Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-10-09
ECLI:NL:RBOBR:2024:4695
Civiel recht
Bodemzaak
1,458 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/397369 / HA ZA 23-644
Vonnis van 9 oktober 2024
in de zaak van
[eiser] H.O.D.N. [bedrijfsnaam eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G.E. Tip,
tegen
[gedaagde] H.O.D.N. [bedrijfsnaam gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in vrijwaring van 25 september 2023,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek, - de akte herstel verzuim substantiëringsplicht in vrijwaring van [eiser] ,
- de brief van de rechtbank van 1 november 2023 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - de mondelinge behandeling van 10 september 2024, die plaatsvond tegelijk met de mondelinge behandeling van de hoofdzaak van Port Finance B.V. tegen [eiser] (zaaknummer C/01/392923 / HA ZA 23-305, hierna: de hoofdzaak), waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
Beoordeling
2.1.
[eiser] heeft gevorderd zoals is vermeld in de dagvaarding in vrijwaring waarmee deze procedure is ingeleid. De inhoud van deze dagvaarding moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] bevestigd dat het petitum onder 1 in de dagvaarding uitsluitend betrekking heeft op datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld, voor zover die veroordeling zijn grondslag vindt in aan Port Finance B.V. gecedeerde vorderingen van [gedaagde] op [eiser] . De rechtbank zal de vordering met inachtneming van deze beperking toewijzen.
2.3.
De veroordeling die gelijktijdig in de hoofdzaak wordt uitgesproken vindt tevens zijn grondslag in aan Port Finance B.V. gecedeerde vorderingen van een andere partij ( [A] ) op [eiser] . Daarom wordt [gedaagde] in deze vrijwaringsprocedure niet veroordeeld tot betaling van de gehele buitengerechtelijke incassokosten (€ 1.196,50) en proceskosten (€ 5.576,20) in de hoofdzaak, maar slechts tot betaling van evenredige delen daarvan (€ 507,65 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 2.365,87 aan proceskosten; in totaal dus € 2.873,52). Dit is berekend naar evenredigheid van de in de hoofdzaak toegewezen bedragen aan hoofdsommen op grond van de vorderingen van [gedaagde] en [A] .
2.4.
Artikel 6:119 BW bepaalt dat de schadevergoeding verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. [eiser] heeft niets gesteld over de tijd dat [gedaagde] in verzuim zou of zal zijn (geweest) in verband met zijn betalingsverplichting jegens [eiser] . Nu [eiser] geen stellingen ten grondslag heeft gelegd aan het petitum onder 2 in de dagvaarding, zal de rechtbank deze vordering afwijzen.
2.5.
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal worden toegewezen.
2.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in deze vrijwaringsprocedure betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
107,32
- griffierecht
€
0,00
- salaris advocaat
€
786,00
(1 punt × € 786,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.071,32
Dictum
De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen datgene waartoe [eiser] als gedaagde in de hoofdzaak jegens Port Finance is veroordeeld in randnummer 5.2 van het vonnis van deze datum in de hoofdzaak,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 2.873,52,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.071,32, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.S.M. Morel en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2024.