Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-06-17
ECLI:NL:RBOBR:2024:2631
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,459 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/1405
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
17 juni 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de minister
(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).
Zitting
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 17 juni 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Laatstgenoemde heeft door middel van een tweezijdige beeld- en geluidverbinding (MS Teams) deelgenomen.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank na een onderbreking voor raadkameroverleg onmiddellijk uitspraak gedaan.
Motivering
1. Eiser heeft op 29 september 2022 verzocht om herziening van het besluit van de minister van 3 augustus 2022 over zijn recht op studiefinanciering. Op 28 mei 2023 heeft eiser beroep ingesteld, omdat de minister nog altijd niet op zijn verzoek had beslist. Met het besluit van 17 juli 2023 heeft de minister dat alsnog gedaan. Op 24 augustus 2023 en 26 september 2023 heeft eiser twee brieven aan de rechtbank gestuurd over de inhoud van dat besluit.
2. De rechtbank heeft – met instemming van partijen – op 28 mei 2024 de twee laatstgenoemde brieven van eiser doorgestuurd aan de minister, zodat die ze in behandeling kan nemen als (aanvullend) bezwaarschrift tegen het besluit van 17 juli 2023. In deze beroepsprocedure is daarom het besluit van 17 juli 2023 niet (meer) aan de orde. Er moet alleen nog uitspraak worden gedaan op het beroep van eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn herzieningsaanvraag.
3. De rechtbank zal dat beroep vanwege het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft namelijk geen belang meer bij de inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Voor dat oordeel is het volgende van belang. Tijdens deze beroepsprocedure heeft de minister met het besluit van 17 juli 2023 alsnog op het herzieningsverzoek van eiser beslist. Met een apart besluit van 13 april 2023 heeft de minister aan eiser de maximale wettelijke dwangsom wegens niet tijdig beslissen toegekend. In zijn verweerschrift van 31 juli 2023 heeft de minister toegezegd het door eiser voor deze procedure betaalde griffierecht (van € 50) te vergoeden. Eiser kan dus niets anders meer bereiken dat voor hem van feitelijke betekenis is.
4. Omdat de minister in beroep alsnog een beslissing heeft genomen op het herzieningsverzoek van eiser, heeft hij in principe recht op een vergoeding van zijn proceskosten voor de beroepsprocedure op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het gaat dan om handelingen die door zijn gemachtigde zijn verricht.
4.1.
Eiser heeft zelf een beroepschrift ingediend, dus daar is geen vergoeding voor mogelijk. Voor zover de brieven van eisers gemachtigde van 24 augustus 2023, 26 september 2023 en 15 maart 2024 op grond van het Bpb al voor vergoeding in aanmerking komen, zijn deze brieven verstuurd na het besluit van 17 juli 2023 en is het aan de minister om daarover een oordeel te vellen in het kader van de bezwaarprocedure tegen dat besluit.
4.2.
Eisers gemachtigde is op de zitting verschenen. Daarvoor wordt in beginsel een vergoeding toegekend. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Bpb daarvan af te zien. De reden daarvoor is dat de rechtbank partijen op 22 december 2023 bij wijze van voorlopig oordeel al heeft laten weten dat eiser geen procesbelang meer bij deze procedure heeft. Eiser heeft daartegen geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht. Daarnaast heeft de rechtbank met haar brief van 22 mei 2024 expliciet laten weten dat op de zitting geen andere zaken dan het beroep wegens niet tijdig beslissen aan de orde kunnen komen. De minister heeft vervolgens aan eiser met een brief van 6 juni 2024 gezegd dat het hem niet duidelijk is wat eiser nog met de zitting wil bereiken, heeft hij gevraagd waarom eiser de procedure voortzet en – zo begrijpt de rechtbank – het aanbod gedaan om nog te kijken naar andere voor eiser spelende zaken. Het behandelen van het beroep op zitting was gelet op deze feiten en omstandigheden niet nodig en louter het gevolg van eisers wens om zaken aan de orde te kunnen stellen die niets te maken hebben met het beroep wegens niet tijdig beslissen.
De rechter deelt mede dat van deze uitspraak een proces-verbaal wordt opgemaakt dat binnen twee weken aan partijen zal worden toegestuurd.
De rechter wijst erop dat partijen het recht hebben om tegen deze uitspraak hoger beroep in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep. Het hoger beroep moet zijn ingesteld binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2024 door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Burg, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Zoals bedoeld in artikel 6:20, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Vgl. Centrale Raad van Beroep 25 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:428, en Centrale Raad van Beroep 1 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1513.