Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-06-03
ECLI:NL:RBOBR:2024:5553
Bestuursrecht
Wraking
1,161 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. M. van ‘t Klooster,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1. Verzoeker is eiser in het beroep dat hij heeft ingesteld tegen een beslissing van de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Eiser is het niet eens met de hoogte van zijn pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer 23/1582. Op 16 mei 2024 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens deze behandeling heeft verzoeker de rechter gewraakt.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter daarop
2.1
Uit het proces-verbaal van de zitting van 16 mei 2024 blijkt dat verzoeker het volgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd. Verzoeker heeft tijdens de zitting gevraagd aan de rechter of zij ervoor wil zorgen dat de officier van justitie een medewerkster van de Sociale verzekeringsbank zal gaan vervolgen. De rechter heeft aangegeven dit niet te zullen doen. Vervolgens heeft verzoeker medegedeeld dat hij de rechter wraakt en heeft hij een handgeschreven brief van vijf pagina’s overgelegd ter onderbouwing van dit verzoek. In de brief staat onder andere “lidmaatschap criminele organisatie (…) diefstallen door ambtenaren en rechters door geen uitspraak te doen van miljarden schade aan Vaticaan en Leger des Heils (…) alle onrechtmatige uitspraken zijn ambtsmisdrijven en dat zijn ze immers allemaal (…) Tevens zijn de rechters automatisch gewraakt (criminele organisatie)”.
2.2
In haar brief van 23 mei 2024 geeft de rechter in reactie op het wrakingsverzoek aan dat zij niet in het verzoek berust.
Beoordeling
3.1
Artikel 8:15 van de Awb bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.2
De enkele omstandigheid dat de rechter de vraag van verzoeker om de officier van justitie opdracht te geven om iemand strafrechtelijk te laten vervolgen met ‘nee’ heeft beantwoord, kan niet tot de conclusie leiden dat sprake is van (de schijn van) partijdigheid. De rechter is immers als bestuursrechter belast met de behandeling van de hoofdzaak over verzoekers pensioen. Zij gaat niet over de vraag wie door het Openbaar Ministerie wordt vervolgd en kan het Openbaar Ministerie geen opdracht tot vervolging opdragen.
3.3
De wrakingskamer constateert verder dat de brief van verzoeker geen feitelijk omschreven beslissingen, handelingen of gedragingen betreffende de rechter bevat. Dit betekent dat in de brief geen concrete feiten staan waaruit de rechtbank de vooringenomenheid van de rechter of de objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor zou kunnen afleiden. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.
3.4
Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
Dictum
De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.O.Y. Elagab, voorzitter, mr. B.C.W. Geurtsen-van Eeden en mr. F.E. Roll, leden, in tegenwoordigheid van, mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 3 juni 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).