelt de rechtbank vast dat eiser van deze aandoening noch bij de primaire verzekeringsarts, noch bij de verzekeringsarts B&B melding heeft gemaakt. Van het niet in de beoordeling betrekken van deze aandoening kan het UWV dan ook geen verwijt worden gemaakt. Overigens heeft eiser niet gesteld in hoeverre hij van deze aandoening beperkingen in het verrichten van arbeid ondervindt.
Medicatie
25. Eiser voert aan dat onvoldoende beperkingen zijn aangenomen voor het gebruik van zijn medicatie Oxazepam.
26. Volgens de verzekeringsarts B&B is met het gebruik van oxazepam in de FML voldoende rekening gehouden door een beperking op te nemen voor werken met een verhoogd persoonlijk risico. Voor verdergaande beperkingen ziet hij geen aanleiding omdat volgens hem het toekennen van de urenbeperking zal leiden tot het ervaren van minder stress met als gevolg een lager gebruik, dan wel stoppen van het gebruik van de oxazepam.
27. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat hiermee nog niet is gezegd dat op de hier te beoordelen datum 16 oktober 2022 de urenbeperking het door de verzekeringsarts B&B genoemde effect heeft gesorteerd als gevolg waarvan op die datum een lager gebruik van of stoppen met het gebruik van oxazepam aan de orde is. De door de verzekeringsarts B&B gegeven motivering volstaat dus niet. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal dan ook een nadere motivering op dit punt dienen te worden gegeven.
Urenbeperking
28. Eiser voert aan dat hij de geselecteerde functies ook niet op basis van een 20 uur durende werkweek kan vervullen gelet op zijn mentale en lichamelijke klachten. Voor zover eiser hiermee beoogt te stellen dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, volgt de rechtbank hem hierin niet. De primaire verzekeringsarts heeft aan de hand voor de daarvoor geldende criteria helder uiteengezet waarom bij eiser van een situatie zonder benutbare mogelijkheden geen sprake is.
ADHD
29. Eiser voert aan dat bij hem mogelijk sprake is van ADHD, zoals zijn behandelend psycholoog heeft bevestigd. Dit verklaart volgens hem de concentratieklachten, stressproblematiek en werkgerelateerde moeilijkheden.
30. De verzekeringsarts B&B heeft hierover geschreven dat, mocht uit nadere diagnostiek blijken dat hiervan sprake is, een verdere behandeling en goede voorlichting een positieve invloed zal hebben op de gevoelens, gedachten en het gedrag van eiser. In de FML werd eiser op diverse punten ten aanzien van sociaal en persoonlijk functioneren beperkt geacht. Het verslag van de behandelend psycholoog geeft de verzekeringsarts B&B geen aanleiding meer beperkingen op dit gebied toe te kennen.
31. De rechtbank kan voormelde toelichting van de verzekeringsarts B&B volgen.
De arbeidskundige beoordeling
32. Eiser voert aan dat hij de functie inpakker niet kan uitoefenen omdat hij last heeft van het carpaaltunnelsyndroom en in deze functie veelvuldig bewegingen dient te maken met zijn schouder, rug en armen, waarvan hij last heeft. Ook voert eiser aan dat hij de functie van medewerker tuinbouw niet kan uitoefenen omdat deze functie lichamelijk te belastend is in verband met schouder-, nek- en armklachten en zijn allergie voor stof, planten en pollen.
33. Vooropgesteld zij dat het UWV een nieuw besluit op het bezwaar dient te nemen. De rechtbank kan en zal daarom enkel voor het geval dat de FML in het nieuw te nemen besluit op bezwaar niet wijzigt – in die zin dat geen aanvullende beperkingen worden vastgesteld – een oordeel geven over de geschiktheid van de op basis van de FML van 25 juli 2023 geduide functies. De arbeidsdeskundige B&B heeft aan de hand van deze FML beoordeeld of de eerder geselecteerde functies nog passen bij de belastbaarheid van eiser. Uitgaande van die FML ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet geschikt zijn voor eiser. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid hebben de arbeidsdeskundigen voldoende onderbouwd waarom de voorbeeldfuncties geschikt zijn.
Griffierecht en proceskosten
34. Omdat het beroep gegrond is, moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Het UWV moet ook de proceskosten van eiser vergoeden. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 875,-. De gemachtigde van eiser heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding van de proceskosten bedraagt daarom in totaal € 1.750,-.