Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2024-09-17
ECLI:NL:RBOBR:2024:4318
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 23/3551 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2024 in de zaak tussen [eiser] uit [woonplaats] (hierna: eiser) (gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer) en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en sport (hierna: de minister) (gemachtigden: mr. A.S. Sanchit-Premchand, [naam] en [naam] ). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen het, na een nacontrole, op nihil vaststellen van de eerder aan hem verleende subsidie op grond van de SOIT en het terugvorderen van het hele al aan hem betaalde subsidiebedrag. 2. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister eisers subsidie op grond van de SOIT op nihil vastgesteld en het hele al aan hem betaalde subsidiebedrag teruggevorderd. 3. Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaar heeft op 7 september 2023 een hoorzitting plaatsgevonden. 4. Op 11 september 2023 heeft eiser nog aanvullende informatie aan de minister verstrekt en op 11 oktober 2023 een schikkingsvoorstel aan de minister gedaan. 5. Met het bestreden besluit van 11 december 2023 op eisers bezwaar is de minister bij het besluit van 3 mei 2023 gebleven. 6. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. 7. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 8. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2024 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de minister. Wat ging er vooraf aan het bestreden besluit? 9. Eiser is radioloog en heeft gebruik gemaakt van de SOIT. Om aan de SOIT te voldoen, is eiser op 1 juni 2016 uitgetreden uit de specialistenmaatschap van radiologen in [plaats] en is hij per 30 juni 2016 in loondienst getreden bij zorginstelling [naam] te [plaats] (hierna: [naam] ). 9.1. Op basis van dit loondienstverband heeft de minister met het besluit van 31 augustus 2016 de door [naam] voor eiser ingediende subsidieaanvraag ingewilligd en eiser een subsidie verleend van maximaal € 100.000,–. Daarbij is bepaald dat in 2016 een voorschot van € 80.000,– aan [naam] zal worden betaald en bij vaststelling in 2020 het restant van € 20.000,–, als aan alle voorwaarden blijkt te zijn voldaan. 9.2. Op 28 februari 2019 is eisers dienstverband met [naam] beëindigd en op 1 maart 2019 is eiser, op basis van een arbeidsovereenkomst met [naam] , in het [naam] in [plaats] gaan werken. 9.3. Met het besluit van 21 oktober 2020 heeft de minister op grond van de door eiser verstrekte informatie de subsidie vastgesteld op € 100.000,–. Daarbij is eiser erop gewezen dat een nacontrole op een later tijdstip tot de mogelijkheden behoort. 9.4. Met een brief van 1 december 2022 heeft de minister eiser laten weten dat zijn aanvraag tot subsidievaststelling is geselecteerd voor een nacontrole. Hierna heeft eiser de door de minister gevraagde stukken ingestuurd. 9.5. Met het besluit van 3 mei 2023 heeft de minister eisers subsidie op grond van artikel 5, tweede lid, onder b, van de SOIT op nihil vastgesteld en het al aan eiser betaalde subsidiebedrag teruggevorderd, omdat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen uit artikel 9 van de SOIT. Beoordeling door de rechtbank 10. De rechtbank beoordeelt of het intrekken van de eerder vastgestelde subsidie, het vaststellen van de subsidie op nihil en het terugvorderen van het al aan eiser betaalde subsidiebedrag van € 100.000,– rechtmatig is. Zij doet dat aan de hand van eisers beroepsgronden. 11. Allereerst stelt de rechtbank vast dat eiser in zijn beroepschrift deels dezelfde gronden heeft vermeld als in bezwaar. In het bestreden besluit is op de bezwaargronden ingegaan. Het is aan eiser om in beroep gronden aan te voeren waarin hij uiteenzet waarom de motivering in het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Bezwaargronden van voor het bestreden besluit kunnen logischerwijs niet zien op de motivering van dat besluit. De rechtbank zal daarom in deze beroepszaak alleen de beroepsgronden die zien op de 20. De rechtbank wijst op vaste rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat de in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb neergelegde discretionaire bevoegdheid kan worden begrensd door een bijzondere subsidieregeling op gronden die verband houden met de aard en het doel van de daarin voorziene subsidies. In zo’n regeling kan de in artikel 4:46, tweede lid, van de Awb geëiste belangenafweging voor bepaalde in dat artikellid vermelde gevallen in algemene zin worden verricht en op grond daarvan kan worden bepaald dat het bestuur in die gevallen verplicht is tot lagere vaststelling. 21. In artikel 5, tweede lid, van de SOIT is bepaald dat het bedrag van de subsidie in afwijking van het eerste lid nihil is indien, voor zover in dit geval aan de orde, (b) de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, bedoeld in artikel 9. Uit de SOIT en de daarbij behorende toelichting blijkt dat deze tot doel heeft het realiseren van duurzame arbeidsverhoudingen tussen zorgaanbieders en medisch specialisten. De regel dat de subsidie op nihil wordt vastgesteld als de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen als bedoeld in artikel 9, strekt ertoe naleving van die verplichtingen zeker te stellen. 22. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de minister het bestreden besluit terecht op artikel 5, tweede lid, van de SOIT heeft gebaseerd. Eiser is vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tot en met 31 mei 2020 als medisch specialist niet uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam geweest. Daarom heeft hij niet voldaan aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. De minister heeft in dit geval geen discretionaire bevoegdheid de subsidievaststelling op nihil achterwege te laten en er bestaat voor de door eiser gewenste belangenafweging in dit geval dan ook geen ruimte. De minister was bevoegd om de subsidie op nihil vast te stellen. De beroepsgrond slaagt niet. Is de SOIT onevenredig? 23. Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat het vereiste zoals dat in de definities van de SOIT wordt neergelegd verder gaat dat het doel van de SOIT. Daarom hoort vanwege de evenredigheid de precieze duiding van de definities onverbindend te worden verklaard. In de beroepsgronden heeft eiser gezegd dat de minister hierop in het bestreden besluit niet is ingegaan en dat daarom in elk geval sprake is van een motiveringsgebrek. 23. De minister is het hier niet mee eens. Volgens haar is hier in het bestreden besluit wel degelijk op ingegaan. Van een onvoldoende gemotiveerd besluit is dan ook geen sprake volgens de minister. 25. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onvoldoende motivering op dit punt in het bestreden besluit. De door eiser genoemde bezwaargronden worden in het bestreden besluit op pagina 2 onder het kopje “Voldaan aan doelstelling van de SOIT” vermeld. Vervolgens motiveert de minister op pagina 4 onder het kopje “Niet voldaan aan doelstelling van de SOIT” waarom volgens haar de bezwaargrond van eiser niet slaagt. De beroepsgrond slaagt niet. Onevenredigheid terugvordering: Is de regel onvoldoende kenbaar? 26. Eiser vindt het onterecht dat van hem als radioloog wordt verlangd dat hij geheel up-to-date is als het gaat om juridische voetangels en klemmen en geheel vlekkeloos complexe juridische regelgeving begrijpt en daarnaar leeft. 27. De rechtbank vindt in dit verband allereerst van belang dat eiser met de ondertekening van het subsidieaanvraagformulier heeft verklaard bekend te zijn met de voorwaarden die worden gesteld aan de subsidieverlening. In een situatie als deze waarin eiser van plan was een arbeidsovereenkomst aan te gaan met een andere entiteit dan een ziekenhuis, had het op zijn weg gelegen om bij de minister te informeren of dat gevolgen heeft voor de verleende subsidie, juist als (voor eiser) het antwoord niet meteen uit de definitiebepalin Het is volgens de SOIT niet de bedoeling dat als iemand bijvoorbeeld maar twee jaar zo’n arbeidsovereenkomst heeft gehad hij dan recht heeft op 50% van het totale bedrag. Volgens de SOIT is een arbeidsovereenkomst pas na vier jaar duurzaam. Een beetje duurzaam bestaat in dit geval niet. Overigens heeft eiser zelf gezegd dat hij door de gehele terugvordering niet in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren. De rechtbank begrijpt daaruit dat eiser de terugbetalingsverplichting vervelend vindt, maar dat leidt op zich niet tot een onevenredigheid. De beroepsgrond slaagt niet. Gelden de artikelen 9 en 10 van de SOIT voor wijziging van de subsidie? 33. Eiser stelt in bezwaar dat de dwingende formulering in artikel 9 en 10 ziet op de vaststelling van de subsidie en niet op een wijziging daarvan. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval. In beroep zegt eiser dat de minister hierop niet is ingegaan. 34. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Op pagina 6 (van 10) van de beslissing op bezwaar geeft de minister aan dat hij de subsidie lager kan vaststellen. Eiser gaat uit van een wijziging, maar in feite betreft het hier een vaststelling op een lager bedrag. Dat maakt dat de artikelen 9 en 10 van de SOIT gewoon van toepassing zijn. Hoewel het wellicht wat impliciet is, kan wat de minister schrijft gezien worden als een reactie op de bezwaargrond. Bovendien heeft de minister in de beslissing op bezwaar en in het verweerschrift de omstandigheden van het geval in ogenschouw genomen en kenbaar meegewogen. Dat is ook nog eens op de zitting benadrukt door de gemachtigden van de minister. De beroepsgrond slaagt niet. Is nacontrole rechtmatig in het licht van de rechtszekerheid? 35. Eiser vraagt zich af of een nacontrole nadat met het verkrijgen van formele rechtskracht van het vaststellingsbesluit rechtmatig is in het licht van het rechtszekerheidsbeginsel. 36. De minister wijst daartoe op artikel 4:49, derde lid, van de Awb waaruit blijkt dat de subsidie niet meer kan worden ingetrokken of in nadeel van eiser kan worden gewijzigd na vijf jaar. In dit geval waren er nog geen vijf jaar voorbij. Eiser is ook op de mogelijkheid van nacontrole gewezen. Daarom is in dit geval volgens de minister geen strijd met vertrouwens- en rechtzekerheidsbeginsel. 37. De rechtbank kan de minister op dit punt volgen. Een termijn van vijf jaar, die ook duidelijk is vermeld in artikel 4:49, derde lid, van de Awb geeft eiser voldoende rechtszekerheid. Als die vijf jaren nog niet zijn verstreken, moet eiser er rekening mee houden dat de subsidie, na een nacontrole, nog kan worden gewijzigd.De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 38. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk heeft en dat hij het aan hem door de minister al betaalde subsidiebedrag van € 100.000 in zijn geheel moet terugbetalen. 39. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Vries, rechter, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 september 2024. griffier rechter De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. medisch specialist: arts als bedoeld in artikel 2, eerste lid; minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport; subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 3; vrijgevestigd medisch specialist: arts die uitsluitend anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst met een of meer zorgaanbieders en anders dan op basis van een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 690 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, werkzaam is als medisch specialist; zorgaanbieder: 1°. natuurlijke persoon of rechtspersoon, die een instelling in stand houdt; 2°. natuurlijke personen of rechtspersonen, die gezamenlijk een instelling vormen. Artikel 3 Voorwaarden aanspraak op subsidie 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een natuurlijk persoon die: a. het gehele jaar 2015 een vrijgevestigde medisch specialist was die op grond van de voor hem voor dat jaar geldende één of meer overeenkomsten ten minste twintig uren per week aanwezig was in een instelling ter uitoefening van zijn beroep; b. met ingang van een na 31 december 2015 doch voor 1 juli 2016 gelegen tijdstip zijn hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist heeft beëindigd; c. zonder dat sprake is of zal zijn van een andere vergoeding daarvoor dan een onmiddellijke of middellijke vergoeding in de vorm van een geldsom van een zorgaanbieder waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten 1° zijn activiteiten als vrijgevestigd medisch specialist heeft gestaakt; 2° de activiteiten als vrijgevestigd medisch specialist in een rechtspersoon heeft beëindigd, en d. met ingang van het tijdstip, bedoeld in onderdeel b, als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam is en zal zijn. 2 De minister verstrekt per medisch specialist slechts één subsidie op grond van deze regeling. Artikel 4 Subsidiabele activiteiten De minister verstrekt de subsidie met het oog op de beëindiging na 31 december 2015 en voor 1 juli 2016 van de hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist en het met ingang van het tijdstip van die beëindiging, als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam zijn. Artikel 5 Subsidiebedrag 1. Het bedrag van de subsidie is € 100 000. 2 Het bedrag van de subsidie is in afwijking van het eerste lid, nihil indien: a. de subsidiabele activiteiten, bedoeld in artikel 4 niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, of b. de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, bedoeld in artikel 9. 3 De minister kan in afwijking van het eerste lid, de subsidie op een lager bedrag vaststellen indien de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan: a. de in deze regeling aan de subsidie verbonden verplichtingen anders dan bedoeld in artikel 9, of b. de verplichtingen die de minister krachtens artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht, aan de subsidie-ontvanger heeft opgelegd. Artikel 9 Aanvullende doelverplichtingen 1. De subsidie-ontvanger is vanaf het tijdstip, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, tot en met 31 mei 2020 als medisch specialist uitsluitend op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten met één of meer zorgaanbieders werkzaam. 2 Er wordt voor de beëindiging van de hoedanigheid als vrijgevestigd medisch specialist, geen vergoeding door een derde verleend anders dan een onmiddellijke of middellijke vergoeding in de vorm van een geldsom van een zorgaanbieder waarmee hij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten. 3 De subsidie-ontvanger die in de periode, bedoeld in het eerste lid, niet langer voldoet aan het eerste of tweede lid, meldt dat feit onverwijld aan de minister. Artikel 10 Aanvraag subsidievaststelling 1. De zorgaanbieder respectievelijk een zorgaanbieder waarmee de medisch specialist een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, dient namens de medisch specialist, een aanvraag tot vaststelling van de subsidie uiterlijk op 1 juli 2020 in. 2 Voor de aanvraag wordt een door de min