Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-03-15
ECLI:NL:RBOBR:2024:5464
Civiel recht
Wraking
1,033 tokens
Dictum
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van
[verzoeker] ,
Verblijvende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. J. Woestenburg,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
Procesverloop
1.1
Verzoeker is eiser in een zaak met kenmerk 22/2331. Op 30 oktober 2023 heeft de mondelinge behandeling van deze zaak plaatsgevonden. Tijdens deze behandeling heeft verzoeker de rechter gewraakt. Op 3 november 2023 heeft verzoeker een nadere toelichting op dit wrakingsverzoek ingediend. Met de beslissing van 7 december 2023 (met zaaknummer WR23/029) heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek van verzoeker ongegrond verklaard.
1.2
Verzoeker heeft op 4 januari 2024 opnieuw een wrakingsverzoek ingediend, dat betrekking heeft op de rechter.
Het wrakingsverzoek en de reactie van de rechter hierop
2.1
Verzoeker schrijft in zijn verzoek dat er veel stukken ontbreken in het dossier of juist ten onrechte in het dossier zijn opgenomen. De rechter is hiermee bekend, maar doet hier niets mee.
2.2
In zijn reactie op het wrakingsverzoek schrijft de rechter niet te berusten in het verzoek. Er wordt door verzoeker opnieuw ingegaan op de gang van zaken tijdens de zitting van 30 oktober 2023, maar hier heeft de rechter in het kader van het eerste wrakingsverzoek al op gereageerd.
Beoordeling
3.1
Artikel 8:15 Awb bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2
Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang.
3.3
In artikel 5, tweede lid, aanhef en onder f, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Oost-Brabant is bepaald dat de wrakingskamer het verzoek tot wraking zonder behandeling ter zitting meteen ongegrond of niet-ontvankelijk kan verklaren, als het een volgend verzoek ten aanzien van eenzelfde rechter betreft. Een uitzondering hierop is als er feiten of omstandigheden worden voorgedragen die pas na het eerdere verzoek aan de verzoeker bekend zijn geworden.
3.4
Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoeker aan zijn verzoek tot wraking geen nieuwe, (het handelen van) de rechter betreffende, feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd. Dit betekent dat de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.
3.5
Voor een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het voorgaande niet toegekomen.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van de rechter .
Deze beslissing is gegeven door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, mr. M.E. Bartels en
mr. J.O.Y. Elagab, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.A. Schokker-Stadhouders, griffier, en in openbaar uitgesproken op 15 maart 2024.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 8:18, vijfde lid, Awb).