Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-06-19
ECLI:NL:RBOBR:2024:2576
Civiel recht
Bodemzaak
1,826 tokens
Inleiding
RECHTBANK Oost-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/401019 / HA ZA 24-92
Vonnis in incident van 19 juni 2024
in de zaak van
PRO BEWIND B.V., in haar hoedanigheid van (thans) curator van [curandus],
gevestigd in Valkenswaard en kantoorhoudend in Leende,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
verweerster in de incidenten,
hierna te noemen: de curator (vrouwelijk, enkelvoud),
advocaat: mr. M.L.J.A. de Vocht,
tegen
[gedaagde]
,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde,
eiser in reconventie,
eiser in de incidenten
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. J.J.T. van Stiphout.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- de akte overlegging producties van de curator, met producties 1 t/m 26,
- de conclusie van antwoord van [gedaagde] tevens houdende eis in reconventie, tevens verzoek om voorlopige voorziening voor de duur van het geding, tevens houdende verzoek om voorlopig getuigenverhoor, met producties 1 en 2,
- de akte uitlaten voorlopig getuigenverhoor van de curator, met productie 27,
- de akte uitlaten mondelinge behandeling voorlopig getuigenverhoor van de curator,
- de akte van [gedaagde] ,
- de conclusie van antwoord in het incident van de curator, met producties 28 en 29,
- de akte uitlaten producties 28 en 29 van [gedaagde] ,
- de conclusie van antwoord in reconventie van de curator, met productie 30.
1.2.
Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
Beoordeling
De zaak in het kort
2.1.
[gedaagde] heeft tot voor kort op het landgoed van [curandus] (hierna: [curandus] ), geboren in 1928, gewoond. Daarbij heeft hij ook vermogen(sbestanddelen) van [curandus] (mede) beheerd. Inmiddels is de curator tot curator van [curandus] benoemd.
2.2.
Volgens de curator heeft [gedaagde] kort gezegd onrechtmatig gehandeld jegens [curandus] doordat hij met het vermogen van [curandus] uitgaven heeft gedaan die niet in het belang van [curandus] zijn en zijn bedragen uit het vermogen van [curandus] onverschuldigd betaald aan [gedaagde] .
De hoofdzaak in conventie gaat, kort gezegd, over de vragen of sprake is van onrechtmatig handelen / onverschuldigde betaling en, zo ja, welk bedrag [gedaagde] gehouden is te vergoeden / betalen. De curator vordert in ieder geval betaling van € 161.503,92 en € 364.000,-.
2.3.
De zaak in reconventie gaat over het volgende. [curandus] woont inmiddels in een verpleeghuis. Het verpleeghuis heeft verhinderd dat [gedaagde] contact heeft met [curandus] . In reconventie vordert [gedaagde] , kort gezegd, dat het hem wordt toegestaan contact te hebben met [curandus] en dat de curator het verpleeghuis zodanig instrueert.
2.4.
[gedaagde] heeft twee vorderingen in incident ingesteld. Deze worden hierna behandeld.
De vordering in incident tot het toestaan van contact met [curandus]
2.5.
[gedaagde] vordert, kort gezegd, de curator bij wijze van voorlopige voorziening te gebieden (1) toe te staan dat hij ( [gedaagde] ) contact heeft met [curandus] en (2) het verpleeghuis zodanig te instrueren.
2.6.
Deze vordering is niet toewijsbaar op grond van het volgende. Voorwaarde voor toewijzing van een dergelijke vordering is dat de eiser (in dit geval [gedaagde] ) een zodanig belang bij de vordering heeft dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. [gedaagde] heeft in dat kader onvoldoende gesteld. Hij heeft gesteld dat hij veel verdriet heeft van het feit dat hij geen contact heeft met [curandus] . Dat [gedaagde] veel verdriet heeft betekent (afgezien van het feit dat hieraan verder geen handen en voeten is gegeven) nog niet dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemzaak afwacht. [gedaagde] heeft niet toegelicht waarom hij nu, en niet na afloop van de bodemzaak, contact moet kunnen hebben met [curandus] . Daarbij komt dat de curator heeft aangegeven dat zij zal blijven beoordelen of contact op een nader moment in de rede ligt.
De vordering in incident tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor
2.7.
[gedaagde] vordert een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, waarbij als getuigen worden gehoord: [curandus] , hijzelf en twee voormalige echtgenotes. Doel hiervan is, aldus de vordering, om te bewijzen dat een testament op een door hem betoogde wijze moet worden uitgelegd en dat hij voor de boerderij van [curandus] heeft gezorgd in ruil voor het voldoen van kosten van [gedaagde] door [curandus] .
2.8.
De rechtbank overweegt als volgt. In de hoofdzaak zal de zaak naar de rol worden verwezen voor het bepalen van een mondelinge behandeling. Vervolgens is het ter beoordeling van de rechter in de hoofdzaak of en zo ja door wie er bewijs geleverd moet worden. Gelet op het vorenstaande is het bewijsaanbod met de daaraan gekoppelde incidentele vordering prematuur en wordt die afgewezen.
De proceskosten
2.9.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de incidenten worden veroordeeld (inclusief nakosten). De proceskosten van de curator worden begroot op € 792,-, bestaande uit € 614,- aan salaris advocaat (1,0 punt x tarief II) en € 178,- aan nakosten, plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.
2.10.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in de incidenten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Beoordeling
in de incidenten
3.1.
wijst de vorderingen van [gedaagde] af,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de incidenten, aan de zijde van de curator begroot op € 792,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten in het incident als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart de onderdelen 3.2. en 3.3. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 juli 2024 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een mondelinge behandeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2024.