Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-09-03
ECLI:NL:RBOBR:2024:4148
Civiel recht
Beschikking
24,788 tokens
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11171618 EJ VERZ 24-260
Beschikking van
3
september 2024
NS REIZIGERS B.V.,
gevestigd te Utrecht,
verzoekende partij, tevens verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: NS,
gemachtigde: mr. M.T. Fabels,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. T.M.A. Verhoeven.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van 25 juni 2024 met 10 producties;
het verweerschrift van 29 juli 2024 met 7 producties, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek;
de op 1 augustus 2024 ontvangen aanvullende producties 8, 9 en 10 (zonder toelichting) van [verweerder] ;
de spreekaantekeningen van mr. M.T. Fabels;
de spreekaantekeningen van mr. T.M.A. Verhoeven.
1.2
Op 6 augustus 2024 heeft de kantonrechter de zaak mondeling behandeld. Daarbij werd NS vertegenwoordigd door mevrouw [A] (Manager Service & Operations regio zuid) en mevrouw [B] (HR specialist), bijgestaan door mr. M.T. Fabels. Ook was [verweerder] aanwezig, bijgestaan door mr. T.M.A. Verhoeven. Daarnaast was de heer [C] (belangenbehartiger van [verweerder] , werkzaam bij vakbond VVMC) aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat in beginsel op 30 augustus 2024 schriftelijk uitspraak wordt gedaan, maar dat partijen daarvoor nog de gelegenheid krijgen om te onderzoeken of zij hun geschil kunnen beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst.
1.3
Bij e-mail van 12 augustus 2024 (verzonden op 13 augustus 2024) heeft mr. Verhoeven bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een minnelijke regeling en dat zij in verband met het finaliseren van de beëindigingsovereenkomst en de wettelijke bedenktermijn verzoeken de zaak aan te houden tot 3 september 2024. In deze e-mail heeft mr. Verhoeven mr. Fabels in de cc vermeld. Op 20 augustus 2024 heeft mr. Fabels de volgende e-mail gestuurd: “In tegenstelling tot het bericht van mr. Verhoeven namens partijen d.d. 13 augustus is er geen overeenstemming bereikt tussen NS en [verweerder] over een minnelijke regeling. Partijen verzoeken u dan ook vriendelijk uitspraak te doen in deze zaak.”
1.4
Tot slot is de uitspraak nader bepaald op vandaag.
2De zaak in het kort
De kernvraag
2.1
In de kern gaat deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet eindigen, en zo ja op welke grond en met welke (financiële) consequenties. Deze vraag is door NS als werkgever aan de kantonrechter voorgelegd. Kort gezegd is de reden hiervoor volgens NS dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij de nasleep van een geweldsincident op station [plaats 1] in de nacht van 15 op 16 maart 2024 tussen twee reizigers en twee conducteurs, waaronder [verweerder] in zijn functie als hoofdconducteur.
2.2
Het debat tussen partijen en de beslissing van de kantonrechter luiden samengevat als volgt.
Het verzoek van NS
2.3
NS heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair op de e-grond (verwijtbaar handelen), subsidiair op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) en meer subsidiair op de i-grond (combinatie van omstandigheden) van artikel 7:669 lid 1 en 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.3.1
Volgens NS liggen aan het (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond) van [verweerder] (nog) twee aspecten ten grondslag:
het bewust en voor een langere periode met zich dragen van een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten en
door (daarover) bewust in strijd met de waarheid te verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024.
Ter onderbouwing van beide aspecten doet NS met name een beroep op de verklaring van de zogenoemde anonieme machinist en het gesprek van 18 april 2024.
2.3.2
Het gedrag van [verweerder] maakt bovendien dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen direct moet eindigen (artikel 7:671b lid 9 sub b BW) en NS geen transitievergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen (artikel 7:673 lid 7 sub c BW).
2.3.3
Daarnaast is volgens NS in ieder geval sprake van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden. Zij baseert deze grond (ook) op twee aspecten, namelijk:
het in strijd met de waarheid verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024 en
de (negatieve) uitlatingen van [verweerder] over NS op social media.
2.3.4
Indien ook ontbinding op de g-grond niet aan de orde is, moet de arbeidsovereenkomst volgens NS worden ontbonden wegens de omstandigheden (i-grond) zoals genoemd in punt 54 van het verzoekschrift.
2.3.5
In geen geval is herplaatsing aan de orde, want dat ligt niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen (artikel 7:669 lid 1 BW) en de ontstane vertrouwensbreuk maakt dat [verweerder] in geen enkele functie meer werkzaam kan zijn voor NS. Tot slot verzoekt NS [verweerder] in de proceskosten te veroordelen.
Het daartegen door [verweerder] gevoerde verweer
2.4
Volgens [verweerder] is ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet aan de orde, omdat een redelijke grond ontbreekt. Het verzoek van NS moet dan ook worden afgewezen. Kort gezegd vindt [verweerder] dat de verklaring van de anonieme machinist buiten beschouwing dient te worden gelaten omdat deze onherleidbaar is. Daarnaast is deze verklaring in strijd met de werkelijkheid. Verder heeft [verweerder] een andere lezing van het gesprek van 18 april 2024. Bovendien had [verweerder] daarvoor al een gesprek aangevraagd met zijn teammanager, waarin hij is teruggekomen op zijn eerste verklaring in het interne onderzoek van maart 2024.
2.5
Indien de kantonrechter het ontbindingsverzoek toch toewijst, stelt [verweerder] dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Hij heeft daarom, bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, verzocht op basis van artikel 7:673 lid 8 BW een transitievergoeding toe te kennen van € 29.478,95 dan wel € 44.218,43 (zie onderdelen 71 en 72 van het verweerschrift). Ook dient bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te worden gehouden met de geldende opzegtermijn.
Dictum
2.6
De kantonrechter kan op dit moment niet beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en zal NS in de gelegenheid stellen tot bewijslevering. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding moet worden toegekend. De kantonrechter kan ook daarover nu dus nog niet beslissen.
2.7
Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen. De kantonrechter benadrukt hierbij, zoals zij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd, dat bij de beoordeling van deze zaak wordt uitgegaan van wat NS ten grondslag heeft gelegd aan het ontbindingsverzoek. Het handelen van [verweerder] (dus bijvoorbeeld de inzet van het stroomstootwapen) tijdens het incident op 16 maart 2024 ligt niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag, en daarover wordt dus in deze zaak geen oordeel gegeven. NS heeft immers aangevoerd dat de directe aanleiding voor indiening van het verzoek de later bekend geworden (en door [verweerder] betwiste) omstandigheden zijn, te weten dat [verweerder] bewust en voor een langere periode met een verboden stroomstootwapen op zijn werk heeft rondgelopen en dat hij daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard.
3De achtergrond van het geschil
Om een duidelijk beeld te krijgen van de zaak, worden hierna eerst de relevante feiten (in chronologische volgorde) weergegeven. Voor zover er daarnaast nog andere feiten van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil, komen deze feiten aan de orde bij de beoordeling.
1 februari 2008: partijen sluiten een arbeidsovereenkomst
3.1
[verweerder] (geboren op [geboortedatum] 1961) is op 1 februari 2008 in dienst getreden bij NS. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van hoofdconducteur op basis van een fulltime dienstverband tegen een loon van € 3.668,04 bruto per maand (exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO NS van toepassing. Verder is de NS Gedragscode en het Handboek Hoofdconducteur / Trainmanager van toepassing.
16 maart 2024: het incident en de naar aanleiding daarvan opgelegde strafbeschikking
3.2
Op zaterdag 16 maart 2024 rond 00:30 uur heeft een geweldsincident plaatsgevonden op perron [nummer] van station [plaats 1] . Daarbij waren twee reizigers en twee conducteurs betrokken. De heer [D] , een collega conducteur van [verweerder] met wie hij dienst had, werd rond middernacht door twee mannelijke reizigers (die mogelijk onder invloed waren van verdovende middelen) op een (zeer) vervelende manier bejegend en daarna is een worsteling tussen hen ontstaan. Op een gegeven moment raakte [verweerder] erbij betrokken. [verweerder] heeft uit zijn jaszak een stroomstootwapen gehaald en het vervolgens in de lucht geactiveerd, waarna een knetterend geluid hoorbaar was en vonken zichtbaar waren. De reizigers zijn daarbij niet geraakt. Tijdens het incident is [verweerder] , doordat hij een klap kreeg van één van de reizigers, kort buiten bewustzijn geweest.
3.3
Na afloop van het incident is [verweerder] aangehouden door de politie. [verweerder] heeft een strafbeschikking geaccepteerd en in dat kader een geldboete van € 500,00 (en € 9,00 administratiekosten) betaald. De reden voor het opleggen van deze beschikking is het voorhanden hebben van een elektrisch stroomstootwapen. Dit is verboden op grond van artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie en kwalificeert als een misdrijf. Het stroomstootwapen is door de politie in beslag genomen.
18 maart tot en met 26 maart 2024: het eerste interne onderzoek en rapport van NS, met verklaring en interview van [verweerder]
3.4
Naar aanleiding van het incident heeft mevrouw [A] (Manager Service & Operations, hierna: [A] ) op 18 maart 2024 aan de afdeling Interne Zaken van NS opdracht gegeven tot verrichten van een intern onderzoek. Dit onderzoek heeft op 26 maart 2024 geresulteerd in een 44 pagina’s tellend rapport, getiteld: “Rapport feitenonderzoek, geweld hoofdconducteurs richting reizigers [plaats 1] ”. In het rapport staat dat het doel van dit onderzoek is het beantwoorden van de volgende onderzoeksvraag: “Er is een vermoeden dat [verweerder] en [D] op of aan een perron van station [plaats 1] geweld hebben gebruikt tegen een of twee reizigers. Hierbij zou de heer [verweerder] een stroomstootwapen hebben gebruikt en de heer [D] zou een van de twee reizigers een klap in het gezicht hebben gegeven. Stel vast wat precies ter zake heeft plaatsgevonden en in hoeverre [verweerder] en [D] en aanwezige / betrokken collega’s die gedragingen / handelingen wel of niet hebben vertoond / verricht.”
3.5
Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden heeft NS onder meer gebruik gemaakt van door de betrokkenen afgelegde schriftelijke verklaringen en de gehouden interviews. Zo heeft [verweerder] op 17 maart 2024 per e-mail een verklaring afgelegd. In die verklaring beschrijft [verweerder] vooral wat er in zijn visie is gebeurd tijdens het incident. Over het stroomstootwapen heeft hij toen het volgende verklaard: “Ik had een apparaatje bij me voor het geval ik/wij voor (zeer) gevaarlijke situaties zouden komen te staan. Helaas heb ik hem ter hand moeten nemen om ons proberen veilig te stellen. Ik heb hem één keer ingedrukt toen ze op ons afkwamen (…)”.
3.6
Verder heeft NS op 20 maart 2024 (in de personen van [E] en [F] , beiden werkzaam als adviseur/onderzoek bij de afdeling Onderzoek & Dreigingen van NS Corporate Security) [verweerder] geïnterviewd. De heer [C] (belangenbehartiger van [verweerder] , werkzaam bij vakbond VVMC, hierna: [C] ) was bij dit interview aanwezig. Van dit ongeveer 1,5 uur durende interview is een verslag opgemaakt, welk verslag aan [verweerder] is gestuurd en waarop hij – na aanpassing van het verslag – op 26 maart 2024 akkoord heeft gegeven. In het verslag staat onder andere vermeld:
“(…)
O: U vertelt mij dat ik bij Teammanager de heer [G] met standplaats [plaats 2] een eerste verklaring heb afgelegd over het incident dat heeft plaatsgevonden in de nacht van 16 februari 2024, omstreeks 00.30 uur op station [plaats 1] op het perron [nummer] .
V: U vraagt aan mij of ik bij deze verklaring blijf of dat ik nog wil aanvullen?
A: Dit is per e-mail gegaan ik heb de heer [G] niet persoonlijk ontmoet. [H] [ [H] , teammanager, toevoeging kantonrechter] heeft de verklaring aan mij voorgelezen, dit is goed, deze verklaring is voor zover ik het weet.
O: U vertelt mij dat u aanvullende vragen heeft.
(…)
V: U vraagt aan mij wat voor wapen ik bij mij had tijdens mijn dienst?
A: Het is iets dat ik heb gevonden bij het park bij mij in de buurt, waar ook honden worden uitgelaten en wel eens hangjongeren komen. Ik denk dat ik het een paar weken terug heb gevonden, ik kan het me niet precies herinneren. Ik heb het meegenomen en thuis in de woonkamer heb ik hem ingedrukt om te kijken wat het was. Ik hoorde het toen knetteren en zag vonken. Ik wist dus dat het met stroom was, een soort schrikdraad. (…) Ik dacht dat het iets voor honden was, omdat er bij ons in de buurt bijtincidenten zijn geweest met honden. Ik wist niet dat het een taser was. (…)Ik heb het bij me gehouden voor als ik 's avonds onze hond uitlaat, voor het geval ik ooit gedoe met een hond heb. Ik heb hem in mijn jas gedaan en een aantal keer meegenomen bij het uitlaten.
V: U vraagt aan mij waarom ik dat wapen mee heb genomen naar het werk?
A: Ik draai late diensten, soms tot 03.00 uur. Ik laat de hond [naam] dan nog even uit.
Overwegingen
Wij vinden uw gedrag en handelswijze zeer ernstig. Met het in bezit hebben van een stroomstootwapen en het nota bene activeren hiervan op het perron, heeft u een misdrijf gepleegd en uiteraard ook verschillende procedures en NS-regels overtreden, waaronder die van de NS Gedragscode. Dit terwijl u herkenbaar was als NS-medewerker. Dit alles past op geen enkele wijze bij de verantwoordelijke rol die u heeft. De hiervoor omschreven gedragingen zijn voor NS onacceptabel en u heeft ons vertrouwen hiermee beschaamd.
Tijdens ons gesprek heeft u spijt betuigd. Daarnaast gaf u aan deze gebeurtenis als een blamage te ervaren en dat dit nooit had mogen gebeuren.
Dictum
Na uitvoerig beraad hebben wij besloten om u een officiële waarschuwing te geven. Wij
benadrukken daarbij dat we dergelijk gedrag/een dergelijke handelswijze absoluut niet meer willen zien. Dit is uw laatste kans. Mocht u zich hier in de toekomst opnieuw schuldig aan maken of mocht u andere procedures of regels van NS overtreden, dan zijn wij genoodzaakt over te gaan tot nadere arbeidsrechtelijke maatregelen, zoals ontslag (op staande voet).
Vervolg
Rekening houdend met de ernst van deze situatie verwachten wij van u dat u aan de slag gaat met een traject dat volgens onderstaande opeenvolgende stappen zal worden vormgegeven:
1. Gedurende dit traject wordt u niet ingezet als hoofdconducteur. Heroverweging van dit
besluit zal op zijn vroegst plaatsvinden vanaf stap 4.
2. U neemt deel aan een uitgebreid psychologisch onderzoek dat zal worden uitgevoerd door LTP Testned. (…).
3. Wanneer het onderzoek aantoont dat u niet (meer) geschikt (te maken) bent voor de
functie van hoofdconducteur, zal er een re-/outplacementtraject worden opgestart.
4. Wanneer er geen contra-indicaties voortkomen uit het uitgebreid psychologisch
onderzoek, dan behoren onderstaande vervolgstappen tot de mogelijkheid:
a. Psychische ondersteuning bij HSK of via NS Visual Mentale Vitaliteit
b. Behandeling van eventuele persoonlijke trauma's
c. Training Rationeel Emotieve Therapie (RET) via Springest
d. Jobcoaching (extern)
5. Opstarten van een intensief begeleidingstraject met als doel het beter leren omgaan met
de-escalatie/lastige situaties, waarbij:
a. gedurende 3 maanden meerdere (onaangekondigde) begeleidingen door
wisselende teammanagers plaatsvinden
b. gedurende 6 maanden twee wekelijks een voortgang gesprek met de eigen
teammanager.
Uw teammanager de heer [H] zal op korte termijn in gesprek gaan over de nadere invulling van dit traject. (…)”
9 april 2024: gesprek [verweerder] met zijn teammanager
3.10
Op 9 april 2024 heeft (op initiatief van [verweerder] ) een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en zijn teammanager [H] . Tijdens dit gesprek heeft [verweerder] gezegd dat zijn verklaring en het interview zoals deze zijn opgenomen in het eerste onderzoeksrapport van maart 2024 met betrekking tot de herkomst van het stroomstootwapen onjuist zijn. Op dit punt had hij toen niet de waarheid verteld.
16 en 17 april 2024: het tweede interne onderzoek en rapport van NS, met de verklaring van de anonieme machinist
3.11
Een paar weken na de officiële waarschuwing heeft NS het onderzoek heropend naar [verweerder] en op 17 april 2024 is een tweede versie van het rapport getiteld: “Rapport feitenonderzoek, geweld hoofdconducteurs richting reizigers [plaats 1] ” opgesteld. De reden hiervoor staat in het onderzoekrapport vermeld als: “Na opleveren van het definitieve onderzoeksrapport in maart is in april een getuige naar voren gekomen met nieuwe relevante informatie. In overleg met de opdrachtgever is beklaagde niet tijdens het onderzoek opnieuw geïnterviewd naar aanleiding van deze nieuwe informatie. Een tweede versie van het definitieve onderzoeksrapport is hierop opgeleverd.”
3.12
Op 17 april 2024 is een collega van [verweerder] door NS (in de personen van [E] en [J] , beiden werkzaam als adviseur/onderzoek bij de afdeling Onderzoek & Dreigingen van NS Corporate Security) geïnterviewd. Van dit interview is een anonieme verklaring opgemaakt, omdat de geïnterviewde anoniem wil blijven. Ter zitting is gebleken dat het gaat om een mannelijke machinist. Deze verklaring is toegevoegd aan het onderzoeksrapport [opmerking kantonrechter: deze verklaring betreft de enige toevoeging aan het onderzoeksrapport van april 2024 ten opzichte van maart 2024]. Uit het interview blijkt dat de anonieme machinist vooraf van zijn regiomanager uitleg heeft gehad over hoe het interview in zijn werk zal gaan. Hieronder zijn enkele delen van dat interview weergegeven:
“
(…)
(…)”
3.13
In het tweede onderzoeksrapport is onder meer het volgende geconcludeerd:
18 en 30 april 2024: gesprek NS en [verweerder] , en de naar aanleiding daarvan verzonden brief
3.14
Op 18 april 2024 heeft NS weer een gesprek gevoerd met [verweerder] . Bij dit gesprek waren namens NS aanwezig [A] en mevrouw [B] (HR specialist, hierna: [B] ). Ook waren [verweerder] en [C] aanwezig. In essentie heeft [verweerder] tijdens dit gesprek verklaard dat zijn eerste verklaringen (zoals opgenomen in het eerste onderzoeksrapport van maart 2024) deels niet kloppen. Van dit gesprek is geen ander verslag gemaakt dan de weergave in de hierna te noemen brief van 30 april 2024 van NS aan [verweerder] . Naar aanleiding van dit gesprek heeft NS op 30 april 2024 een brief aan [verweerder] verstuurd, waarin de belangrijkste besproken punten schriftelijk worden bevestigd:
14 en 16 mei 2024: gesprek NS en [verweerder] , en de naar aanleiding daarvan verzonden brief
3.15
Op 14 mei 2024 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen NS en [verweerder] . Bij dit gesprek waren aanwezig [A] , [B] , [verweerder] en [C] . Tijdens dit gesprek is aan de orde geweest dat [verweerder] al langere tijd een kubotan met zich meedraagt (een kubotan is een relatief klein zelfverdedigingswapen). Verder zijn de door [verweerder] gedane uitlatingen op social media besproken. Ook heeft NS tijdens dit gesprek medegedeeld dat zij voornemens is om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen. Op 16 mei 2024 heeft NS per brief een bevestiging verzonden wat tijdens het gesprek is besproken. In deze brief staat het volgende:
(…)
Beoordeling
4.1
De vraag die hier voorligt is of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding dient ook te worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding dient te worden toegekend. De kantonrechter kan over beide aspecten nu nog niet beslissen en zal NS in gelegenheid stellen tot bewijslevering, wat hierna wordt uitgelegd.
4.2
Voorop wordt gesteld dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is, herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, en geen opzegverboden gelden (artikel 7:671b lid 1 en 2 BW, in samenhang met artikel 7:669 lid 1 en 3 BW).
4.3
De redelijke gronden zijn opgesomd in artikel 7:669 lid 3, onderdelen c tot en met h BW. Het verzoek van NS strekt tot ontbinding op drie van die gronden, namelijk (in deze volgorde):
- verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond);
- een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond);
- een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van die gronden (i-grond).
4.4
De wettelijke bewijsregels zijn van overeenkomstige toepassing in de ontbindingsprocedure op basis van artikel 7:671b BW. Dit betekent dat NS, volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv, de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zal moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door [verweerder] , zal moeten bewijzen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds vereist dat de feiten en omstandigheden onomstotelijk vast komen te staan, maar kan worden volstaan met het voldoende aannemelijk maken daarvan. Het bewijs hoeft niet te voldoen aan de strafrechtelijke maatstaf die vergt dat het bewijs van een strafbaar feit wettig en overtuigend is. De maatstaf van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is dus niet aan de orde. Het gaat in deze civiele procedure kort gezegd om het (civielrechtelijke) bewijs van de feiten en omstandigheden die NS aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd.
Ontbinding op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten), bewijsopdracht
4.5
Voor toewijzing van ontbinding wegens verwijtbaar handelen wordt onder een redelijke grond verstaan verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voordat de kantonrechter ingaat op de feiten en omstandigheden die NS hieraan ten grondslag heeft gelegd, is het volgende van belang.
Aanleiding ontbindingsverzoek
4.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft NS benadrukt dat zij de handelwijze van [verweerder] tijdens het incident na afronding van het eerste interne onderzoek in maart 2024 reeds heeft beoordeeld en er, na lang beraad, voor heeft gekozen om hem op 3 april 2024 een officiële waarschuwing te geven. NS keurde (en keurt) de handelwijze van [verweerder] tijdens het incident sterk af, maar kijkend naar de feiten die op dat moment bekend waren, leek een waarschuwing op zijn plaats. [verweerder] had immers tegenover NS verklaard dat het bij zich dragen van een verboden stroomstootwapen een éénmalig incident betrof: hij had het stroomstootwapen enkele weken geleden gevonden tijdens het uitlaten van zijn hond in het park (na afloop van een late dienst bij NS) en op de dag van het incident zat het stroomstootwapen min of meer toevallig in zijn dienstjas. Vrij snel na het geven van deze waarschuwing kwam NS erachter dat de eerdere verklaringen van [verweerder] mogelijk onjuistheden bevatten, bijvoorbeeld ten aanzien van de herkomst van het stroomstootwapen en dat hij het stroomstootwapen vaker dan één keer heeft meegenomen tijdens diensten. Zo heeft NS een signaal ontvangen van een collega van [verweerder] (de anonieme machinist) en de teammanager van [verweerder] . Naar aanleiding daarvan heeft zij het interne onderzoek medio april 2024 heropend. Volgens NS heeft [verweerder] toen toegegeven dat hij:
het stroomstootwapen van een collega heeft overgenomen;
het stroomstootwapen veel vaker bij zich droeg tijdens diensten;
het wapen bewust meenam tijdens zijn dienst.
Door deze nieuw bekend geworden omstandigheden was de situatie en het incident vele malen ernstiger dan NS in eerste instantie dacht, aldus NS. Daar komt volgens NS bij dat [verweerder] willens en wetens (over alle drie de hiervoor weergegeven omstandigheden) in strijd met de waarheid heeft verklaard tijdens het interne onderzoek in maart 2024. Dit alles acht NS ontoelaatbaar en maakt dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld waardoor de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.
Eerste schriftelijke verklaring en interview van [verweerder] uit maart 2024 over herkomst stroomstootwapen kloppen niet
4.7
Vast staat dat de eerste door [verweerder] gegeven schriftelijke verklaring op 17 maart 2024 (zie hiervoor bij 3.5) en wat hij tijdens het interview op 20 maart 2024 (zie hiervoor bij 3.6) heeft gezegd over de herkomst van het stroomstootwapen niet kloppen. Deze verklaring en het verslag van het interview zijn opgenomen in het eerste interne onderzoek van NS naar aanleiding van het incident. [verweerder] heeft toen samengevat verklaard dat hij het stroomstootwapen enkele weken tevoren in het park had gevonden toen hij zijn hond aan het uitlaten was. In onderdelen 37, 38 en 51 van het verweerschrift heeft [verweerder] aangevoerd dat hij goed besefte dat hij de waarheid moest vertellen. Daarom heeft hij een gesprek aangevraagd met zijn teammanager [H] en verteld dat hij tijdens het interne onderzoek een onjuiste verklaring heeft afgelegd. De reden hiervoor was dat hij de collega van wie hij het stroomstootapparaat had gekregen in bescherming wilde nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] toegelicht dat het hiervoor genoemde gesprek op 9 april 2024 (op zijn initiatief) heeft plaatsgevonden.
Samenvattend tot zover
4.8
Uit het voorgaande volgt dus dat tussen partijen niet meer ter discussie staat dat [verweerder] aanvankelijk niet de waarheid heeft verteld over de herkomst van het stroomstootwapen. Partijen twisten wel nog over de (andere) aspecten die NS aan de e-grond ten grondslag heeft gelegd, te weten:
het bewust en voor een langere periode met zich dragen van een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten (dus ii. en iii. zoals hiervoor bij 4.6 is weergegeven) en
door (daarover) bewust in strijd met de waarheid te verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024.
NS heeft ter onderbouwing van beide aspecten gewezen op de verklaring van de anonieme machinist en het gesprek van 18 april 2024.
Verklaring anonieme machinist
4.9
In het kader van het tweede interne onderzoek heeft NS op 17 april 2024 een interview afgenomen met een collega van [verweerder] . Van dit interview is een anonieme verklaring opgesteld, omdat de betreffende medewerker van NS, een machinist, (tijdens het interne onderzoek en ook in deze gerechtelijke procedure) onbekend wenst te blijven. De belangrijkste passages van deze verklaring zijn hiervoor bij 3.12 weergegeven.
4.10
In het verzoekschrift heeft NS zich op het standpunt gesteld dat onder meer uit deze verklaring kan worden afgeleid dat [verweerder] bewust en voor een langere periode het stroomstootwapen met zich heeft gedragen, en dat hij hierover in strijd met de waarheid heeft verklaard.
Conclusie
4.17
De slotsom van het voorgaande is dat uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is verklaard niet met de benodigde redelijke en voldoende mate van zekerheid kan worden gezegd dat [verweerder] bewust en voor een langere periode met zich heeft gedragen een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten, en daarmee dus (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld zodanig dat van NS in redelijkheid niet meer kan worden gevraagd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Dat geldt evenzeer zo voor het bewust in strijd met de waarheid verklaren tijdens het eerste interne onderzoek wat dus samenhangt met het bewust en voor een langere periode met zich dragen van een verboden stroomstootwapen tijdens werk. Dit brengt mee dat op dit moment de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op de e-grond wordt ontbonden. NS zal in de gelegenheid worden gesteld om (nader) bewijs te leveren, op de wijze zoals hierna onder de beslissing is weergegeven. NS heeft dat (nader) bewijs ook aangeboden.
4.18
Indien NS het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, moet zij deze stukken afzonderlijk in het geding brengen. Indien NS het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit vermelden en de verhinderdata op geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.
4.19
De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 45 minuten zal duren. Als NS verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.
Als wordt ontbonden op de e-grond geen transitievergoeding
4.20
Indien komt vast te staan dat [verweerder] bewust en voor een langere periode een verboden stroomstootwapen bij zich heeft gedragen tijdens diensten en dat hij daarover bewust tijdens het interne onderzoek niet de waarheid heeft verklaard, dan levert dit naar het oordeel van de kantonrechter een voldragen e-grond op (verwijtbaar handelen of nalaten) en dan zal het leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
4.21
Als NS in de bewijslevering slaagt, is de vraag vervolgens of het handelen van [verweerder] is te kwalificeren als ernstig verwijtbaar en of NS nog een transitievergoeding aan hem verschuldigd is en of bij de ontbinding rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn (zoals door [verweerder] voorwaardelijk is verzocht).
4.22
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] stelt de kantonrechter voorop dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat deze uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34 en 40, en nr. 4, p. 15-16). De kantonrechter is van oordeel dat daarvan – als NS in de bewijslevering slaagt – sprake is. Gelet op zijn publieke functie (hoofdconducteur) bij de NS en voorbeeldgedrag richting reizigers had het voor [verweerder] duidelijk moeten zijn dat het niet gewenst is en vooral niet is toegestaan om vaker tijdens diensten een verboden wapen bij zich te dragen. Daarbij komt ook dat als komt vast te staan dat [verweerder] het stroomstootwapen al langer bij zich droeg, hij daarover bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard tijdens het (eerste) interne onderzoek, terwijl hij genoeg gelegenheid heeft gehad om daarop terug te komen, in ieder geval eerder dan op 9 april 2024. Tussen het afronden van het eerste interne onderzoek medio maart 2024 en 9 april zaten immers ongeveer drie weken en [verweerder] had die tijd kunnen benutten om een gesprek aan te vragen met NS, althans eerder dan hij nu heeft gedaan. Bovendien heeft NS hem op 20 maart 2024 specifiek gevraagd of hij terug wilde komen op zijn allereerste schriftelijke verklaring van 16 maart 2024 (zie hiervoor 3.6: “V: U vraagt aan mij of ik bij deze verklaring blijf of dat ik nog wil aanvullen?”), maar dat heeft [verweerder] tijdens het interview op 20 maart 2024 niet gedaan. Met de hiervoor omschreven handelwijze heeft [verweerder] zijn recht op de transitievergoeding verspeeld. Dat betekent ook dat de kantonrechter bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst dan geen rekening zal houden met een opzegtermijn.
Ontbinding op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding)
4.23
Mocht de hiervoor aangekondigde bewijsopdracht niet leiden tot geslaagd bewijs zodanig dat daarmee komt vast te staan dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] dat meebrengt dat van NS niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, dan zal moeten worden beoordeeld of de subsidiaire grondslag tot ontbinding leidt. De beoordeling van de g-grond kan echter niet los worden gezien van de beoordeling van de e-grond, want NS heeft ter onderbouwing van de g-grond zich ook beroepen op het in strijd met de waarheid verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024, en dit vormt onderdeel van de onderbouwing van de e-grond waarvan hiervoor al is geoordeeld dat NS dit vooralsnog niet heeft aangetoond.
4.24
Verder heeft NS ter onderbouwing van de g-grond een beroep gedaan op de (negatieve) uitlatingen van [verweerder] over NS op social media. De kantonrechter overweegt om te beginnen dat zij heeft geconstateerd dat partijen dit aspect duidelijk van minder belang vinden, want beide partijen hebben hier tijdens de mondelinge behandeling geen aandacht aan besteed. Los daarvan acht de kantonrechter op basis van wat hierover in de processtukken naar voren is gebracht, dit onvoldoende om over te gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond. De uitingen van [verweerder] op social media zijn weliswaar “niet handig” en mogelijk zelfs ongepast, maar alleen dat is onvoldoende om te spreken van een duurzame en onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.
Ontbinding op de i-grond (combinatie van omstandigheden)
4.25
Op basis van wat hiervoor is overwogen, kan ook op grond van de i-grond op dit moment (nog) niet worden overgegaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Aan de i-grond zijn immers grotendeels dezelfde omstandigheden als bij de e- en g-grond ten grondslag gelegd.
Vervolg van de procedure
4.26
Procesverloop
4.27
Iedere verdere beslissing wordt in afwachting daarvan aangehouden.
4.28
Vanzelfsprekend staat het partijen vrij om (opnieuw) in overleg te gaan over een afwikkeling van deze procedure zonder bewijslevering.
Dictum
De kantonrechter:
in de zaak van het verzoek van NS:
5.1
laat NS toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [verweerder] bewust en voor een langere periode een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten bij zich heeft gedragen en dat [verweerder] daarover bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard tijdens het (eerste) interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024;
5.2
houdt de zaak aan tot dinsdag 17 september 2024 zodat NS bij akte schriftelijk aangeeft of zij bewijs wil leveren, en zo ja, op welke wijze;
5.3
bepaalt, voor zover NS dat bewijs schriftelijk wil leveren, dat NS uiterlijk op de hiervoor genoemde datum daartoe stukken kan indienen door middel van toezending of afgifte aan de griffie;
5.4
bepaalt, voor zover NS dat bewijs wil leveren door het horen van getuigen, dat NS uiterlijk op genoemde zitting het aantal en de personalia van de te horen getuigen zal opgeven, alsmede de verhinderdata van de getuigen en de wederpartij in de maanden december 2024 tot en maart 2025;
5.5
bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
5.6
houdt iedere verdere beslissing aan;
in het voorwaardelijk verzoek van [verweerder] :
5.7
houdt iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.M.T. Franke en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
Het volledige rapport is overgelegd als productie 5 (versie I) en productie 7 (versie II) bij het verzoekschrift.
De verklaring van [verweerder] is weergegeven op pagina 15 en 16 van het rapport.
Het interview is weergegeven op pagina 33 tot en met 37 van het rapport.
Bovenaan het verslag van het interview staat vermeld dat: “De gestelde vragen zijn weergeven met de letter V, de door betrokkene gegeven antwoorden zijn samengevat weergegeven met de letter A. Eventuele opmerkingen in dit interview zijn weergegeven met de letter O.”
Deze brief is overgelegd als productie 6 bij het verzoekschrift.
Het volledige rapport (door NS geduid als ‘versie II’) is overgelegd als productie 7 bij het verzoekschrift.
De volledige anonieme verklaring is terug te vinden in onderdeel 5.12 van het rapport.
Deze brief is overgelegd als productie 8 bij het verzoekschrift.
Als productie 3 bij het verweerschrift is een foto overgelegd van de betreffende kubotan.
Deze brief is overgelegd als productie 9 bij het verzoekschrift.
Zie bijvoorbeeld: HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR2016:2998 (Mediant).
Inleiding
RECHTBANK
OOST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 11171618 EJ VERZ 24-260
Beschikking van
3
september 2024
NS REIZIGERS B.V.,
gevestigd te Utrecht,
verzoekende partij, tevens verwerende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: NS,
gemachtigde: mr. M.T. Fabels,
tegen
[verweerder]
,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
verwerende partij, tevens verzoekende partij in het voorwaardelijk tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. T.M.A. Verhoeven.
Procesverloop
1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken:
het verzoekschrift van 25 juni 2024 met 10 producties;
het verweerschrift van 29 juli 2024 met 7 producties, tevens houdende een voorwaardelijk tegenverzoek;
de op 1 augustus 2024 ontvangen aanvullende producties 8, 9 en 10 (zonder toelichting) van [verweerder] ;
de spreekaantekeningen van mr. M.T. Fabels;
de spreekaantekeningen van mr. T.M.A. Verhoeven.
1.2
Op 6 augustus 2024 heeft de kantonrechter de zaak mondeling behandeld. Daarbij werd NS vertegenwoordigd door mevrouw [A] (Manager Service & Operations regio zuid) en mevrouw [B] (HR specialist), bijgestaan door mr. M.T. Fabels. Ook was [verweerder] aanwezig, bijgestaan door mr. T.M.A. Verhoeven. Daarnaast was de heer [C] (belangenbehartiger van [verweerder] , werkzaam bij vakbond VVMC) aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat in beginsel op 30 augustus 2024 schriftelijk uitspraak wordt gedaan, maar dat partijen daarvoor nog de gelegenheid krijgen om te onderzoeken of zij hun geschil kunnen beëindigen door middel van een vaststellingsovereenkomst.
1.3
Bij e-mail van 12 augustus 2024 (verzonden op 13 augustus 2024) heeft mr. Verhoeven bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over een minnelijke regeling en dat zij in verband met het finaliseren van de beëindigingsovereenkomst en de wettelijke bedenktermijn verzoeken de zaak aan te houden tot 3 september 2024. In deze e-mail heeft mr. Verhoeven mr. Fabels in de cc vermeld. Op 20 augustus 2024 heeft mr. Fabels de volgende e-mail gestuurd: “In tegenstelling tot het bericht van mr. Verhoeven namens partijen d.d. 13 augustus is er geen overeenstemming bereikt tussen NS en [verweerder] over een minnelijke regeling. Partijen verzoeken u dan ook vriendelijk uitspraak te doen in deze zaak.”
1.4
Tot slot is de uitspraak nader bepaald op vandaag.
2De zaak in het kort
De kernvraag
2.1
In de kern gaat deze zaak over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet eindigen, en zo ja op welke grond en met welke (financiële) consequenties. Deze vraag is door NS als werkgever aan de kantonrechter voorgelegd. Kort gezegd is de reden hiervoor volgens NS dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld bij de nasleep van een geweldsincident op station [plaats 1] in de nacht van 15 op 16 maart 2024 tussen twee reizigers en twee conducteurs, waaronder [verweerder] in zijn functie als hoofdconducteur.
2.2
Het debat tussen partijen en de beslissing van de kantonrechter luiden samengevat als volgt.
Het verzoek van NS
2.3
NS heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden, primair op de e-grond (verwijtbaar handelen), subsidiair op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding) en meer subsidiair op de i-grond (combinatie van omstandigheden) van artikel 7:669 lid 1 en 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.3.1
Volgens NS liggen aan het (ernstig) verwijtbaar handelen (e-grond) van [verweerder] (nog) twee aspecten ten grondslag:
het bewust en voor een langere periode met zich dragen van een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten en
door (daarover) bewust in strijd met de waarheid te verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024.
Ter onderbouwing van beide aspecten doet NS met name een beroep op de verklaring van de zogenoemde anonieme machinist en het gesprek van 18 april 2024.
2.3.2
Het gedrag van [verweerder] maakt bovendien dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen direct moet eindigen (artikel 7:671b lid 9 sub b BW) en NS geen transitievergoeding aan [verweerder] hoeft te betalen (artikel 7:673 lid 7 sub c BW).
2.3.3
Daarnaast is volgens NS in ieder geval sprake van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond) waardoor de arbeidsovereenkomst tussen partijen dient te worden ontbonden. Zij baseert deze grond (ook) op twee aspecten, namelijk:
het in strijd met de waarheid verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024 en
de (negatieve) uitlatingen van [verweerder] over NS op social media.
2.3.4
Indien ook ontbinding op de g-grond niet aan de orde is, moet de arbeidsovereenkomst volgens NS worden ontbonden wegens de omstandigheden (i-grond) zoals genoemd in punt 54 van het verzoekschrift.
2.3.5
In geen geval is herplaatsing aan de orde, want dat ligt niet in de rede indien sprake is van verwijtbaar handelen (artikel 7:669 lid 1 BW) en de ontstane vertrouwensbreuk maakt dat [verweerder] in geen enkele functie meer werkzaam kan zijn voor NS. Tot slot verzoekt NS [verweerder] in de proceskosten te veroordelen.
Het daartegen door [verweerder] gevoerde verweer
2.4
Volgens [verweerder] is ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet aan de orde, omdat een redelijke grond ontbreekt. Het verzoek van NS moet dan ook worden afgewezen. Kort gezegd vindt [verweerder] dat de verklaring van de anonieme machinist buiten beschouwing dient te worden gelaten omdat deze onherleidbaar is. Daarnaast is deze verklaring in strijd met de werkelijkheid. Verder heeft [verweerder] een andere lezing van het gesprek van 18 april 2024. Bovendien had [verweerder] daarvoor al een gesprek aangevraagd met zijn teammanager, waarin hij is teruggekomen op zijn eerste verklaring in het interne onderzoek van maart 2024.
2.5
Indien de kantonrechter het ontbindingsverzoek toch toewijst, stelt [verweerder] dat het einde van de arbeidsovereenkomst niet te wijten is aan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Hij heeft daarom, bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek, verzocht op basis van artikel 7:673 lid 8 BW een transitievergoeding toe te kennen van € 29.478,95 dan wel € 44.218,43 (zie onderdelen 71 en 72 van het verweerschrift). Ook dient bij het bepalen van de einddatum van de arbeidsovereenkomst rekening te worden gehouden met de geldende opzegtermijn.
Dictum
2.6
De kantonrechter kan op dit moment niet beoordelen of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden en zal NS in de gelegenheid stellen tot bewijslevering. In het geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding moet worden toegekend. De kantonrechter kan ook daarover nu dus nog niet beslissen.
2.7
Hierna legt de kantonrechter uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen. De kantonrechter benadrukt hierbij, zoals zij ook tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd, dat bij de beoordeling van deze zaak wordt uitgegaan van wat NS ten grondslag heeft gelegd aan het ontbindingsverzoek. Het handelen van [verweerder] (dus bijvoorbeeld de inzet van het stroomstootwapen) tijdens het incident op 16 maart 2024 ligt niet aan het ontbindingsverzoek ten grondslag, en daarover wordt dus in deze zaak geen oordeel gegeven. NS heeft immers aangevoerd dat de directe aanleiding voor indiening van het verzoek de later bekend geworden (en door [verweerder] betwiste) omstandigheden zijn, te weten dat [verweerder] bewust en voor een langere periode met een verboden stroomstootwapen op zijn werk heeft rondgelopen en dat hij daarover in strijd met de waarheid heeft verklaard.
3De achtergrond van het geschil
Om een duidelijk beeld te krijgen van de zaak, worden hierna eerst de relevante feiten (in chronologische volgorde) weergegeven. Voor zover er daarnaast nog andere feiten van belang zijn voor de beoordeling van dit geschil, komen deze feiten aan de orde bij de beoordeling.
1 februari 2008: partijen sluiten een arbeidsovereenkomst
3.1
[verweerder] (geboren op [geboortedatum] 1961) is op 1 februari 2008 in dienst getreden bij NS. Hij was laatstelijk werkzaam in de functie van hoofdconducteur op basis van een fulltime dienstverband tegen een loon van € 3.668,04 bruto per maand (exclusief 8% vakantiegeld en overige emolumenten). Op de arbeidsovereenkomst is de CAO NS van toepassing. Verder is de NS Gedragscode en het Handboek Hoofdconducteur / Trainmanager van toepassing.
16 maart 2024: het incident en de naar aanleiding daarvan opgelegde strafbeschikking
3.2
Op zaterdag 16 maart 2024 rond 00:30 uur heeft een geweldsincident plaatsgevonden op perron [nummer] van station [plaats 1] . Daarbij waren twee reizigers en twee conducteurs betrokken. De heer [D] , een collega conducteur van [verweerder] met wie hij dienst had, werd rond middernacht door twee mannelijke reizigers (die mogelijk onder invloed waren van verdovende middelen) op een (zeer) vervelende manier bejegend en daarna is een worsteling tussen hen ontstaan. Op een gegeven moment raakte [verweerder] erbij betrokken. [verweerder] heeft uit zijn jaszak een stroomstootwapen gehaald en het vervolgens in de lucht geactiveerd, waarna een knetterend geluid hoorbaar was en vonken zichtbaar waren. De reizigers zijn daarbij niet geraakt. Tijdens het incident is [verweerder] , doordat hij een klap kreeg van één van de reizigers, kort buiten bewustzijn geweest.
3.3
Na afloop van het incident is [verweerder] aangehouden door de politie. [verweerder] heeft een strafbeschikking geaccepteerd en in dat kader een geldboete van € 500,00 (en € 9,00 administratiekosten) betaald. De reden voor het opleggen van deze beschikking is het voorhanden hebben van een elektrisch stroomstootwapen. Dit is verboden op grond van artikel 26 lid 1 Wet wapens en munitie en kwalificeert als een misdrijf. Het stroomstootwapen is door de politie in beslag genomen.
18 maart tot en met 26 maart 2024: het eerste interne onderzoek en rapport van NS, met verklaring en interview van [verweerder]
3.4
Naar aanleiding van het incident heeft mevrouw [A] (Manager Service & Operations, hierna: [A] ) op 18 maart 2024 aan de afdeling Interne Zaken van NS opdracht gegeven tot verrichten van een intern onderzoek. Dit onderzoek heeft op 26 maart 2024 geresulteerd in een 44 pagina’s tellend rapport, getiteld: “Rapport feitenonderzoek, geweld hoofdconducteurs richting reizigers [plaats 1] ”. In het rapport staat dat het doel van dit onderzoek is het beantwoorden van de volgende onderzoeksvraag: “Er is een vermoeden dat [verweerder] en [D] op of aan een perron van station [plaats 1] geweld hebben gebruikt tegen een of twee reizigers. Hierbij zou de heer [verweerder] een stroomstootwapen hebben gebruikt en de heer [D] zou een van de twee reizigers een klap in het gezicht hebben gegeven. Stel vast wat precies ter zake heeft plaatsgevonden en in hoeverre [verweerder] en [D] en aanwezige / betrokken collega’s die gedragingen / handelingen wel of niet hebben vertoond / verricht.”
3.5
Om deze onderzoeksvraag te beantwoorden heeft NS onder meer gebruik gemaakt van door de betrokkenen afgelegde schriftelijke verklaringen en de gehouden interviews. Zo heeft [verweerder] op 17 maart 2024 per e-mail een verklaring afgelegd. In die verklaring beschrijft [verweerder] vooral wat er in zijn visie is gebeurd tijdens het incident. Over het stroomstootwapen heeft hij toen het volgende verklaard: “Ik had een apparaatje bij me voor het geval ik/wij voor (zeer) gevaarlijke situaties zouden komen te staan. Helaas heb ik hem ter hand moeten nemen om ons proberen veilig te stellen. Ik heb hem één keer ingedrukt toen ze op ons afkwamen (…)”.
3.6
Verder heeft NS op 20 maart 2024 (in de personen van [E] en [F] , beiden werkzaam als adviseur/onderzoek bij de afdeling Onderzoek & Dreigingen van NS Corporate Security) [verweerder] geïnterviewd. De heer [C] (belangenbehartiger van [verweerder] , werkzaam bij vakbond VVMC, hierna: [C] ) was bij dit interview aanwezig. Van dit ongeveer 1,5 uur durende interview is een verslag opgemaakt, welk verslag aan [verweerder] is gestuurd en waarop hij – na aanpassing van het verslag – op 26 maart 2024 akkoord heeft gegeven. In het verslag staat onder andere vermeld:
“(…)
O: U vertelt mij dat ik bij Teammanager de heer [G] met standplaats [plaats 2] een eerste verklaring heb afgelegd over het incident dat heeft plaatsgevonden in de nacht van 16 februari 2024, omstreeks 00.30 uur op station [plaats 1] op het perron [nummer] .
V: U vraagt aan mij of ik bij deze verklaring blijf of dat ik nog wil aanvullen?
A: Dit is per e-mail gegaan ik heb de heer [G] niet persoonlijk ontmoet. [H] [ [H] , teammanager, toevoeging kantonrechter] heeft de verklaring aan mij voorgelezen, dit is goed, deze verklaring is voor zover ik het weet.
O: U vertelt mij dat u aanvullende vragen heeft.
(…)
V: U vraagt aan mij wat voor wapen ik bij mij had tijdens mijn dienst?
A: Het is iets dat ik heb gevonden bij het park bij mij in de buurt, waar ook honden worden uitgelaten en wel eens hangjongeren komen. Ik denk dat ik het een paar weken terug heb gevonden, ik kan het me niet precies herinneren. Ik heb het meegenomen en thuis in de woonkamer heb ik hem ingedrukt om te kijken wat het was. Ik hoorde het toen knetteren en zag vonken. Ik wist dus dat het met stroom was, een soort schrikdraad. (…) Ik dacht dat het iets voor honden was, omdat er bij ons in de buurt bijtincidenten zijn geweest met honden. Ik wist niet dat het een taser was. (…)Ik heb het bij me gehouden voor als ik 's avonds onze hond uitlaat, voor het geval ik ooit gedoe met een hond heb. Ik heb hem in mijn jas gedaan en een aantal keer meegenomen bij het uitlaten.
V: U vraagt aan mij waarom ik dat wapen mee heb genomen naar het werk?
A: Ik draai late diensten, soms tot 03.00 uur. Ik laat de hond [naam] dan nog even uit.
Overwegingen
Wij vinden uw gedrag en handelswijze zeer ernstig. Met het in bezit hebben van een stroomstootwapen en het nota bene activeren hiervan op het perron, heeft u een misdrijf gepleegd en uiteraard ook verschillende procedures en NS-regels overtreden, waaronder die van de NS Gedragscode. Dit terwijl u herkenbaar was als NS-medewerker. Dit alles past op geen enkele wijze bij de verantwoordelijke rol die u heeft. De hiervoor omschreven gedragingen zijn voor NS onacceptabel en u heeft ons vertrouwen hiermee beschaamd.
Tijdens ons gesprek heeft u spijt betuigd. Daarnaast gaf u aan deze gebeurtenis als een blamage te ervaren en dat dit nooit had mogen gebeuren.
Dictum
Na uitvoerig beraad hebben wij besloten om u een officiële waarschuwing te geven. Wij
benadrukken daarbij dat we dergelijk gedrag/een dergelijke handelswijze absoluut niet meer willen zien. Dit is uw laatste kans. Mocht u zich hier in de toekomst opnieuw schuldig aan maken of mocht u andere procedures of regels van NS overtreden, dan zijn wij genoodzaakt over te gaan tot nadere arbeidsrechtelijke maatregelen, zoals ontslag (op staande voet).
Vervolg
Rekening houdend met de ernst van deze situatie verwachten wij van u dat u aan de slag gaat met een traject dat volgens onderstaande opeenvolgende stappen zal worden vormgegeven:
1. Gedurende dit traject wordt u niet ingezet als hoofdconducteur. Heroverweging van dit
besluit zal op zijn vroegst plaatsvinden vanaf stap 4.
2. U neemt deel aan een uitgebreid psychologisch onderzoek dat zal worden uitgevoerd door LTP Testned. (…).
3. Wanneer het onderzoek aantoont dat u niet (meer) geschikt (te maken) bent voor de
functie van hoofdconducteur, zal er een re-/outplacementtraject worden opgestart.
4. Wanneer er geen contra-indicaties voortkomen uit het uitgebreid psychologisch
onderzoek, dan behoren onderstaande vervolgstappen tot de mogelijkheid:
a. Psychische ondersteuning bij HSK of via NS Visual Mentale Vitaliteit
b. Behandeling van eventuele persoonlijke trauma's
c. Training Rationeel Emotieve Therapie (RET) via Springest
d. Jobcoaching (extern)
5. Opstarten van een intensief begeleidingstraject met als doel het beter leren omgaan met
de-escalatie/lastige situaties, waarbij:
a. gedurende 3 maanden meerdere (onaangekondigde) begeleidingen door
wisselende teammanagers plaatsvinden
b. gedurende 6 maanden twee wekelijks een voortgang gesprek met de eigen
teammanager.
Uw teammanager de heer [H] zal op korte termijn in gesprek gaan over de nadere invulling van dit traject. (…)”
9 april 2024: gesprek [verweerder] met zijn teammanager
3.10
Op 9 april 2024 heeft (op initiatief van [verweerder] ) een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en zijn teammanager [H] . Tijdens dit gesprek heeft [verweerder] gezegd dat zijn verklaring en het interview zoals deze zijn opgenomen in het eerste onderzoeksrapport van maart 2024 met betrekking tot de herkomst van het stroomstootwapen onjuist zijn. Op dit punt had hij toen niet de waarheid verteld.
16 en 17 april 2024: het tweede interne onderzoek en rapport van NS, met de verklaring van de anonieme machinist
3.11
Een paar weken na de officiële waarschuwing heeft NS het onderzoek heropend naar [verweerder] en op 17 april 2024 is een tweede versie van het rapport getiteld: “Rapport feitenonderzoek, geweld hoofdconducteurs richting reizigers [plaats 1] ” opgesteld. De reden hiervoor staat in het onderzoekrapport vermeld als: “Na opleveren van het definitieve onderzoeksrapport in maart is in april een getuige naar voren gekomen met nieuwe relevante informatie. In overleg met de opdrachtgever is beklaagde niet tijdens het onderzoek opnieuw geïnterviewd naar aanleiding van deze nieuwe informatie. Een tweede versie van het definitieve onderzoeksrapport is hierop opgeleverd.”
3.12
Op 17 april 2024 is een collega van [verweerder] door NS (in de personen van [E] en [J] , beiden werkzaam als adviseur/onderzoek bij de afdeling Onderzoek & Dreigingen van NS Corporate Security) geïnterviewd. Van dit interview is een anonieme verklaring opgemaakt, omdat de geïnterviewde anoniem wil blijven. Ter zitting is gebleken dat het gaat om een mannelijke machinist. Deze verklaring is toegevoegd aan het onderzoeksrapport [opmerking kantonrechter: deze verklaring betreft de enige toevoeging aan het onderzoeksrapport van april 2024 ten opzichte van maart 2024]. Uit het interview blijkt dat de anonieme machinist vooraf van zijn regiomanager uitleg heeft gehad over hoe het interview in zijn werk zal gaan. Hieronder zijn enkele delen van dat interview weergegeven:
“
(…)
(…)”
3.13
In het tweede onderzoeksrapport is onder meer het volgende geconcludeerd:
18 en 30 april 2024: gesprek NS en [verweerder] , en de naar aanleiding daarvan verzonden brief
3.14
Op 18 april 2024 heeft NS weer een gesprek gevoerd met [verweerder] . Bij dit gesprek waren namens NS aanwezig [A] en mevrouw [B] (HR specialist, hierna: [B] ). Ook waren [verweerder] en [C] aanwezig. In essentie heeft [verweerder] tijdens dit gesprek verklaard dat zijn eerste verklaringen (zoals opgenomen in het eerste onderzoeksrapport van maart 2024) deels niet kloppen. Van dit gesprek is geen ander verslag gemaakt dan de weergave in de hierna te noemen brief van 30 april 2024 van NS aan [verweerder] . Naar aanleiding van dit gesprek heeft NS op 30 april 2024 een brief aan [verweerder] verstuurd, waarin de belangrijkste besproken punten schriftelijk worden bevestigd:
14 en 16 mei 2024: gesprek NS en [verweerder] , en de naar aanleiding daarvan verzonden brief
3.15
Op 14 mei 2024 heeft opnieuw een gesprek plaatsgevonden tussen NS en [verweerder] . Bij dit gesprek waren aanwezig [A] , [B] , [verweerder] en [C] . Tijdens dit gesprek is aan de orde geweest dat [verweerder] al langere tijd een kubotan met zich meedraagt (een kubotan is een relatief klein zelfverdedigingswapen). Verder zijn de door [verweerder] gedane uitlatingen op social media besproken. Ook heeft NS tijdens dit gesprek medegedeeld dat zij voornemens is om de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te beëindigen. Op 16 mei 2024 heeft NS per brief een bevestiging verzonden wat tijdens het gesprek is besproken. In deze brief staat het volgende:
(…)
Beoordeling
4.1
De vraag die hier voorligt is of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In het geval van ontbinding dient ook te worden beoordeeld of aan [verweerder] de transitievergoeding dient te worden toegekend. De kantonrechter kan over beide aspecten nu nog niet beslissen en zal NS in gelegenheid stellen tot bewijslevering, wat hierna wordt uitgelegd.
4.2
Voorop wordt gesteld dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is, herplaatsing van [verweerder] binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt, en geen opzegverboden gelden (artikel 7:671b lid 1 en 2 BW, in samenhang met artikel 7:669 lid 1 en 3 BW).
4.3
De redelijke gronden zijn opgesomd in artikel 7:669 lid 3, onderdelen c tot en met h BW. Het verzoek van NS strekt tot ontbinding op drie van die gronden, namelijk (in deze volgorde):
- verwijtbaar handelen dan wel nalaten van [verweerder] (e-grond);
- een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond);
- een combinatie van omstandigheden genoemd in twee of meer van die gronden (i-grond).
4.4
De wettelijke bewijsregels zijn van overeenkomstige toepassing in de ontbindingsprocedure op basis van artikel 7:671b BW. Dit betekent dat NS, volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv, de aan het ontbindingsverzoek ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zal moeten stellen en, bij voldoende gemotiveerde betwisting door [verweerder] , zal moeten bewijzen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is voor bewijs in het burgerlijk procesrecht niet steeds vereist dat de feiten en omstandigheden onomstotelijk vast komen te staan, maar kan worden volstaan met het voldoende aannemelijk maken daarvan. Het bewijs hoeft niet te voldoen aan de strafrechtelijke maatstaf die vergt dat het bewijs van een strafbaar feit wettig en overtuigend is. De maatstaf van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht is dus niet aan de orde. Het gaat in deze civiele procedure kort gezegd om het (civielrechtelijke) bewijs van de feiten en omstandigheden die NS aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd.
Ontbinding op de e-grond (verwijtbaar handelen of nalaten), bewijsopdracht
4.5
Voor toewijzing van ontbinding wegens verwijtbaar handelen wordt onder een redelijke grond verstaan verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer, zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Voordat de kantonrechter ingaat op de feiten en omstandigheden die NS hieraan ten grondslag heeft gelegd, is het volgende van belang.
Aanleiding ontbindingsverzoek
4.6
Tijdens de mondelinge behandeling heeft NS benadrukt dat zij de handelwijze van [verweerder] tijdens het incident na afronding van het eerste interne onderzoek in maart 2024 reeds heeft beoordeeld en er, na lang beraad, voor heeft gekozen om hem op 3 april 2024 een officiële waarschuwing te geven. NS keurde (en keurt) de handelwijze van [verweerder] tijdens het incident sterk af, maar kijkend naar de feiten die op dat moment bekend waren, leek een waarschuwing op zijn plaats. [verweerder] had immers tegenover NS verklaard dat het bij zich dragen van een verboden stroomstootwapen een éénmalig incident betrof: hij had het stroomstootwapen enkele weken geleden gevonden tijdens het uitlaten van zijn hond in het park (na afloop van een late dienst bij NS) en op de dag van het incident zat het stroomstootwapen min of meer toevallig in zijn dienstjas. Vrij snel na het geven van deze waarschuwing kwam NS erachter dat de eerdere verklaringen van [verweerder] mogelijk onjuistheden bevatten, bijvoorbeeld ten aanzien van de herkomst van het stroomstootwapen en dat hij het stroomstootwapen vaker dan één keer heeft meegenomen tijdens diensten. Zo heeft NS een signaal ontvangen van een collega van [verweerder] (de anonieme machinist) en de teammanager van [verweerder] . Naar aanleiding daarvan heeft zij het interne onderzoek medio april 2024 heropend. Volgens NS heeft [verweerder] toen toegegeven dat hij:
het stroomstootwapen van een collega heeft overgenomen;
het stroomstootwapen veel vaker bij zich droeg tijdens diensten;
het wapen bewust meenam tijdens zijn dienst.
Door deze nieuw bekend geworden omstandigheden was de situatie en het incident vele malen ernstiger dan NS in eerste instantie dacht, aldus NS. Daar komt volgens NS bij dat [verweerder] willens en wetens (over alle drie de hiervoor weergegeven omstandigheden) in strijd met de waarheid heeft verklaard tijdens het interne onderzoek in maart 2024. Dit alles acht NS ontoelaatbaar en maakt dat [verweerder] (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld waardoor de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden.
Eerste schriftelijke verklaring en interview van [verweerder] uit maart 2024 over herkomst stroomstootwapen kloppen niet
4.7
Vast staat dat de eerste door [verweerder] gegeven schriftelijke verklaring op 17 maart 2024 (zie hiervoor bij 3.5) en wat hij tijdens het interview op 20 maart 2024 (zie hiervoor bij 3.6) heeft gezegd over de herkomst van het stroomstootwapen niet kloppen. Deze verklaring en het verslag van het interview zijn opgenomen in het eerste interne onderzoek van NS naar aanleiding van het incident. [verweerder] heeft toen samengevat verklaard dat hij het stroomstootwapen enkele weken tevoren in het park had gevonden toen hij zijn hond aan het uitlaten was. In onderdelen 37, 38 en 51 van het verweerschrift heeft [verweerder] aangevoerd dat hij goed besefte dat hij de waarheid moest vertellen. Daarom heeft hij een gesprek aangevraagd met zijn teammanager [H] en verteld dat hij tijdens het interne onderzoek een onjuiste verklaring heeft afgelegd. De reden hiervoor was dat hij de collega van wie hij het stroomstootapparaat had gekregen in bescherming wilde nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] toegelicht dat het hiervoor genoemde gesprek op 9 april 2024 (op zijn initiatief) heeft plaatsgevonden.
Samenvattend tot zover
4.8
Uit het voorgaande volgt dus dat tussen partijen niet meer ter discussie staat dat [verweerder] aanvankelijk niet de waarheid heeft verteld over de herkomst van het stroomstootwapen. Partijen twisten wel nog over de (andere) aspecten die NS aan de e-grond ten grondslag heeft gelegd, te weten:
het bewust en voor een langere periode met zich dragen van een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten (dus ii. en iii. zoals hiervoor bij 4.6 is weergegeven) en
door (daarover) bewust in strijd met de waarheid te verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024.
NS heeft ter onderbouwing van beide aspecten gewezen op de verklaring van de anonieme machinist en het gesprek van 18 april 2024.
Verklaring anonieme machinist
4.9
In het kader van het tweede interne onderzoek heeft NS op 17 april 2024 een interview afgenomen met een collega van [verweerder] . Van dit interview is een anonieme verklaring opgesteld, omdat de betreffende medewerker van NS, een machinist, (tijdens het interne onderzoek en ook in deze gerechtelijke procedure) onbekend wenst te blijven. De belangrijkste passages van deze verklaring zijn hiervoor bij 3.12 weergegeven.
4.10
In het verzoekschrift heeft NS zich op het standpunt gesteld dat onder meer uit deze verklaring kan worden afgeleid dat [verweerder] bewust en voor een langere periode het stroomstootwapen met zich heeft gedragen, en dat hij hierover in strijd met de waarheid heeft verklaard.
Conclusie
4.17
De slotsom van het voorgaande is dat uit de overgelegde stukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is verklaard niet met de benodigde redelijke en voldoende mate van zekerheid kan worden gezegd dat [verweerder] bewust en voor een langere periode met zich heeft gedragen een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten, en daarmee dus (ernstig) verwijtbaar heeft gehandeld zodanig dat van NS in redelijkheid niet meer kan worden gevraagd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Dat geldt evenzeer zo voor het bewust in strijd met de waarheid verklaren tijdens het eerste interne onderzoek wat dus samenhangt met het bewust en voor een langere periode met zich dragen van een verboden stroomstootwapen tijdens werk. Dit brengt mee dat op dit moment de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet op de e-grond wordt ontbonden. NS zal in de gelegenheid worden gesteld om (nader) bewijs te leveren, op de wijze zoals hierna onder de beslissing is weergegeven. NS heeft dat (nader) bewijs ook aangeboden.
4.18
Indien NS het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, moet zij deze stukken afzonderlijk in het geding brengen. Indien NS het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit vermelden en de verhinderdata op geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.
4.19
De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 45 minuten zal duren. Als NS verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.
Als wordt ontbonden op de e-grond geen transitievergoeding
4.20
Indien komt vast te staan dat [verweerder] bewust en voor een langere periode een verboden stroomstootwapen bij zich heeft gedragen tijdens diensten en dat hij daarover bewust tijdens het interne onderzoek niet de waarheid heeft verklaard, dan levert dit naar het oordeel van de kantonrechter een voldragen e-grond op (verwijtbaar handelen of nalaten) en dan zal het leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
4.21
Als NS in de bewijslevering slaagt, is de vraag vervolgens of het handelen van [verweerder] is te kwalificeren als ernstig verwijtbaar en of NS nog een transitievergoeding aan hem verschuldigd is en of bij de ontbinding rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn (zoals door [verweerder] voorwaardelijk is verzocht).
4.22
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] stelt de kantonrechter voorop dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid blijkt dat deze uitzonderingsgrond een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. De werknemer kan zijn recht op een transitievergoeding alleen kwijtraken in uitzonderlijke gevallen, waarin evident is dat het tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst leidende handelen of nalaten van de werknemer niet slechts als verwijtbaar, maar als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt (Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 3, p. 34 en 40, en nr. 4, p. 15-16). De kantonrechter is van oordeel dat daarvan – als NS in de bewijslevering slaagt – sprake is. Gelet op zijn publieke functie (hoofdconducteur) bij de NS en voorbeeldgedrag richting reizigers had het voor [verweerder] duidelijk moeten zijn dat het niet gewenst is en vooral niet is toegestaan om vaker tijdens diensten een verboden wapen bij zich te dragen. Daarbij komt ook dat als komt vast te staan dat [verweerder] het stroomstootwapen al langer bij zich droeg, hij daarover bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard tijdens het (eerste) interne onderzoek, terwijl hij genoeg gelegenheid heeft gehad om daarop terug te komen, in ieder geval eerder dan op 9 april 2024. Tussen het afronden van het eerste interne onderzoek medio maart 2024 en 9 april zaten immers ongeveer drie weken en [verweerder] had die tijd kunnen benutten om een gesprek aan te vragen met NS, althans eerder dan hij nu heeft gedaan. Bovendien heeft NS hem op 20 maart 2024 specifiek gevraagd of hij terug wilde komen op zijn allereerste schriftelijke verklaring van 16 maart 2024 (zie hiervoor 3.6: “V: U vraagt aan mij of ik bij deze verklaring blijf of dat ik nog wil aanvullen?”), maar dat heeft [verweerder] tijdens het interview op 20 maart 2024 niet gedaan. Met de hiervoor omschreven handelwijze heeft [verweerder] zijn recht op de transitievergoeding verspeeld. Dat betekent ook dat de kantonrechter bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst dan geen rekening zal houden met een opzegtermijn.
Ontbinding op de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding)
4.23
Mocht de hiervoor aangekondigde bewijsopdracht niet leiden tot geslaagd bewijs zodanig dat daarmee komt vast te staan dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] dat meebrengt dat van NS niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, dan zal moeten worden beoordeeld of de subsidiaire grondslag tot ontbinding leidt. De beoordeling van de g-grond kan echter niet los worden gezien van de beoordeling van de e-grond, want NS heeft ter onderbouwing van de g-grond zich ook beroepen op het in strijd met de waarheid verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024, en dit vormt onderdeel van de onderbouwing van de e-grond waarvan hiervoor al is geoordeeld dat NS dit vooralsnog niet heeft aangetoond.
4.24
Verder heeft NS ter onderbouwing van de g-grond een beroep gedaan op de (negatieve) uitlatingen van [verweerder] over NS op social media. De kantonrechter overweegt om te beginnen dat zij heeft geconstateerd dat partijen dit aspect duidelijk van minder belang vinden, want beide partijen hebben hier tijdens de mondelinge behandeling geen aandacht aan besteed. Los daarvan acht de kantonrechter op basis van wat hierover in de processtukken naar voren is gebracht, dit onvoldoende om over te gaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond. De uitingen van [verweerder] op social media zijn weliswaar “niet handig” en mogelijk zelfs ongepast, maar alleen dat is onvoldoende om te spreken van een duurzame en onherstelbaar verstoorde arbeidsrelatie.
Ontbinding op de i-grond (combinatie van omstandigheden)
4.25
Op basis van wat hiervoor is overwogen, kan ook op grond van de i-grond op dit moment (nog) niet worden overgegaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Aan de i-grond zijn immers grotendeels dezelfde omstandigheden als bij de e- en g-grond ten grondslag gelegd.
Vervolg van de procedure
4.26
Procesverloop
4.27
Iedere verdere beslissing wordt in afwachting daarvan aangehouden.
4.28
Vanzelfsprekend staat het partijen vrij om (opnieuw) in overleg te gaan over een afwikkeling van deze procedure zonder bewijslevering.
Dictum
De kantonrechter:
in de zaak van het verzoek van NS:
5.1
laat NS toe feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit volgt dat [verweerder] bewust en voor een langere periode een verboden stroomstootwapen tijdens meerdere diensten bij zich heeft gedragen en dat [verweerder] daarover bewust in strijd met de waarheid heeft verklaard tijdens het (eerste) interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024;
5.2
houdt de zaak aan tot dinsdag 17 september 2024 zodat NS bij akte schriftelijk aangeeft of zij bewijs wil leveren, en zo ja, op welke wijze;
5.3
bepaalt, voor zover NS dat bewijs schriftelijk wil leveren, dat NS uiterlijk op de hiervoor genoemde datum daartoe stukken kan indienen door middel van toezending of afgifte aan de griffie;
5.4
bepaalt, voor zover NS dat bewijs wil leveren door het horen van getuigen, dat NS uiterlijk op genoemde zitting het aantal en de personalia van de te horen getuigen zal opgeven, alsmede de verhinderdata van de getuigen en de wederpartij in de maanden december 2024 tot en maart 2025;
5.5
bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
5.6
houdt iedere verdere beslissing aan;
in het voorwaardelijk verzoek van [verweerder] :
5.7
houdt iedere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.M.T. Franke en is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2024.
Het volledige rapport is overgelegd als productie 5 (versie I) en productie 7 (versie II) bij het verzoekschrift.
De verklaring van [verweerder] is weergegeven op pagina 15 en 16 van het rapport.
Het interview is weergegeven op pagina 33 tot en met 37 van het rapport.
Bovenaan het verslag van het interview staat vermeld dat: “De gestelde vragen zijn weergeven met de letter V, de door betrokkene gegeven antwoorden zijn samengevat weergegeven met de letter A. Eventuele opmerkingen in dit interview zijn weergegeven met de letter O.”
Deze brief is overgelegd als productie 6 bij het verzoekschrift.
Het volledige rapport (door NS geduid als ‘versie II’) is overgelegd als productie 7 bij het verzoekschrift.
De volledige anonieme verklaring is terug te vinden in onderdeel 5.12 van het rapport.
Deze brief is overgelegd als productie 8 bij het verzoekschrift.
Als productie 3 bij het verweerschrift is een foto overgelegd van de betreffende kubotan.
Deze brief is overgelegd als productie 9 bij het verzoekschrift.
Zie bijvoorbeeld: HR 23 december 2016, ECLI:NL:HR2016:2998 (Mediant).
Beoordeling
De machinist heeft namelijk verklaard dat hij al in november / december heeft gehoord dat [verweerder] “een taser” bij zich had. Daarnaast heeft de machinist verklaard dat [verweerder] en hij op 20 of 26 februari 2024 samen gepauzeerd hebben in het verblijf op station [plaats 3] , en dat [verweerder] toen de taser uit zijn jaszak heeft gehaald en aan hem heeft laten zien. Zowel de machinist als [verweerder] zaten toen ongeveer een half uur in dat verblijf te wachten, aldus de machinist. De machinist heeft ook verklaard hoe het komt dat hij nog zo precies die data weet, te weten omdat hij op die dagen een stagiaire van het STC begeleidde en die stagiaire ook aanwezig was bij de ontmoeting tussen de machinist en [verweerder] in [plaats 3] .
4.11
In reactie hierop heeft [verweerder] in het verweerschrift de juistheid van deze stellingen gemotiveerd betwist. Zo was [verweerder] op 26 februari 2024 niet aan het werk, want hij had een rustdag. Op 20 februari 2024 was hij weliswaar aan het werk en is hij langs station [plaats 3] gekomen, maar had hij geen tijd om daar te pauzeren en heeft hij bovendien die dag (ongeveer 30 minuten) gepauzeerd in [plaats 1] . Volgens [verweerder] wordt dit bevestigd door de zogenoemde “tijdlijn-app” die NS registreert over haar medewerkers en door [verweerder] als productie 5 bij het verweerschrift is overgelegd.
4.12
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter hierover vragen gesteld. Toen is namens NS verklaard dat zij na ontvangst van het verweerschrift nader onderzoek heeft gedaan en dat daaruit is gebleken dat de anonieme machinist en [verweerder] (samen) niet op 20 of 26 februari 2024 in [plaats 3] waren, maar dat dit op 14 februari 2024 is geweest. NS beschikt namelijk over kaarten waaruit blijkt op welk tijdstip en op welke plaats de betreffende medewerker van NS is geweest. De teammanager van [verweerder] heeft de kaart van de anonieme machinist en van [verweerder] van 14 februari 2024 met elkaar vergeleken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] betwist dat hij op 14 februari 2024 in [plaats 3] is geweest.
4.13
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Voorop wordt gesteld dat de kaarten waaruit één en ander volgens NS zou moeten blijken niet in de procedure zijn gebracht (NS heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het te laat was om deze kaarten in de procedure te brengen). Waarom NS over deze data niet heeft gerept in haar spreekaantekeningen (terwijl zij eerder details als tijd en plaats juist relevant vond, zie onder punt 3.13) maar de informatie eerst op vragen van de kantonrechter heeft verstrekt, heeft NS niet nader toegelicht. Gelet op het ontbreken van onderbouwing van de alternatieve data, en op de ontkenning van [verweerder] , heeft NS vooralsnog onvoldoende aangetoond dat de anonieme machinist en [verweerder] op 14 februari 2024 (samen) in [plaats 3] zijn geweest, dat [verweerder] toen “de taser” (bedoeld zal zijn het stroomstootwapen) aan de anonieme machinist tijdens de pauze heeft laten zien, en dus dat daaruit zou volgen dat [verweerder] het stroomstootapparaat al eerder bij zich had tijdens diensten, en dus niet alleen op 16 maart 2024 tijdens het incident. Zou komen vast te staan dat de anonieme machinist gezegd heeft dat hij het stroomstootwapen in februari 2024 al gezien heeft, dus enkele weken voor het incident op 16 maart, dan zou dat element in de richting kunnen wijzen dat [verweerder] vaker, en dus al langere tijd, het stroomstootwapen bij zich had tijdens diensten. Deze mogelijke aanwijzing en dus de anonieme verklaring (waarin relevante details onjuist blijken te zijn) zijn echter op dit moment onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [verweerder] het stroomstootwapen al langere tijd bij zich droeg tijdens werk (dus onderdeel 1. zoals hiervoor is verwoord bij 4.8).
Gesprek 18 april 2024
4.14
NS heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit het gesprek van 18 april 2024, waarna op 30 april 2024 een brief (gespreksverslag) is verstuurd, blijkt dat [verweerder] bewust en voor een langere periode het stroomstootwapen met zich heeft gedragen, en dat hij hierover in strijd met de waarheid heeft verklaard. Bij dit gesprek waren namens NS aanwezig [A] en [B] . Ook waren [verweerder] en [C] aanwezig. De belangrijkste passages uit de hiervoor genoemde brief zijn weergegeven bij 3.14. Eén van die passages luidt: “Daarnaast heeft u op 18 april 2024 verklaard dat u het stroomstootwapen vaker hebt meegenomen naar het werk (waaronder naar het verblijf) en tijdens uw diensten.”
4.15
Vast staat dat [verweerder] op de hiervoor aangehaalde zin (en op de brief van 30 april 2024 in het algemeen wat een verslag is van het gesprek van 18 april 2024) niet heeft gereageerd richting NS, in die zin dat hetgeen NS daarin aanvoert niet juist zou zijn. Op 14 mei 2024 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden, en ook toen of daarna heeft [verweerder] niet gereageerd op de stelling dat hij het stroomstootwapen vaker en langere tijd tijdens werk bij zich droeg. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] over dit gesprek verklaard dat NS toen vooral benieuwd was naar de herkomst van het stroomstootwapen, dat niet besproken is dat hij het stroomstootwapen vaker bij zich had tijdens diensten en dat de gesprekken verder gingen over de kubotan. Bij de mondelinge behandeling heeft [C] hierover verklaard dat het een “typisch slecht nieuws gesprek” was en dat het ging over de kubotan. NS heeft (bij monde van [A] en [B] die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig waren) ten aanzien van het gesprek van 18 april 2024 vastgehouden aan hetgeen in de brief van 30 april 2024 is gezegd.
4.16
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft NS gelet op voorgaande overweging onvoldoende aangetoond dat [verweerder] het stroomstootwapen vaker en al langere tijd met zich droeg tijdens werkdiensten (dus onderdeel 1. zoals hiervoor is verwoord bij 4.8). Ter zitting heeft [A] nader verklaard dat het NS niet (zozeer) gaat om de kubotan en dat het ontbindingsverzoek daar ook niet op is gegrond maar dat het gaat om het stroomstootwapen. Weliswaar is het opvallend te noemen dat [verweerder] niet heeft gereageerd op de aantijgingen die zijn vermeld in de brief van 30 april 2024, maar op dit moment kan aan het “niet reageren” niet automatisch de conclusie worden verbonden dat hetgeen NS stelt dan waar is. Daarvoor is meer nodig, en dat is er op dit moment niet. Indien niet komt vast te staan dat [verweerder] het stroomstootwapen vaker en al langere tijd bij zich droeg tijdens werkdiensten, dan is het (zoals NS het noemt) bewust in strijd met de waarheid verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024 (dus onderdeel 2. zoals hiervoor is verwoord bij 4.8) niet meer aan de orde. Het tweede onderdeel vloeit immers voort uit het komen vast staan van het eerste onderdeel wat NS aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd. Met andere woorden: onderdeel 2. (bewust in strijd met de waarheid verklaren) is alleen dan relevant als onderdeel 1. (het stroomstootwapen vaker en al langere tijd bij zich dragen tijdens werkdiensten) zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.
Beoordeling
De machinist heeft namelijk verklaard dat hij al in november / december heeft gehoord dat [verweerder] “een taser” bij zich had. Daarnaast heeft de machinist verklaard dat [verweerder] en hij op 20 of 26 februari 2024 samen gepauzeerd hebben in het verblijf op station [plaats 3] , en dat [verweerder] toen de taser uit zijn jaszak heeft gehaald en aan hem heeft laten zien. Zowel de machinist als [verweerder] zaten toen ongeveer een half uur in dat verblijf te wachten, aldus de machinist. De machinist heeft ook verklaard hoe het komt dat hij nog zo precies die data weet, te weten omdat hij op die dagen een stagiaire van het STC begeleidde en die stagiaire ook aanwezig was bij de ontmoeting tussen de machinist en [verweerder] in [plaats 3] .
4.11
In reactie hierop heeft [verweerder] in het verweerschrift de juistheid van deze stellingen gemotiveerd betwist. Zo was [verweerder] op 26 februari 2024 niet aan het werk, want hij had een rustdag. Op 20 februari 2024 was hij weliswaar aan het werk en is hij langs station [plaats 3] gekomen, maar had hij geen tijd om daar te pauzeren en heeft hij bovendien die dag (ongeveer 30 minuten) gepauzeerd in [plaats 1] . Volgens [verweerder] wordt dit bevestigd door de zogenoemde “tijdlijn-app” die NS registreert over haar medewerkers en door [verweerder] als productie 5 bij het verweerschrift is overgelegd.
4.12
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter hierover vragen gesteld. Toen is namens NS verklaard dat zij na ontvangst van het verweerschrift nader onderzoek heeft gedaan en dat daaruit is gebleken dat de anonieme machinist en [verweerder] (samen) niet op 20 of 26 februari 2024 in [plaats 3] waren, maar dat dit op 14 februari 2024 is geweest. NS beschikt namelijk over kaarten waaruit blijkt op welk tijdstip en op welke plaats de betreffende medewerker van NS is geweest. De teammanager van [verweerder] heeft de kaart van de anonieme machinist en van [verweerder] van 14 februari 2024 met elkaar vergeleken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] betwist dat hij op 14 februari 2024 in [plaats 3] is geweest.
4.13
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. Voorop wordt gesteld dat de kaarten waaruit één en ander volgens NS zou moeten blijken niet in de procedure zijn gebracht (NS heeft hierover tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat het te laat was om deze kaarten in de procedure te brengen). Waarom NS over deze data niet heeft gerept in haar spreekaantekeningen (terwijl zij eerder details als tijd en plaats juist relevant vond, zie onder punt 3.13) maar de informatie eerst op vragen van de kantonrechter heeft verstrekt, heeft NS niet nader toegelicht. Gelet op het ontbreken van onderbouwing van de alternatieve data, en op de ontkenning van [verweerder] , heeft NS vooralsnog onvoldoende aangetoond dat de anonieme machinist en [verweerder] op 14 februari 2024 (samen) in [plaats 3] zijn geweest, dat [verweerder] toen “de taser” (bedoeld zal zijn het stroomstootwapen) aan de anonieme machinist tijdens de pauze heeft laten zien, en dus dat daaruit zou volgen dat [verweerder] het stroomstootapparaat al eerder bij zich had tijdens diensten, en dus niet alleen op 16 maart 2024 tijdens het incident. Zou komen vast te staan dat de anonieme machinist gezegd heeft dat hij het stroomstootwapen in februari 2024 al gezien heeft, dus enkele weken voor het incident op 16 maart, dan zou dat element in de richting kunnen wijzen dat [verweerder] vaker, en dus al langere tijd, het stroomstootwapen bij zich had tijdens diensten. Deze mogelijke aanwijzing en dus de anonieme verklaring (waarin relevante details onjuist blijken te zijn) zijn echter op dit moment onvoldoende om te kunnen vaststellen dat [verweerder] het stroomstootwapen al langere tijd bij zich droeg tijdens werk (dus onderdeel 1. zoals hiervoor is verwoord bij 4.8).
Gesprek 18 april 2024
4.14
NS heeft zich verder op het standpunt gesteld dat uit het gesprek van 18 april 2024, waarna op 30 april 2024 een brief (gespreksverslag) is verstuurd, blijkt dat [verweerder] bewust en voor een langere periode het stroomstootwapen met zich heeft gedragen, en dat hij hierover in strijd met de waarheid heeft verklaard. Bij dit gesprek waren namens NS aanwezig [A] en [B] . Ook waren [verweerder] en [C] aanwezig. De belangrijkste passages uit de hiervoor genoemde brief zijn weergegeven bij 3.14. Eén van die passages luidt: “Daarnaast heeft u op 18 april 2024 verklaard dat u het stroomstootwapen vaker hebt meegenomen naar het werk (waaronder naar het verblijf) en tijdens uw diensten.”
4.15
Vast staat dat [verweerder] op de hiervoor aangehaalde zin (en op de brief van 30 april 2024 in het algemeen wat een verslag is van het gesprek van 18 april 2024) niet heeft gereageerd richting NS, in die zin dat hetgeen NS daarin aanvoert niet juist zou zijn. Op 14 mei 2024 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden, en ook toen of daarna heeft [verweerder] niet gereageerd op de stelling dat hij het stroomstootwapen vaker en langere tijd tijdens werk bij zich droeg. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verweerder] over dit gesprek verklaard dat NS toen vooral benieuwd was naar de herkomst van het stroomstootwapen, dat niet besproken is dat hij het stroomstootwapen vaker bij zich had tijdens diensten en dat de gesprekken verder gingen over de kubotan. Bij de mondelinge behandeling heeft [C] hierover verklaard dat het een “typisch slecht nieuws gesprek” was en dat het ging over de kubotan. NS heeft (bij monde van [A] en [B] die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig waren) ten aanzien van het gesprek van 18 april 2024 vastgehouden aan hetgeen in de brief van 30 april 2024 is gezegd.
4.16
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft NS gelet op voorgaande overweging onvoldoende aangetoond dat [verweerder] het stroomstootwapen vaker en al langere tijd met zich droeg tijdens werkdiensten (dus onderdeel 1. zoals hiervoor is verwoord bij 4.8). Ter zitting heeft [A] nader verklaard dat het NS niet (zozeer) gaat om de kubotan en dat het ontbindingsverzoek daar ook niet op is gegrond maar dat het gaat om het stroomstootwapen. Weliswaar is het opvallend te noemen dat [verweerder] niet heeft gereageerd op de aantijgingen die zijn vermeld in de brief van 30 april 2024, maar op dit moment kan aan het “niet reageren” niet automatisch de conclusie worden verbonden dat hetgeen NS stelt dan waar is. Daarvoor is meer nodig, en dat is er op dit moment niet. Indien niet komt vast te staan dat [verweerder] het stroomstootwapen vaker en al langere tijd bij zich droeg tijdens werkdiensten, dan is het (zoals NS het noemt) bewust in strijd met de waarheid verklaren bij het interne onderzoek naar aanleiding van het incident op 16 maart 2024 (dus onderdeel 2. zoals hiervoor is verwoord bij 4.8) niet meer aan de orde. Het tweede onderdeel vloeit immers voort uit het komen vast staan van het eerste onderdeel wat NS aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd. Met andere woorden: onderdeel 2. (bewust in strijd met de waarheid verklaren) is alleen dan relevant als onderdeel 1. (het stroomstootwapen vaker en al langere tijd bij zich dragen tijdens werkdiensten) zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.