Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-11-04
ECLI:NL:RBOBR:2024:5197
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,781 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/1787
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 november 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.H.A.J. Slaats),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. X. Su).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 5 oktober 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 juni 2023 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
1.4.
Op de zitting is de zaak aangehouden, om eiser in de gelegenheid te stellen een aanvullend beroepschrift in te dienen. Op 23 mei 2024 heeft eiser het aanvullend beroepschrift ingediend.
1.5.
Het UWV is in de gelegenheid gesteld om op het aanvullend beroepschrift te reageren. Op 16 juli 2024 heeft het UWV zijn reactie op het aanvullend beroepschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Eiser heeft binnen de daartoe gestelde termijn laten weten een nadere zitting te wensen. Ook heeft eiser nadere stukken ingebracht.
1.7.
De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2024. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Wat aan het besluit voorafging
2. Eiser ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Op
10 augustus 2020 heeft hij zich ziekgemeld, waarna hij een uitkering op grond van de Ziektewet ontving. Op 21 juni 2022 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan. Het UWV heeft na medisch en arbeidskundig onderzoek de besluiten genomen die in de inleiding zijn genoemd.
Standpunten van partijen
3. Het UWV vindt dat eiser op 8 augustus 2022 (datum in geding) minder dan 35%, namelijk 32,25%, arbeidsongeschikt is en heeft daarom besloten geen WIA-uitkering toe te kennen. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser, met zijn beperkingen zoals vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 6 september 2022, in staat is om de geselecteerde voorbeeldfuncties uit te voeren.
De voor de schatting gebruikte functies zijn:
(SBC-code 516080) Schadeadviseur;
(SBC-code 267041) Productiemedewerker;
(SBC-code 111180) Medior Soldering Operator.
Als reservefuncties zijn geselecteerd:
(SBC-code 515080) Medewerker Medische Registratie;
(SBC-code 111190) Productiemedewerker II.
4. Eiser voert aan dat zijn klachten door het UWV zijn onderschat. De verzekeringsarts is er volgens eiser ten onrechte aan voorbij gegaan dat zijn psychische klachten in combinatie met de voorgeschreven medicatie en het middelengebruik van destijds, maken dat hij niet voltijds de functies kan uitoefenen. Eiser vindt dat de verzekeringsarts ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. Zijn energieverlies is dusdanig dat hij in 2023 niet meer dan gemiddeld 65 uur per maand arbeid heeft kunnen verrichten. Meer dan dit (de rechtbank begrijpt: meer uren dan dit) resulteerde volgens eiser telkens in verergering van klachten en bijkomstig verlies van functioneren (proberen en mislukken). Eiser wijst erop dat hij kampt met een slaapproblemen, depressie, overspannenheid, angsten, binge eating disorder en een bipolaire stoornis. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser brieven van zijn behandelaars overgelegd. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) ten onrechte een aantal Standaarden onvoldoende in acht heeft genomen bij de beoordeling. Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling voert eiser aan dat hij de functie Assemblagemedewerker elektrotechnische producten (waarbij hij SBC-code 267041 noemt) niet kan uitvoeren, omdat het werken met een soldeerbout te veel risico oplevert. De functie Inpakker (waarbij eiser SBC-code 11180 noemt) is volgens eiser niet geschikt vanwege het werken met de soldeerbout en zijn beperkingen in het kort cyclisch torderen en het gebogen en/of getordeerd actief zijn.
Beoordeling
5. De rechtbank beoordeelt of het UWV op goede gronden heeft geweigerd een WIA-uitkering toe te kennen aan eiser, omdat hij per 8 augustus 2022 (de datum in geding) minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. De rechtbank is van oordeel dat eiser op goede gronden minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht per 8 augustus 2022. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
De zorgvuldigheid
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. De verzekeringsarts B&B heeft kennisgenomen van het dossier en het bezwaar van eiser. Hij heeft eiser gezien en onderzocht op een spreekuur en de door eiser ingebrachte medische informatie meegewogen in zijn beoordeling. De rechtbank vindt ook dat de verzekeringsarts B&B op een zorgvuldige en duidelijke manier alle naar voren gebrachte klachten heeft betrokken bij de medische beoordeling. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat verzekeringsarts B&B aspecten van de medische situatie van eiser heeft gemist. Anders dan eiser ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om betekenis toe te kennen aan de kennelijke verschrijving van de verzekeringsarts B&B dat eiser op 15 april 2024 naar Apanta zou zijn verwezen. Zoals eiser zelf ook al opmerkt, heeft de verzekeringsarts B&B zich waarschijnlijk vergist door de printdatum van de informatie aan te houden. Uit het dossier blijkt dat eiser in maart 2020 is aangemeld en verwezen naar Apanta en dat de informatie van Apanta verder kenbaar bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling is betrokken.
6.2.
Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt niet expliciet dat aan alle elementen uit de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid 2015, de LISV Standaard Onderzoeksmethoden 2000 en de LISV Standaard Onderzoeksmethoden bij psychische stoornissen 1997 is getoetst. Anders dan eiser stelt, maakt dit de rapporten naar het oordeel van de rechtbank niet onzorgvuldig. De richtlijnen verplichten namelijk niet om alle elementen expliciet in een verzekeringsgeneeskundige rapportage aan de orde te stellen. En zelfs al zou zo’n verplichting daaruit impliciet volgen, dan is van belang dat verzekeringsgeneeskundige protocollen slechts bedoeld zijn als hulpmiddel bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Het niet naar de letter opvolgen daarvan maakt dus evenmin dat een verzekeringsgeneeskundig onderzoek meteen onzorgvuldig zou zijn.
De medisch inhoudelijke beoordeling
6.3.
Eiser merkt in zijn aanvullend beroepschrift van 23 mei 2024 op dat sprake van een uitzonderingssituatie in relatie tot benutbare mogelijkheden. Voor zover eiser hiermee wil stellen dat hij geen benutbare mogelijkheden heeft, merkt de rechtbank op dat eiser dit standpunt verder niet heeft onderbouwd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te oordelen dat eiser op de datum in geding geen benutbare mogelijkheden zou hebben.
6.4.
Ten aanzien van de medische beoordeling is het geschil verder toegespitst op de vraag of een verdergaande urenbeperking is aangewezen. De verzekeringsartsen voor het UWV hebben alleen een urenbeperking voor de nachtelijke uren aangenomen. Eiser meent dat een verdergaande urenbeperking aan de orde is van – zo begrijpt de rechtbank – 25 uren per week. De rechtbank is van oordeel dat het UWV op goede gronden geen verdergaande urenbeperking heeft aangenomen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze conclusie is gekomen.
6.4.1.
De verzekeringsarts B&B concludeert in het rapport van 24 mei 2023 dat er op grond van de medische feiten, het dagverhaal en met inachtneming van de door de primaire verzekeringsarts aangegeven beperkingen in de FML, geen aanleiding is om een verdergaande urenbeperking toe te passen. Hij wijst erop dat eiser geen aandoening heeft die veelal met een verlies van energie gepaard gaat, zoals hart- en longziekten, ernstige spierziekten of neurologische aandoeningen. Er is bij eiser geen sprake van energieverlies als het meest op de voorgrond staande symptoom. Uit het dagverhaal van eiser blijkt geen verhoogde slaapbehoefte of een verstoring van het dag-nachtritme of waak-slaapritme. Daarnaast volgt eiser geen (dag)behandeling in een ziekenhuis of polikliniek op indicatie van een medisch of paramedisch beroepsoefenaar waardoor eiser voor arbeid niet aanwezig kan zijn. Ook zijn er volgens de verzekeringsarts B&B geen zogenaamde ‘direct’ preventieve gronden te duiden. Er zijn geen aanwijzingen dat eiser door fulltime werken in de geduide functies op den duur schade aan zijn gezondheid zou toebrengen.
6.4.2.
In het rapport van 3 juli 2024 stelt de verzekeringsarts B&B zich op het standpunt dat uit de informatie van de huisarts die eiser op 23 mei 2024 heeft overgelegd, niet blijkt dat er rond datum in geding sprake was van decompensatie of een ernstig psychiatrisch toestandsbeeld. Ook blijkt niet dat er sprake van was de ziekte van Lyme of een bipolaire stoornis. Daarnaast stelt de verzekeringsarts B&B dat, voor zover hem bekend, uit de onderzoeken bij Kempenhaeghe geen slaapstoornis naar voren is gekomen. De verzekeringsarts B&B stelt dat er met de geconstateerde problematiek en de gebruikte middelen, die deels versuffend zijn, rekening is gehouden in de FML.
6.4.3.
De rechtbank kan de verzekeringsarts B&B volgen en heeft geen reden om aan de motiveringen te twijfelen. In de medische informatie die eiser heeft ingediend ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat er een verdergaande urenbeperking moet gelden. Uit de brieven van GGzE die eiser op 19 januari 2024 heeft overgelegd, blijkt dat eiser voor behandeling is verwezen naar GGzE en dat hij een intakegesprek heeft gehad. In deze brieven wordt geen melding gemaakt van ernstige energetische klachten die een verdergaande urenbeperking noodzakelijk maken. Ook in de medische informatie die eiser op 23 mei 2024 heeft ingediend, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het oordeel van het UWV te twijfelen. De psychische klachten van eiser die in de brieven naar voren komen, zijn bekend bij het UWV en daarmee is rekening gehouden in de FML. Uit de brieven blijken verder geen ernstige energetische klachten. Daarnaast is een deel van de medische informatie van ver voor (2020) of ver na (2024) de datum in geding. Ook kan de rechtbank de verzekeringsarts B&B volgen in de stelling dat er geen sprake is van een bipolaire stoornis, omdat uit de brief van de gezondheidszorgpsycholoog van 11 januari 2024 blijkt dat het centrum bipolair van GGzE onvoldoende aanwijzingen zag voor een bipolaire kwetsbaarheid. De brief van de gezondheidspsycholoog van 3 september 2024 bevat naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat een verdergaande urenbeperking aangewezen is. Hierbij speelt ook mee dat de brief van ruim twee jaar na de datum in geding is. De informatie die de gezondheidspsycholoog geeft over de huidige toestand van eiser ziet niet op de medische situatie per datum in geding. Met de (algemene en summiere) informatie die daar wel op ziet is naar het oordeel van de rechtbank voldoende rekening gehouden. De discussie tussen partijen over de vraag in hoeverre uit de informatie van psychiater Kasicova kan worden opgemaakt dat eiser stabiel was en was ingesteld op methylfenidaat, acht de rechtbank niet van belang voor de beoordeling of een verdergaande urenbeperking is aangewezen. Eiser heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat het nog niet geheel juist ingesteld zijn op medicatie een urenbeperking rechtvaardigt. Verder is voor de bijwerking van de medicatie – een versuffend effect – expliciet een beperking in de FML aangenomen.
6.4.4.
Op de zitting van 22 oktober 2024 heeft eiser naar voren gebracht dat hij één dag per week vrijwilligerswerk doet in de verslavingszorg.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. C.J. Kroon, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2024.
De rechter is niet in staat om
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 september 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1919, r.o. 4.2.
Zoals bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.
Bij een fulltime werkweek (40 uren per week) is het aantal werkuren per maand gemiddeld 173 uren. Eiser stelt dat hij in 2023 gemiddeld maximaal 65 uren per maand kon werken. (Zie: punt 4 van deze uitspraak.) Bij gebrek aan indicaties voor het tegendeel gaat de rechtbank ervan uit dat eiser meent dat dit ook op de datum in geding het geval was. Dat resulteert in een urenbeperking van (173 – 65 =) 108 uren per maand en dus (afgerond) 25 uren per week.