Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-10-17
ECLI:NL:RBOBR:2024:4874
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,218 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/3433
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 oktober 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. K. Canters).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Werkloosheidswet (WW) voor een uitkering wegens betalingsonmacht.
1.1.
Eiser heeft deze aanvraag op 24 juni 2023 ingediend. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 29 september 2023 afgewezen. Met het besluit op bezwaar van 8 november 2023 (het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.3.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2024 op zitting behandeld. Het beroep is op de zitting gezamenlijk behandeld met de beroepen van [naam] (zaaknummer: SHE 23/3388) en [naam] (zaaknummer: SHE 23/3439). Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [naam] . Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen zijn gemachtigde.
Beoordeling
2. De rechtbank beoordeelt of het UWV de aanvraag van eiser voor een uitkering wegens betalingsonmacht terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Relevante feiten en omstandigheden
5. Eiser ( [eiser] ) was werkzaam als directeur bij het bedrijf [bedrijf 1] (hierna: de vennootschap). Naast eiser werkten ook [naam] (hierna: [naam] ) en [naam] (hierna: [naam] ) voor de vennootschap in deze functie.
5.1.
Met ingang van 13 juni 2023 is de vennootschap in staat van faillissement verklaard en met ingang van 14 juni 2023 is eiser, net als voormelde andere bestuurders, door de curator ontslagen.
5.2.
Naar aanleiding van de aanvraag van eiser (en de andere twee bestuurders) voor een uitkering op grond van betalingsonmacht heeft het UWV een onderzoek naar de verzekeringsplicht van eiser (en de andere twee bestuurders) verricht. Dat heeft geleid tot de afwijzing van de aanvraag.
5.3.
Uit het onderzoek van het UWV zijn de volgende, door eiser niet betwiste, feiten naar voren gekomen. Bij de oprichting van de vennootschap waren de 1500 aandelen van de vennootschap in handen van de rechtspersonen [bedrijf 2] (450 aandelen), [bedrijf 3] (450 aandelen) en [bedrijf 4] (600 aandelen).
Op 22 februari 2022 heeft [bedrijf 4] al haar 600 aandelen verkocht aan de rechtspersonen [bedrijf 2] (verkreeg 50 aandelen), [bedrijf 3] (verkreeg 50 aandelen) en [bedrijf 5] (verkreeg 500 aandelen). Sindsdien waren de aandelen gelijk verdeeld over de rechtspersonen [bedrijf 2] (500 aandelen), [bedrijf 3] (500 aandelen) en [bedrijf 5] (500 aandelen).
Eiser is bestuurder en tevens enig aandeelhouder van [bedrijf 5] [naam] is bestuurder en tevens enig aandeelhouder van [bedrijf 5] [naam] is bestuurder en tevens enig aandeelhouder van [bedrijf 3] Daarmee waren de aandelen van de vennootschap (indirect) in het bezit van voormelde natuurlijke personen, ieder voor een gelijk deel (33,33%). Deze personen waren tevens (al dan niet indirect) de statutair bestuurders van de vennootschap.
Standpunten van partijen
6. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser op grond van artikel 2, derde lid, van de Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016 (hierna: de Regeling) moet worden aangemerkt als directeur-grootaandeelhouder (hierna: DGA). Volgens het UWV was er sprake van nevengeschiktheid van eiser als bestuurder ten opzichte van de andere twee bestuurders, omdat eiser net als de andere twee bestuurders (indirect) 33,33% van de aandelen hield in de vennootschap. Om die reden vindt het UWV dat eiser niet als (verzekeringsplichtige) werknemer kan worden beschouwd in de zin van de WW. Daarom heeft eiser geen recht op een uitkering wegens betalingsonmacht.
6.1.
Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag om een WW-uitkering. Hij stelt dat hij als DGA in loondienst was van de vennootschap. Ten tijde van de oprichting van de vennootschap is in overleg met de accountant gekozen voor deze loondienstconstructie. Eiser stelt dat alle verzekeringspremies die van toepassing waren op deze loondienstconstructie zijn afgedragen/voldaan, zodat, naar de rechtbank begrijpt, volgens hem aan de eisen van de verzekeringsplicht is voldaan. Ook voldeed de verhouding tussen hem en de vennootschap aan de criteria dat er persoonlijke arbeid werd verricht (eiser verrichtte specifieke werkzaamheden), dat daar een tegenprestatie tegenover stond (in de vorm van salaris), en dat er sprake was van een bepaalde gezagsverhouding tussen eiser en de (andere) aandeelhouders (een 2/3de meerderheid om te kunnen beslissen over zijn ontslag). De eerste twee aspecten zijn vastgelegd in een arbeidsovereenkomst. Het derde aspect blijkt uit het directiestatuut van de vennootschap. Volgens eiser is het voorgaande voldoende grond om hem een WW-uitkering toe te kennen. Eiser vindt dat het UWV zich ten onrechte beroept op intern beleid waarbij slechts wordt gekeken naar de verdeelsleutel van aandelen, op basis waarvan het UWV concludeert tot nevengeschiktheid. Eiser wijst op het directiestatuut van de vennootschap, waaruit volgens eiser volgt dat er geen sprake is van een nevengeschiktheid, maar van ondergeschiktheid. In het directiestatuut staat namelijk dat er voor ontslag van een bestuurder 2/3de van de stemmen nodig is. Eiser stelt daarom dat hij als bestuurder onvoldoende invloed had op zijn ontslag.
De redenen voor de beslissing van de rechtbank
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat, anders dan eiser meent, het bestreden besluit niet is gebaseerd op (intern) beleid van het UWV, maar op de Regeling. Dat is geen beleidsregel, maar een op artikel 6, vierde lid, van de WW, gebaseerd algemeen verbindend voorschrift, vastgesteld door de minister. Het gaat hier om dwingende, wettelijke voorschriften. Het UWV is dus verplicht om die toe te passen.
7.1.
Verder stelt de rechtbank vast dat het UWV aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd dat eiser op grond van de Regeling moet worden aangemerkt als DGA en dat hij om die reden niet als werknemer kan worden aangemerkt in de zin van de WW. Het is dus niet zo, zoals eiser kennelijk veronderstelt, dat het UWV aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd dat er volgens het UWV geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen eiser en de vennootschap. In deze procedure bestaat daarom geen reden voor bespreking van eisers stelling dat is voldaan aan alle elementen voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst.
8. Tot slot staat vast dat eiser samen met [naam] en [naam] statutair bestuurder was van de vennootschap, samen met deze personen (indirect) in het bezit was van alle aandelen van de vennootschap en dat zij als aandeelhouders ieder een gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigden, namelijk ieder 1/3de deel.
9. De situatie van eiser voldoet aan wat is bepaald in artikel 2, derde lid, van de Regeling. Dit leidt tot de conclusie dat het UWV eiser terecht heeft aangemerkt als DGA in de zin van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW.
9.1.
Wat eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In de toelichting op de Regeling is expliciet als uitgangspunt opgenomen: “Daarnaast wordt geen ondergeschiktheid aangenomen indien er sprake is van nevengeschiktheid. De nevengeschiktheid van de bestuurders blijkt in dat geval uit het gelijkwaardige economisch belang van de bestuurders als aandeelhouders. Dit wordt bepaald aan de hand van het aandeel in het kapitaal van de vennootschap.” En in de specifieke toelichting op artikel 2, derde lid, van de Regeling is hierover vervolgens het volgende vermeld: “Dit onderdeel ziet op de bestuurders die samen aandeelhouder zijn van een vennootschap en nevengeschikt zijn ten opzichte van elkaar. In dat geval is geen sprake van ondergeschiktheid. Bepalend is dat de bestuurders alles bij elkaar genomen een gelijkwaardig economisch belang hebben in de vennootschap en een positie innemen die zich laat vergelijken met de verhouding tussen gelijkgerechtigde mede-eigenaren van een onderneming. (…) Om dit economische belang te benadrukken gaat het niet om de stemmen, maar het aandeel in het kapitaal van de vennootschap, dat de bestuurders als aandeelhouders vertegenwoordigen.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Bijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving
Werkloosheidswet
Artikel 3
1. Werknemer is de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.
(…)
Artikel 6
1. Als dienstbetrekking wordt niet beschouwd de arbeidsverhouding van een persoon:
(…)
d. die directeur-grootaandeelhouder is;
(…)
4. Door Onze Minister worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, regels gesteld omtrent hetgeen onder directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, wordt verstaan.
(…)
Artikel 61
Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald.
Regeling aanwijzing directeur-grootaandeelhouder 2016
Artikel 2
(…)
3. Onder de directeur-grootaandeelhouder, bedoeld in (…) artikel 6, eerste lid, onderdeel d, van de Werkloosheidswet (…) worden voorts verstaan bestuurders die samen alle aandelen van de vennootschap bezitten en als aandeelhouders een gelijk of nagenoeg gelijk deel van het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen. Indien een bestuurder aandelen van de vennootschap bezit door tussenkomst van een of meer rechtspersonen waarvan hij bestuurder is of van vennootschappen waarvan hij aandelen houdt, is de eerste zin van overeenkomstige toepassing.
Staatscourant 2015, nr. 19073, pag. 4.
Staatscourant 2015, nr. 19073, pag. 8.
Zie bijv. CRvB 17 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:132.