Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2023-06-26
ECLI:NL:RBOBR:2023:3092
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
5,579 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBOBR:2023:3092 text/xml public 2026-03-24T12:45:01 2023-06-23 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Oost-Brabant 2023-06-26 22/33 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL 's-Hertogenbosch Bestuursrecht; Omgevingsrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2023:3092 text/html public 2026-03-24T12:39:01 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBOBR:2023:3092 Rechtbank Oost-Brabant , 26-06-2023 / 22/33 Beroep tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen reclameobjecten ongegrond. RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 22/33 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2023 in de zaak tussen [eiseres] , uit [vestigingsplaats] , [eiseres] (gemachtigden: mr. D.S.P. Roelands-Fransen en mr. J. Zweers), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven (gemachtigde: mr. M.L.M. Lammerschop). Inleiding 1.1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiseres] tegen de weigering van een omgevingsvergunning voor het plaatsen van reclameobjecten aan de [adres] in [plaats] . 1.2 Het college heeft de aanvraag voor de vergunning met het besluit van 15 juni 2021 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 november 2021 op het bezwaar van [eiseres] is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. 1.3 Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.4 De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van [eiseres] en de gemachtigde van het college. Beoordeling door de rechtbank 2.1 De rechtbank beoordeelt of het college de weigering van een omgevingsvergunning voor reclameobjecten in stand heeft kunnen gelaten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiseres] . 2.2 De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is . Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak. 3. De rechtbank gaat uit van het volgende. [eiseres] huurt het pand aan de [adres] te [plaats] (het perceel) en gebruikt dit sinds 1 april 2021 voor bedrijfsactiviteiten. Op deze locatie heeft bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” betrekking (het bestemmingsplan 2007). Dit bestemmingsplan gold ten tijde van het bestreden besluit. Op 4 april 2022 is bestemmingsplan “Kapelbeemd – GDC – Zuid 2021” vastgesteld (het bestemmingsplan 2021). Het bestemmingsplan 2021 is na het bestreden besluit in werking getreden. In het bestemmingsplan 2007 rust op het perceel de bestemming ‘Bedrijfsdoeleinden I’. Artikel 3 van dit bestemmingsplan bepaalt dat het perceel bestemd is voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de "lijst van Bedrijfsactiviteiten." Niet in geschil is dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] op deze locatie onder een lagere milieucategorie vallen dan daar is voorgeschreven. Tussen partijen is niet in geschil dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] in strijd zijn met artikel 3 van het bestemmingsplan 2007. Het college wenst geen strijdig gebruik toe te staan voor het door [eiseres] aangevraagde gebruik en heeft de aanvraag daarom afgewezen. Had het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 buiten toepassing moeten laten? 4.1 [eiseres] stelt dat het college artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 bij de beoordeling van de aanvraag buiten toepassing had moeten laten. Daartoe voert [eiseres] als eerste aan dat deze planregel evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro). Verder vindt [eiseres] de planregel evident in strijd met de Richtlijn 2016/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn). 4.2 Het college stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van evidente strijd met hogere regelgeving. Naast dat het college betwist dat er enige strijd is met de genoemde rechtsnormen, betoogt het college dat er in elk geval geen sprake kan zijn van evidente strijd. Dit zou namelijk betekenen dat de rechtbank zonder nader onderzoek moet kunnen vaststellen dat een dergelijke strijd zich voordoet. Volgens het college is dit niet het geval en hoeft hij artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 daarom niet buiten toepassing te laten. 4.3 Volgens een vaste lijn in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit omtrent de verlening van een omgevingsvergunning de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Als in een procedure over een vergunning wordt aangevoerd dat de bestemmingsregeling in strijd is met een hogere regeling, de algemene rechtsbeginselen of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, dient de bestemmingsregeling slechts onverbindend te worden geacht of buiten toepassing te worden gelaten indien die strijd evident is. Bij strijd met hogere regelgeving is voor evidentie onder meer vereist dat die regeling zo concreet is dat deze zich voor toetsing daaraan bij wijze van exceptie leent. De rechtbank dient dan zonder nader onderzoek in te stellen te kunnen vaststellen dat een planregel in strijd is met een hogere rechtsnorm. 5.1 Ten aanzien van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro stelt [eiseres] , samengevat, dat de planregel niet noodzakelijk is ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, althans dat een dergelijke noodzaak niet afdoende in het bestemmingsplan is onderbouwd. Het is volgens [eiseres] niet begrijpelijk waarom een goede ruimtelijke ordening zich verzet tegen het vestigen van bedrijven met een minder zware milieucategorie op het betreffende perceel. 5.2 Het college voert aan dat een zonering op het bedrijventerrein, zoals volgt uit het bestemmingsplan 2007 en de toepasselijke planregels, wel degelijk bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening. Dit maakt een efficiënt ruimtegebruik mogelijk en zorgt voor de nodige afstand tussen bedrijven in zwaardere milieucategorieën enerzijds en woningen en andere gevoelige bebouwing anderzijds. Door percelen alleen te laten gebruiken door bedrijven uit categorie 3 en 4 wordt geborgd dat voor deze bedrijven voldoende vestigingsmogelijkheden beschikbaar blijven. 5.3 De rechtbank komt tot het oordeel dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 niet evident in strijd is met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro. Uit dit artikel 3, in samenhang gelezen met paragraaf 3.2 Bedrijvigheid uit de toelichting op het bestemmingsplan, valt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk af te leiden wat de ratio achter de beperking in de planregel is en hoe de gemeente Eindhoven daarmee een goede ruimtelijke ordening nastreeft. Voor de stelling dat deze planregel niet, of kenbaar ontoereikend, is gemotiveerd, ziet de rechtbank geen grond. Hierdoor kan geen sprake zijn van evidente strijd met artikel 3.1, eerste lid, van de Wro en zal de rechtbank de overige argumenten hierover onbesproken laten. 6.1 [eiseres] stelt dat sprake is van evidente strijd met de Dienstenrichtlijn. Volgens [eiseres] is geheel niet gemotiveerd waarom artikel 3 van het bestemmingsplan 2007 voldoet aan de vereisten in artikel 15, derde lid van de Dienstenrichtlijn, in het bijzonder het vereiste van noodzakelijkheid en evenredigheid. 6.2 Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 februari 2020, ligt het in een gerechtelijke procedure als deze op de weg van degene die een beroep doet op de Dienstenrichtlijn om te beargumenteren dat sprake is van een eis die een beperking oplevert. Het ligt op de weg van het college om bij de beslissing over het verlenen van een omgevingsvergunning te onderbouwen dat die eis in overeenstemming is met de Dienstenrichtlijn.
Volledig
Het is dus aan het college om te onderbouwen waarom de in het plan neergelegde beperkingen gerechtvaardigd zijn in het licht van de daaraan in de Dienstenrichtlijn gestelde eisen. Daarbij kan het college verwijzen naar de toelichting bij een bestemmingsplan, maar kan het ook, als een dergelijke toelichting ontbreekt, een nadere onderbouwing geven voor de in de planregels opgenomen beperking. 6.3 Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat artikel 3 van het bestemmingsplan 2007, vanwege de beperking die daaruit voor [eiseres] voortvloeit, heeft te gelden als een eis in de zin van de Dienstrichtlijn, is de rechtbank van oordeel dat het college de beperkende planregel wel heeft toegelicht en de beperking heeft gemotiveerd in de toelichting op het bestemmingsplan. Het college heeft in het bestreden besluit en tijdens de beroepsprocedure nog een nadere toelichting gegeven. Het college is daarbij ook ingegaan op de noodzakelijkheid en evenredigheid van de beperkende planregel. 6.4 Wat betreft de voorwaarde van noodzakelijkheid gaat het om de vraag of de eis gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Uit artikel 4, aanhef en onder 8, van de Dienstenrichtlijn volgt dat hiervan sprake kan zijn als een eis wordt gesteld met het oog op de bescherming van het milieu en het stedelijk milieu. Uit overweging 40 van de preambule blijkt dat hier ook stedelijke en rurale ruimtelijke ordening onder valt. De toelichting van het college is al samengevat onder 5.2 weergegeven en naar het oordeel van de rechtbank volstaat deze toelichting om de noodzakelijkheid van de beperking te rechtvaardigen. 6.5 Wat betreft de voorwaarde van evenredigheid gaat het erom dat de eis niet verder mag gaan dan nodig is om het nagestreefde doel te bereiken en dat het doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. Het college streeft een bepaalde verdeling van bedrijven over een bedrijventerrein na. Dit is vastgelegd in het bestemmingsplan door met zones gebaseerd op milieucategorieën te werken. De rechtbank ziet niet waarom deze zonering verder zou gaan dan hier nodig is, of hoe de gewenste verdeling met minder beperkende maatregelen kan worden bereikt. 6.6 Gelet op voorgaande overwegingen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de beperking dat bedrijven zich op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht slechts op percelen mogen vestigen met de juiste milieucategorie, ook om vestigingsmogelijkheden voor bedrijven in een zwaardere milieucategorie te behouden, evident niet gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Dat betekent dat alleen al daarom geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze planregeling evident in strijd is met de Dienstenrichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had het college de omgevingsvergunning moeten verlenen omdat er geen sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening? 7.1 [eiseres] stelt dat zijn bedrijfsactiviteiten op deze locatie niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. [eiseres] meent dat, anders dan wat het college hierover stelt, uit de Bedrijventerreinnota Eindhoven, Brainport, november 2015 (de Bedrijventerreinnota) volgt dat de activiteiten van [eiseres] wel goed passen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Volgens [eiseres] volgt uit de typering als modern gemengd bedrijventerrein en het gegeven dat er op deze locatie ruimte is voor verkleuring (een toename van andere -stedelijke- functies) dat het college niet afdoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daarom heeft het college de omgevingsvergunning niet mogen weigeren. 7.2 Het college betoogt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel degelijk in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Volgens het college is het van belang om ruimte beschikbaar te houden voor bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 en zou een vergunningverlening aan [eiseres] hier afbreuk aan doen. Daarnaast handhaaft het college het standpunt dat het toestaan van [eiseres] op deze locatie voor beperkingen kan zorgen ten aanzien van andere bedrijven die wel tot een zwaardere milieucategorie behoren. Tot slot weerspreekt het college dat uit de Bedrijventerreinnota volgt dat de bedrijfsactiviteiten van [eiseres] wel goed passen op Kapelbeemd Acht. 7.3 Uit artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo volgt dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan alleen kan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. 7.4 De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen toepassing te geven aan de mogelijkheid tot een buitenplanse afwijking op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, in samenhang met artikel 4, derde, vierde en negende lid van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. Ten eerste acht de rechtbank het beleid van het college gericht op zonering binnen het bedrijventerrein Kapelbeemd Acht niet onredelijk. Het college mag belang hechten aan een efficiënte indeling van het bedrijventerrein, waarbij zowel aandacht is voor afstand tot gevoelige objecten als voor voldoende ruimte voor bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4. De rechtbank kan hierbij volgen dat aan het belang van de aanvraag van [eiseres] minder gewicht wordt toegekend. Anders dan [eiseres] ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het standpunt dat dit beleid niet overeenkomt met het gestelde in de Bedrijventerreinnota. Zo volgt uit de classificatie modern gemengd en de mogelijkheden tot verkleuring niet dat de gehanteerde zonering niet in redelijkheid kan worden nagestreefd. Uit de passages over zware bedrijvigheid en conserverend beleid volgt volgens de rechtbank niet dat er geen mogelijkheden zijn voor nieuwe bedrijven uit milieucategorieën 3 en 4 om zich te vestigen op Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht. Er wordt juist met nadruk aandacht gevraagd voor dergelijke bedrijven en het college wordt opgeroepen hier actief beleid op te voeren. De rechtbank ziet in de Bedrijventerreinnota daarom eerder een onderschrijving van het beleid van het college op bedrijventerrein Kapelbeemd Acht, dan van strijd hiermee. De beroepsgrond slaagt niet. 7.5 [eiseres] voert in dit kader verder aan dat het college het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 ten onrechte als toetsingskader heeft gebruikt voor de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank kan het verweer van het college op dit punt volgen dat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 niet als toetsingskader is gehanteerd maar is meegenomen bij de belangenafweging over een goede ruimtelijke ordening en het eventueel toestaan van verkleuring. De rechtbank is van oordeel dat het college dit in redelijkheid op deze wijze heeft mogen meewegen, omdat het (ontwerp) bestemmingsplan 2021 een indicatie geeft welke plannen de gemeente in de nabije toekomst met het bedrijventerrein heeft. De beroepsgrond slaagt niet. 7.6 Ter zitting bleken [eiseres] en het college van opvatting te verschillen tot welke milieucategorie de drukkerij behoorde die voorheen op het perceel gevestigd was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de uitkomst hiervan niet tot een ander resultaat leiden. De kwestie heeft namelijk geen relevante invloed op de vraag of hier sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. [eiseres] krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.S. Badri, rechter, in aanwezigheid van mr.
Volledig
A.G.M. Willems, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2023. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Wet ruimtelijke ordening Artikel 3.1 1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer Bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied. […] Bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” Artikel 3 Bedrijfsdoeleinden I 3.1 Bestemmingsomschrijving De op de plankaart voor bedrijfsdoeleinden I aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven behorende tot de categorieën 3 en 4 zoals genoemd in de "lijst van bedrijfsactiviteiten" met uitzondering van geluidszoneringsplichtige inrichtingen en met inbegrip van risicovolle inrichtingen, uitsluitend voorzover bestaand; b. bedrijven behorende tot de categorieën 1, 2 en 5, uitsluitend voorzover bestaand; c. kantooractiviteiten voorzover ondergeschikt aan de bedrijven vermeld onder a en b; d. productiegebonden detailhandel deel uitmakende van bedrijven vermeld onder a en b,, met uitzondering van detailhandel in voedings – en genotmiddelen; met de daarbijbehorende: e. tuinen, erven en terreinen; f. parkeervoorzieningen; g. groenvoorzieningen; h. wegen, straten en paden; i. water; j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; k. voorzieningen van openbaar nut. […] 3.4 Gebruiksvoorschriften 3.4.1. Gebruiksverbod Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met deze bestemming. 3.4.2. Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, zoals vermeld in lid 3.4.1 wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van bedrijfsgebouwen voor bewoning; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan vermeld in lid 3.1 sub d; c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting. 3.4.3. Vrijstellingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3.4.1, en: a. tevens bedrijven toestaan, die niet voorkomen in de "lijst van bedrijfsactiviteiten" of op grond van deze lijst jo. deze voorschriften niet zijn toegestaan doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die zijn genoemd in "lijst van bedrijfsactiviteiten" onder de categorieën 3 en 4; b. risicovolle inrichtingen toestaan, mits de PR10 contour van die inrichting valt binnen de eigen perceelsgrens. 3.4.4. Vrijstelling voor meest doelmatig gebruik Burgemeester en wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid 3.4.1 indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd. 3.5 Procedurebepaling Bij het nemen van een beslissing omtrent vrijstelling als vermeld in lid 3.4.3 nemen burgemeester en wethouders de volgende regels in acht: a. het ontwerp-besluit ligt, met bijbehorende stukken, gedurende twee weken ter inzage; b. van de ter inzage legging wordt tevoren in één of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen, of op een andere geschikte wijze kennisgegeven; c. de kennisgeving houdt mededeling in van de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen; d. gedurende de onder a genoemde termijn kunnen belanghebbenden bij het college van burgemeester en wethouders zienswijzen indienen tegen het ontwerp-besluit. 3.6 Strafbepaling Overtreding van het bepaalde in lid 3.4.1 wordt aangemerkt als een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder 2 van de Wet op de economische delicten. Toelichting op bestemmingsplan “Bedrijventerrein Kapelbeemd Acht 2007” Bestemming “Bedrijfsdoeleinden I ” (artikel 3) Deze bestemming is toegekend aan de gronden in het plangebied waar bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorie 3 en 4 als bedoeld in de bij deze voorschriften behorende “Lijst van bedrijfsactiviteiten”. Deze lijst is gebaseerd op de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering”. Bedrijven in de overige categorieën zijn alleen toegestaan voorzover het gaat om bestaande bedrijven. Er kan vrijstelling worden verleend ten behoeve van bedrijven die niet voorkomen op de “Lijst van bedrijfsactiviteiten” doch die naar de aard en de invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met bedrijven die wel zijn genoemd. Bedrijven die ingevolge de Wet geluidhinder geluidszoneringsplichtig zijn, zijn uitgesloten. Ten aanzien van risicovolle bedrijven geldt dat bestaande risicovolle bedrijven zijn toegestaan, nieuwe risicovolle bedrijven zijn middels vrijstelling toegelaten. Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 24 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2440. ECLI:NL:RVS:2020:520 Zie bijvoorbeeld de Afdeling, 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1020, onder 11.6. p. 28, p. 36 en p. 44-45 van de Bedrijventerreinnota.