Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-09-12
ECLI:NL:RBOBR:2024:4270
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,047 tokens
=== VOLLEDIG ===
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 82.187579.22
Datum uitspraak: 12 september 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,
wonende te [adres] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 augustus 2024.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 24 mei 2024.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2021 tot
en met 01 april 2021 te Watergang, althans in Nederland,
één persoon, te weten [naam] met de Azerbeidzjaanse
nationaliteit,
uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in
Nederland, dan wel voornoemde persoon (telkens) daartoe gelegenheid en/of
middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,
terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat verblijf
wederrechtelijk was,
immers heeft hij, verdachte, bovengenoemde persoon arbeid laten verrichten in
het door verdachte gedreven bedrijf [bedrijf] ,
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf zijn beroep en/of een gewoonte heeft
gemaakt;
feit 2:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2021 tot
en met 01 april 2021 te Watergang, althans in Nederland,
één persoon, te weten [naam] met de Azerbeidzjaanse
nationaliteit,
die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had verschaft,
krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,
terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de
toegang of dat verblijf wederrechtelijk was,
en hij aldus van het plegen van dit misdrijf zijn beroep en/of een gewoonte heeft
gemaakt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 maart 2021 tot
en met 01 april 2021 te Watergang, althans in Nederland,
één persoon, te weten [naam] met de Azerbeidzjaanse
nationaliteit,
die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland had verschaft,
krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten,
terwijl hij, verdachte, wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de
toegang of dat verblijf wederrechtelijk was.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft zowel feit 1 als feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen geacht en heeft in zijn schriftelijke requisitoir gemotiveerd op grond van welke bewijsmiddelen hij tot de bewezenverklaring komt.
Hij heeft beide feiten ook strafbaar geacht. Feit 1 betreft mensensmokkel als bedoeld in artikel 197a lid 2 Sr en feit 2 betreft illegale tewerkstelling als bedoeld in artikel 197b Sr.
De officier van justitie heeft ten aanzien van beide feiten partiële vrijspraak gevorderd, namelijk voor het een beroep of een gewoonte maken van het plegen van de betreffende strafbare feiten.
Tot slot acht hij de verdachte strafbaar en hij heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis.
Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak bepleit.
Met betrekking tot feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat er geen aanwijzingen zijn van enige gerichtheid op het behalen van voordeel, zodat het ten laste gelegde winstbejag niet wettig en overtuigen bewezen kan worden.
Met betrekking tot de feiten 1 en 2 heeft de raadsman aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijf van de werknemer in Nederland wederrechtelijk was. De werknemer had een verblijfsvergunning en op het moment dat hij zich ten overstaan van de verdachte heeft gelegitimeerd, kon de verdachte niet achterhalen wat de IND in relatie tot de verblijfsvergunning van de werknemer had beslist. De verdachte hoefde ook niet te vermoeden dat de werknemer wederrechtelijk in Nederland verbleef omdat hij al eerder rechtmatig – dat wil zeggen met een tewerkstellingsvergunning - voor het bedrijf van de verdachte had gewerkt.
Vrijspraak.
Ten aanzien van feit 1 is onder meer ten laste gelegd dat de verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijf van [naam] (hierna: [naam] ) in Nederland wederrechtelijk was.
Ten aanzien van feit 2 is ten laste gelegd dat [naam] zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Nederland heeft verschaft en dat de verdachte dat wist of ernstige redenen had dat te vermoeden.
Niet ter discussie staat dat [naam] in de ten laste gelegde periode arbeid heeft verricht voor (het bedrijf van) de verdachte. De verdachte was op dat moment de verantwoordelijk werkgever in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen.
Voor de vraag of de feiten 1 en 2 bewezen kunnen worden, moet de rechtbank allereerst beoordelen of vastgesteld kan worden dat in de ten laste gelegde periode, van 14 maart 2021 tot en met 1 april 2021, sprake is geweest van een wederrechtelijk verblijf van [naam] in Nederland.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de rechtmatigheid van het verblijf in Nederland van [naam] het volgende af.
[naam] , afkomstig uit Azerbeidzjaan, was op het moment dat de arbeidsinspecteur bij de IND navraag deed, op 20 mei 2021, in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag.
In het dossier bevinden zich geen gegevens met betrekking tot die asielaanvraag, aan de hand waarvan de status van die asielaanvraag door de arbeidsinspecteur is getoetst. Dat er sprake was van een asielaanvraag wordt niet weersproken of weerlegd in het voorhanden zijnde dossier. Sinds wanneer [naam] in afwachting was van een beslissing op de asielaanvraag blijkt evenmin. Dat in de ten laste gelegde periode is beslist op voornoemde asielaanvraag is uit de stukken niet gebleken. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat [naam] in de ten laste gelegde periode in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag was.
Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft een asielzoeker, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, rechtmatig verblijf in Nederland, totdat op de aanvraag is beslist.