Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-11-10
ECLI:NL:RBOBR:2023:5324
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
2,628 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 23/2644
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] B.V., uit [woonplaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant, het college
(gemachtigde: C.H. van de Ven).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel: Stichting Brabantse Milieufederatie, te Tilburg, Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., te Nijmegen en Vereniging Leefmilieu, te Nijmegen, (gemachtigde: mr. V. Wösten).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een bouwstop gecombineerd met een last onder dwangsom (het bestreden besluit) vanwege het zonder natuurvergunning realiseren van een varkensstal. Het college heeft de last opgelegd met het besluit van 29 september 2023.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 7 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [naam] namens verzoekster en de gemachtigde van het college. De gemachtigde van de derde-partijen heeft online deelgenomen.
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt hij aan de hand van de argumenten die verzoekster heeft aangevoerd, de zogenoemde gronden.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.
Verzoekster wil op haar varkenshouderij op het adres [adres] (aan de zijde van de spoorbaan) in [woonplaats] , kadastraal bekend als de gemeente Oisterwijk, [nummer] - kort gezegd - enkele oude stallen slopen en nieuwe stalruimtes realiseren. Verzoekster wil deze varkenshouderij gaan uitbreiden en wil daarin 4.838 vleesvarkens, 1.710 zeugen, 6 beren en 11.416 biggen (totaal 17.790 varkens) onderbrengen. Alle stallen worden aangesloten op de biologische combiluchtwassers van de stallen 7 en 13.
In de nabijheid van het bedrijf ligt het Natura 2000-gebied ‘Kampina & Oisterwijkse vennen’. Voor het bedrijf is op 26 maart 2014 een natuurvergunning verleend.
Het college van burgemeester en wethouder van de gemeente Oisterwijk (B&W) heeft voor het project op 14 maart 2023 op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen”, “planologische afwijking van het bestemmingsplan” en “milieu”. Enkele van de derde-partijen hebben hiertegen beroep ingediend en een verzoek om voorlopig voorziening ingediend bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, dat geregistreerd is onder nummer BRE 23/9749. Het verzoek om voorlopige voorziening is aangehouden in afwachting van deze uitspraak.
Oorspronkelijk heeft verzoekster bij de aanvraag om de omgevingsvergunning ook verzocht om toestemming voor de natura 2000activiteit (als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder i, van de Wabo in samenhang met artikel 2.2aa van het Besluit omgevingsrecht). B&W heeft het college verzocht om een verklaring van geen bedenkingen. Het college heeft geweigerd een verklaring van geen bedenkingen af te geven, waarna verzoekster haar aanvraag om omgevingsvergunning heeft gewijzigd en het verzoek om toestemming voor de natura 2000 activiteit heeft ingetrokken.
Op 23 januari 2023 heeft verzoekster bij het college een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming (Wnb) ingediend. In zijn brief van 28 maart 2023 heeft het college verzoekster laten weten dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de gevraagde stalsystemen voldoende emissies reduceren. Het college heeft nog niet beslist op de aanvraag.
Verzoekster is begonnen met het bouwen van de nieuwe stallen. Hiertoe is een betonvloer gestort (de vloer van de mestkelder). Daarna is de bouw stilgelegd.
In de bestaande stallen worden dieren gehouden.
4.1
Verzoekster heeft, kort samengevat, aangevoerd dat zij geen natuurvergunning nodig heeft. De bouw en verdere realisatie van de wijziging van het bedrijf zoals dat is vergund in de omgevingsvergunning van 14 maart 2023 zal leiden tot een daling van de ammoniakemissie en een daling van de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000- gebied ten opzichte van de referentiesituatie, de natuurvergunning van 26 maart 2014. In dit verband wijst verzoekster ook op de voorschriften bij de omgevingsvergunning van 14 maart 2023. Zij benadrukt dat de daling van de ammoniakemissie niet volledig wordt benut om meer dieren te houden maar dat een marge van 21,8% wordt ingebouwd.
4.2
Volgens het college is onvoldoende zeker dat de biologische combiluchtwassers ammoniakemissie reduceren met de factor die wordt genoemd in bijlage 1 van de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav). Daarom kunnen significante gevolgen op het nabijgelegen Natura 2000-gebied niet worden uitgesloten. Het college verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2023.
4.3
De voorzieningenrechter overweegt dat de rechtbank Oost-Brabant al enkele keren een uitspraak heeft gedaan over de vraag of het college voor wat betreft de prestaties van de biologische combiluchtwassers kan volstaan met een verwijzing naar de emissiefactor in bijlage 1 van de Rav. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van 24 mei 2022 en de door het college genoemde uitspraak van de Afdeling. Uit deze uitspraken volgt dat onvoldoende zeker is dat de biologische combiluchtwasser de ammoniakemissie zal reduceren met de factor in bijlage 1 van de Rav. Dan kan er meer ammoniakemissie optreden dan in de uitgangssituatie en dat kan leiden tot meer stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000 gebied. Significante gevolgen zijn dan niet uitgesloten en daarom is een natuurvergunning noodzakelijk met een passende beoordeling. Bij deze passende beoordeling mogen beschermingsmaatregelen worden betrokken die noodzakelijk zijn om de zekerheid over de prestaties van de biologische combiluchtwasser wel te verkrijgen en die kunnen worden vastgelegd in de te verlenen natuurvergunning.
Veel van de mogelijke beschermingsmaatregelen staan in onderzoeken van de Rijksuniversiteit Wageningen. De oplossingen die worden aangedragen in het WUR-rapport van november 2021 zijn (nog) niet vastgelegd in wet- en regelgeving of in de beschrijvingen (leaflets) van de systemen. Naleving van het Activiteitenbesluit milieubeheer of installatie van de systemen conform de leaflet betekent niet dat de beoogde ammoniakemissiereductie daadwerkelijk wordt behaald en ook in de toekomst behaald zal worden. Als mogelijke beschermingsmaatregelen, worden in de rechtbank-uitspraak genoemd een voorafgaande bouwcontrole van de stal door het college waarbij aanwijzingen kunnen worden gegeven voor de plaatsing van pH sensoren overeenkomstig de aanbevelingen van de WUR, ammoniakrendementsmetingen en een automatische alarmering. De voorzieningenrechter stel vast dat voorschrift 5.20 van de omgevingsvergunning van 14 maart 2023 niet voorziet in het treffen van alle oplossingen. Zo ontbreekt een bouwcontrole (met controle op de plaatsing van pH sensoren). De voorzieningenrechter is van oordeel dat met naleving van dit voorschrift nog steeds niet op voorhand significante gevolgen kunnen worden uitgesloten. Daarnaast vindt de voorzieningenrechter het belangrijk dat het college zich een eigen oordeel vormt over de getroffen maatregelen en de verdere noodzakelijke beschermingsmaatregelen die kunnen worden betrokken bij de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan de verlening van een benodigde natuurvergunning. Er is dus nog steeds een natuurvergunning nodig voor het bouwen en gebruiken van de stal waarin de benodigde beschermingsmaatregelen worden geborgd. Die is er niet. Verzoekster handelt daarom in strijd met artikel 2.7 van de Wnb door de stal zonder natuurvergunning te bouwen. De door verzoekster gehanteerde veiligheidsmarge leidt niet tot een ander oordeel.
4.4
Er is wel een aanvraag voor een natuurvergunning. Op dit moment heeft het college de aanvraag voor de natuurvergunning nog niet inhoudelijk beoordeeld. Ook is nog niet bekend of de aanvraag wel ontvankelijk is en kan worden ingewilligd. Volgens de voorzieningenrechter is er dus nog geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het handhavingsbesluit van het college niet onredelijk of onevenredig.
Conclusie
7 De voorzieningenrechter concludeert dat het college terecht stelt dat er sprake is van een overtreding. Er is nu geen concreet zicht op legalisatie. Handhavend optreden onder deze omstandigheden is niet onevenredig. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 november 2023 door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
ECLI:NL:RVS:2023:3699
ECLI:NL:RBOBR:2022:2090