Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-04-17
ECLI:NL:RBOBR:2024:1571
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,127 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Team strafrecht
Parketnummer ontneming: 01.993220.19
Datum uitspraak: 17 april 2024
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] [1968],
wonende te [woonadres].
Het onderzoek van de zaak
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 104.882,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 maart 2024.
Beoordeling
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat aan betrokkene de verplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden opgelegd, met dien verstande dat het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld op een bedrag van € 95.158,00.
De omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gebaseerd op een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict van 26 juli 2022 (hierna: ontnemingsrapport). Op grond van hetgeen ter zitting is besproken, heeft de officier van justitie het in het ontnemingsrapport berekende bedrag van het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel verminderd tot het bedrag zoals hiervoor genoemd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, omdat het Openbaar Ministerie niet aannemelijk heeft gemaakt dan wel genoegzaam heeft onderbouwd dat betrokkene enig concreet voordeel heeft genoten. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering, gelet op het door haar bepleitte standpunt dat betrokkene dient te worden vrijgesproken van feit 2 op de tenlastelegging in de hoofdzaak.
Beoordeling
De vordering is tijdig ingediend.
Uit het requisitoir en het ontnemingsrapport blijkt dat de officier van justitie ervan uitgaat dat betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten uit de handel in de pre-precursoren APAA en/of MAPA die in verband kunnen worden gebracht met de productie van metamfetamine. De berekening van dat wederrechtelijk verkregen voordeel heeft de officier van justitie gebaseerd op de drie zendingen van pre-precursoren zoals genoemd in feit 2 op de tenlastelegging in de hoofdzaak tegen betrokkene.
Bij vonnis van vandaag is betrokkene echter vrijgesproken van de verdenking dat hij betrokken was bij het vervoeren, opslaan en/of voorhanden hebben van de hiervoor genoemde pre-precursoren. Van een strafbaar feit waarvoor betrokkene is veroordeeld en waaruit hij voordeel heeft genoten, zoals gesteld door de officier van justitie, is daarmee geen sprake.
Wel heeft de rechtbank in de hoofdzaak bewezen verklaard dat betrokkene zich in de periode van 14 augustus 2019 tot en met 15 augustus 2019 als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de (verlengde) invoer en het aanwezig hebben van 72 pakketten, ieder van ongeveer 1240 gram (bruto), met cocaïne. Er zijn echter onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat betrokkene voordeel heeft genoten uit dit strafbare feit. Daarnaast is het volgens vaste rechtspraak uitgesloten om het feit waarvan is vrijgesproken – feit 2 in de hoofdzaak – alsnog als een ‘ander strafbaar feit’ (zoals bedoeld in lid 2 van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht) op te vatten bij de schatting en vaststelling van het ontnemingsbedrag.
De vordering tot oplegging aan betrokkene tot betaling aan de Staat van wederrechtelijk verkregen voordeel zal daarom worden afgewezen.
DE UITSPRAAK
De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie af.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,
mr. C.M. Zandbergen en mr. W.M.T. Keukens, leden,
in tegenwoordigheid van mr. R.F.G. St. Jago, griffier,
en is uitgesproken op 17 april 2024.