Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2024-04-08
ECLI:NL:RBOBR:2024:1458
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
1,288 tokens
Inleiding
uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer dagvaarding: 13.017330.23V.I.zaaknummer: 99.000660.58
Uitspraakdatum: 8 april 2024
Dictum
Bij onherroepelijk geworden vonnissen van de rechtbank in België op 12 januari 2016, 29 februari 2016, 11 december 2017, 15 juni 2018 en 16 april 2019 is
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1983] ,
wonende te [adres]
thans gedetineerd te penitentiaire inrichting Nieuwegein,
veroordeeld tot een gevangenisstraf van in totaal 2145 dagen. Deze veroordelingen zijn in Nederland erkend op 10 januari 2023. Veroordeelde is op 19 januari 2023 overgebracht naar Nederland voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraffen.
Veroordeelde zou, gelet op de artikelen 15 en 15a van het Wetboek van Strafrecht, op 10 februari 2025 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld.
De vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 13 februari 2024 strekt ertoe dat de rechtbank deze voorwaardelijke invrijheidstelling met een termijn van 365 dagen uitstelt.
Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in zijn vordering.
De behandeling ter terechtzittingHet onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 25 maart 2024.
De veroordeelde is ter terechtzitting verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. S.A.C. de Ridder, advocate te ’s-Hertogenbosch.
Veroordeelde en de raadsvrouw hebben het woord gevoerd en, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Veroordeelde heeft zich niet gemeld bij de penitentiaire inrichting toen zijn verlof ten einde liep en hij heeft zijn enkelband doorgeknipt en weggegooid in een ondergrondse container. Veroordeelde heeft zich bedreigd gevoeld in de penitentiaire inrichting. Door weg te blijven na zijn verlof hoopte hij een overplaatsing naar een andere penitentiaire inrichting te kunnen bewerkstelligen. Veroordeelde heeft zichzelf bij de politie gemeld. Veroordeelde heeft last gehad van stemmen. Hij begon zich de laatste periode in detentie steeds slechter te voelen. Dit wordt bevestigd in medische stukken die door de raadsvrouw zijn overgelegd. De raadsvrouw heeft gelet op deze omstandigheden verzocht om de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet toe te wijzen. Subsidiair heeft zij verzocht om de voorwaardelijke invrijheidstelling met een periode van twee maanden uit te stellen.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de schriftelijke vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling en het volgende aangevoerd. Veroordeelde heeft zich onttrokken aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf en ook heeft veroordeelde tijdens de arbeid op 11 juli 2023 een medegedetineerde uitgescholden. Veroordeelde heeft zich dan ook niet correct gedragen tijdens de detentie.
Beoordeling
Over de duur van het uitstel overweegt de rechtbank het volgende. Het zwaartepunt van het niet ‘correcte’ gedrag van veroordeelde ligt bij de onttrekking aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. De rechtbank acht het van belang dat er van het uitstel een signaal uitgaat dat onttrekking aan de tenuitvoerlegging niet zonder consequenties blijft. Wanneer veroordeelde zich in de penitentiaire inrichting bedreigd voelt, zal veroordeelde dat moeten aankaarten binnen de penitentiaire inrichting. Onttrekking aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf mag voor veroordeelde niet voelen als een reële oplossing.
De gevorderde 365 dagen acht de rechtbank echter niet passend bij de omstandigheden van dit geval. Veroordeelde en zijn raadsvrouw hebben voldoende onderbouwd dat veroordeelde kampt met psychische problemen en dat sprake is geweest van een oorzakelijk verband tussen deze problemen en de onttrekking. Veroordeelde heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij tijdens de laatste periode voorafgaand aan de onttrekking last had van stemmen waardoor hij zich bedreigd voelde en dat het vanwege het gevoel van dreiging is geweest dat hij zich aan de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf heeft onttrokken. De onttrekking heeft vervolgens een betrekkelijk korte periode geduurd en veroordeelde heeft zichzelf aangegeven bij de politie.
Gelet op deze specifieke omstandigheden acht de rechtbank een uitstel voor de duur van 2 maanden passend. De rechtbank zal de vordering tot die termijn toewijzen.
Toepasselijke wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op artikelen 9, 10, 15, 15c, 15e, 15i, 15j en 15g van het Wetboek van Strafrecht.
Dictum
De rechtbank:
wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling voor de duur van 2 maanden toe.
Deze beslissing is genomen door:
mr. S.A.E.M. Rampaart, voorzitter,
mr. A.C. Palmboom en mr. O.Y. Ifzaren, leden,
in tegenwoordigheid van L.A.P.H. Kirkels, griffier,
en is in het openbaar uitgesproken op 8 april 2024.