Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-02-14
ECLI:NL:RBOBR:2024:529
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,382 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/2293
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: M. Sengers).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 14 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser [naam] en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Motivering
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 3 juli 2023 omstreeks 18:57 uur stond het voertuig van eiser met het kenteken [kenteken] geparkeerd in de Stationsweg in Eindhoven Deze parkeerlocatie is op grond van op grond van de toepasselijke gemeentelijke regelgeving aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven. Eiser had op de hiervoor genoemde momenten de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan.
2. De heffingsambtenaar heeft op 18 juli 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd die bestaat uit € 2,60 parkeerbelasting en € 72,90 kosten naheffing. Met uitspraak op bezwaar van 27 juli 2023 is de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser vindt dat niet terecht en heeft daarom beroep ingesteld.
3. Eiser heeft de parkeerbelasting willen voldoen met de parkeerapp Stadsparkeren. Er stond op het moment van parkeren geen code in voor de parkeerplaats, dus die heeft eiser handmatig ingevoerd. Eiser heeft echter de verkeerde parkeerlocatie in de parkeerapp ingevoerd, maar in plaats van de juiste code 5114 heeft hij 15114 ingevoerd. Dat is een code voor een parkeerzone in Amsterdam.
4. Eiser vindt het een taak van de gemeente dat de lokale digitale infrastructuur niet wordt gestoord. Als van zo’n storing geen sprake was op het moment van parkeren, dan had eiser meteen de juiste parkeercode kunnen selecteren en was dit niet gebeurd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De door eiser veronderstelde taak (of zorgplicht) is niet door de wetgever aan de gemeente opgedragen. Verder valt ook niet in te zien hoe dit anderszins een gemeentelijke taak zou moeten zijn in een geliberaliseerde markt voor telecom (zoals die in Nederland sinds de laatste eeuwwisseling bestaat). Dat de gemeente Eindhoven in het verleden het gebruik van de app Stadsparkeren zou hebben aangeprezen maakt dit niet anders.
5. Hiernaast erkent eiser dat hij zelf een invoerfout in de app heeft gemaakt, maar dat dit slechts een kleine fout is. Hij had ook geen opzet op het niet betalen van parkeerbelasting. Dit blijkt ook uit het feit dat hij wel parkeerbelasting heeft betaald, maar aan de verkeerde gemeente. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hierom moet worden afgezien van het opleggen van de naheffingsaanslag. Het betalen van parkeerbelasting aan de verkeerde gemeente betekent dat geen parkeerbelasting aan de juiste gemeente is betaald en dus dat een naheffingsaanslag mag worden opgelegd. Dat eiser verkeerde data invoert in een parkeerapp moet voor zijn rekening en risico blijven.
6. Eiser heeft daarnaast gezegd dat uit alles spreekt dat hij daadwerkelijk parkeerbelasting heeft willen voldoen. Hij vindt dat er sprake is van een boete en vraagt de rechtbank om die te matigen. Volgens de rechtspraak zoals die nu is, is geen sprake van een boete en kan de rechtbank de kosten naheffing ook (los daarvan) niet matigen als geen sprake is van het absoluut, feitelijk en fysiek niet in staat zijn om parkeergeld te betalen. Van dat laatste is niet gebleken. Deze rechtbank heeft op 8 december 2023 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld die er in de kern op neerkomen of de kosten naheffing van de naheffingsaanslag parkeerbelasting inmiddels als boete kunnen worden gezien, dan wel of de belastingrechter (anderszins) de bevoegdheid heeft om in een concreet geval de kosten naheffing te matigen. Zolang de Hoge Raad die vragen nog niet heeft beantwoord, is genoemde lijn in de rechtspraak wat ze is en ziet de rechtbank geen ruimte daarvan af te wijken.
7. De rechtbank is het tot slot niet met eiser eens dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Voor een deugdelijk gemotiveerde beslissing is niet vereist dat op al eisers argumenten wordt ingegaan. Verder staat in de uitspraak op bezwaar concreet waarom de naheffingsaanslag is gehandhaafd en dat de argumenten van eiser voor de heffingsambtenaar geen reden waren om de naheffingsaanslag parkeerbelasting te vernietigen.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 18 juli 2023 bij de bestreden uitspraak op bezwaar terecht heeft gehandhaafd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Gerechtshof Amsterdam 4 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:313.
Rechtbank Noord-Holland 25 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:9997, en Rechtbank Noord-Holland 17 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11813.
Hoge Raad 18 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3127.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3125, rechtbank Amsterdam 26 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3093, rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 november 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5829, rechtbank Rotterdam 25 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7112, rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7789, en rechtbank Amsterdam 11 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5011.
Rechtbank Oost-Brabant 8 december 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5711.
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/2293
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 februari 2024 in de zaak tussen
[naam] , uit [woonplaats] , eiser
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Eindhoven, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: M. Sengers).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 14 februari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser [naam] en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Motivering
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Op 3 juli 2023 omstreeks 18:57 uur stond het voertuig van eiser met het kenteken [kenteken] geparkeerd in de Stationsweg in Eindhoven Deze parkeerlocatie is op grond van op grond van de toepasselijke gemeentelijke regelgeving aangewezen als plaats waar parkeerbelasting wordt geheven. Eiser had op de hiervoor genoemde momenten de verschuldigde parkeerbelasting niet voldaan.
2. De heffingsambtenaar heeft op 18 juli 2023 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd die bestaat uit € 2,60 parkeerbelasting en € 72,90 kosten naheffing. Met uitspraak op bezwaar van 27 juli 2023 is de naheffingsaanslag gehandhaafd. Eiser vindt dat niet terecht en heeft daarom beroep ingesteld.
3. Eiser heeft de parkeerbelasting willen voldoen met de parkeerapp Stadsparkeren. Er stond op het moment van parkeren geen code in voor de parkeerplaats, dus die heeft eiser handmatig ingevoerd. Eiser heeft echter de verkeerde parkeerlocatie in de parkeerapp ingevoerd, maar in plaats van de juiste code 5114 heeft hij 15114 ingevoerd. Dat is een code voor een parkeerzone in Amsterdam.
4. Eiser vindt het een taak van de gemeente dat de lokale digitale infrastructuur niet wordt gestoord. Als van zo’n storing geen sprake was op het moment van parkeren, dan had eiser meteen de juiste parkeercode kunnen selecteren en was dit niet gebeurd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. De door eiser veronderstelde taak (of zorgplicht) is niet door de wetgever aan de gemeente opgedragen. Verder valt ook niet in te zien hoe dit anderszins een gemeentelijke taak zou moeten zijn in een geliberaliseerde markt voor telecom (zoals die in Nederland sinds de laatste eeuwwisseling bestaat). Dat de gemeente Eindhoven in het verleden het gebruik van de app Stadsparkeren zou hebben aangeprezen maakt dit niet anders.
5. Hiernaast erkent eiser dat hij zelf een invoerfout in de app heeft gemaakt, maar dat dit slechts een kleine fout is. Hij had ook geen opzet op het niet betalen van parkeerbelasting. Dit blijkt ook uit het feit dat hij wel parkeerbelasting heeft betaald, maar aan de verkeerde gemeente. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hierom moet worden afgezien van het opleggen van de naheffingsaanslag. Het betalen van parkeerbelasting aan de verkeerde gemeente betekent dat geen parkeerbelasting aan de juiste gemeente is betaald en dus dat een naheffingsaanslag mag worden opgelegd. Dat eiser verkeerde data invoert in een parkeerapp moet voor zijn rekening en risico blijven.
6. Eiser heeft daarnaast gezegd dat uit alles spreekt dat hij daadwerkelijk parkeerbelasting heeft willen voldoen. Hij vindt dat er sprake is van een boete en vraagt de rechtbank om die te matigen. Volgens de rechtspraak zoals die nu is, is geen sprake van een boete en kan de rechtbank de kosten naheffing ook (los daarvan) niet matigen als geen sprake is van het absoluut, feitelijk en fysiek niet in staat zijn om parkeergeld te betalen. Van dat laatste is niet gebleken. Deze rechtbank heeft op 8 december 2023 prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld die er in de kern op neerkomen of de kosten naheffing van de naheffingsaanslag parkeerbelasting inmiddels als boete kunnen worden gezien, dan wel of de belastingrechter (anderszins) de bevoegdheid heeft om in een concreet geval de kosten naheffing te matigen. Zolang de Hoge Raad die vragen nog niet heeft beantwoord, is genoemde lijn in de rechtspraak wat ze is en ziet de rechtbank geen ruimte daarvan af te wijken.
7. De rechtbank is het tot slot niet met eiser eens dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Voor een deugdelijk gemotiveerde beslissing is niet vereist dat op al eisers argumenten wordt ingegaan. Verder staat in de uitspraak op bezwaar concreet waarom de naheffingsaanslag is gehandhaafd en dat de argumenten van eiser voor de heffingsambtenaar geen reden waren om de naheffingsaanslag parkeerbelasting te vernietigen.
8. Gelet op het voorgaande is de rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 18 juli 2023 bij de bestreden uitspraak op bezwaar terecht heeft gehandhaafd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. L.T.H. Verhagen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Gerechtshof Amsterdam 4 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:313.
Rechtbank Noord-Holland 25 november 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:9997, en Rechtbank Noord-Holland 17 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11813.
Hoge Raad 18 oktober 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3127.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 juli 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:3125, rechtbank Amsterdam 26 april 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:3093, rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 november 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:5829, rechtbank Rotterdam 25 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7112, rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7789, en rechtbank Amsterdam 11 juli 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5011.
Rechtbank Oost-Brabant 8 december 2023, ECLI:NL:RBOBR:2023:5711.