Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2022-04-15
ECLI:NL:RBOBR:2022:4117
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,422 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
locatie 's-Hertogenbosch
raadkamernummer : 21-015232
Tussenbeslissing van de economische raadkamer (meervoudig) op het beklag ex artikel 552a Wetboek van Strafvordering van:
[klaagster] ,
gevestigd te [adres] .
hierna te noemen: de klaagster.
Inleiding
Het beklag is op 06 oktober 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De economische raadkamer heeft kennisgenomen van een gedeelte van het strafdossier met bovenstaand kenmerk.
De economische raadkamer heeft op 1 april 2022 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
De economische raadkamer heeft de gemachtigde advocaat van de klager, [naam] en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Heropening van het onderzoek
Op 16 augustus 2021 is door opsporingsambtenaren een document aan klaagster overhandigd, genoemd “bevel tot uitlevering van bescheiden en voorwerpen ex artikel 19 van de Wet op de economische delicten”. In dit bevel zijn de volgende voorwerpen en bescheiden gevorderd:
1) Alle vervoersdocumenten en transportdocumenten van deze ladingen,
2) Alle contracten / overeenkomsten met betrokken vervoerder(s)van deze ladingen
3) Alle contracten / overeenkomsten met betrokken verkoper(s) c q handelaar (en) van deze ladingen;
4) Alle contracten / overeenkomsten met betrokken bevrachter(s)van deze ladingen;
5) Alle correspondentie (zoals e-mailverkeer) en documentatie omtrent de vervoerde ladingen
6) Alle facturen en betalingsbewijzen van deze vervoerde ladingen;
7) Alle documentatie omtrent bemonstering en kwaliteitscontroles van deze ladingen-
8) Alle documentatie omtrent werkinstructies betrekking hebben op het lossen c q het laden van wagons en schepen;
9) Alle documentatie omtrent gasmetingen van voor tijdens en na het transport van deze ladingen,
10) Alle documentatie omtrent de wijze (manier) van gassing en gasmetingen inclusief werkinstructies;
11) Alle documentatie omtrent laad en losplaatsen van deze ladingen;
12) Alle documentatie met betrekking tot op- en overslag van deze ladingen;
Naar aanleiding van dit bevel heeft klaagster op 6 september 2021 een aantal bescheiden, voorzien van een wachtwoord, per e-mail aan de politie toegezonden. Vervolgens heeft zij deze beklagprocedure opgestart.
Naar het voorlopig oordeel van de economische raadkamer is sprake geweest van een vordering tot uitlevering van stukken, als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de Economische Delicten (hierna: WED). Dat boven de vordering artikel 19 van de WED staat, maakt deze vordering anders dan klaagster heeft aangegeven naar het oordeel van de rechtbank niet onrechtmatig, nu voldoende kenbaar was wat er van haar werd verwacht.
Dat betekent dat de economische raadkamer in deze tussenbeslissing toekomt aan het volgende punt uit het bezwaarschrift, waarin wordt aangevoerd dat klaagster onder dreiging van een strafrechtelijke sanctie verplicht is gesteld haar medewerking te verlenen terwijl sprake is van een “criminal charge” jegens klaagster én van wilsafhankelijk materiaal. Zij heeft aangevoerd dat het door de politie gewenste materiaal pas na een vorm van actieve bewijsgaring door klaagster kon worden verstrekt, zodat de gegevens als wilsafhankelijk moeten worden aangemerkt, en dat specifiek in de gevorderde correspondentie verklaringen van klaagster besloten liggen.
De officier van justitie erkent dat sprake is van een “criminal charge” en dat niet meewerken aan de vordering een strafbaar feit oplevert ingevolge de WED, maar heeft – kort samengevat – in reactie aangevoerd dat er geen wilsafhankelijk materiaal is gevorderd. Materiaal dat al bestaat is als regel geen wilsafhankelijk materiaal. In dit geval is geen nieuw materiaal gevorderd, zodat geen beroep op nemo tenetur kan worden gedaan.
Na enig beraad na sluiting van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer, is de economische raadkamer van oordeel dat op dit moment ten aanzien van een aantal documenten niet is vast te stellen of deze wilsafhankelijke informatie bevatten. Daarvoor is het volgende van belang.
Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat beslissend voor de vraag of het nemo-teneturbeginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een al dan niet in een document vervatte verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. De Hoge Raad heeft ook aangegeven dat het antwoord op deze vraag afhangt van de aard van de in het document vervatte verklaring, waarbij de omstandigheid dat verdachte de verklaring zelf heeft vervaardigd niet beslissend is (HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL:0666).
De economische raadkamer is – anders dan het Hof Arnhem-Leeuwarden in de door de klaagster aangehaalde uitspraak – voorlopig van oordeel dat het gedwongen afgeven van bij klaagster in het bezit zijnde documenten op zich geen schending van het nemo tenetur beginsel met zich brengt. Als het bestaan van documenten niet van de wil van de betrokkene afhankelijk is en geen sprake is van in een document vervatte verklaringen van de betrokkene, is geen sprake van wilsafhankelijke documenten. Ten aanzien van de gevorderde bescheiden zoals opgesomd onder 1, 2, 3, 4, 6, 7, 8, 9, 10, 11 en 12 in de vordering van 16 augustus 2021 (vervoersdocumenten, contracten, facturen, etc.) is naar het voorlopig oordeel van de economische raadkamer niet afhankelijk van de wil van verdachte. Dit zijn immers bestaande, schriftelijke, documenten, die geen verklaring van klaagster bevatten. Dat klaagster actief heeft moeten zoeken naar deze documenten, maakt dat niet anders.
Dat is anders waar het de gevorderde ‘correspondentie en documentatie’ (punt 5) betreft. De economische raadkamer acht voorstelbaar dat zich in de correspondentie verklaringen van (vertegenwoordigers van) klaagster bevinden die van dien aard zijn, dat het recht van (vertegenwoordigers van) klaagster om tijdens een eventuele strafprocedure te zwijgen in de zittingszaal van haar betekenis zou zijn ontdaan. Voor wat betreft de documentatie is datzelfde voorstelbaar als het gaat om documentatie waarin geen objectieve gegevens zijn opgenomen, maar waarin eveneens verklaringen zijn opgenomen.
De economische raadkamer acht het om die reden van belang dat inzage wordt verkregen in een deel van de door klaagster uitgeleverde documenten aan de politie. Het gaat dan om dát deel van de correspondentie en documentatie (punt 5), waarin sprake is van verklaringen van (vertegenwoordigers van) klaagster die als wilsafhankelijk zouden kunnen worden aangemerkt. Naar het oordeel van de economische raadkamer is de inzage noodzakelijk voor een juiste toetsing van de vraag of het bestaan van deze documenten afhankelijk is van de wil van klaagster en of daarmee de vordering zoals voornoemd een schending zou opleveren van het nemo tenetur beginsel.
De economische raadkamer stelt vast dat als ook het openbaar ministerie deze stukken zou ontvangen, de onderhavige procedure in feite zinloos zou zijn. Om die reden hoeft klaagster deze stukken niet te delen met het openbaar ministerie. Mocht de economische raadkamer tot de beslissing komen dat een deel van de stukken niet kenbaar hoeft te worden gemaakt voor het onderzoeksteam, dan heeft zij vervolgens kennis van meer stukken dan bij het openbaar ministerie bekend zijn.
Dictum
De economische raadkamer:
- heropent de behandeling van de beklagzaak in raadkamer;
- schorst om voormelde redenen de behandeling van het klaagschrift voor onbepaalde tijd;
- draagt op aan de raadsvrouw om (uitsluitend) de naar het standpunt van klaagster wilsafhankelijke documenten in een afgesloten envelop, met daarop “ter attentie van A.C. Palmboom” aan de griffie van deze rechtbank te verstrekken, binnen vier weken na verzenddatum van deze beslissing;
- draagt op aan de raadsvrouw om gelijktijdig een algemene toelichting aan de griffie van deze rechtbank en de officier van justitie te verstrekken, voor zover mogelijk ingaand op de reden waarom de overgelegde documenten wat haar betreft als wilsafhankelijk moeten worden aangemerkt en in ieder geval ingaand op de vraag ten aanzien van verklaringen van welke (natuurlijk) personen aan klaagster een beroep op nemo tenetur toekomt;
- draagt op aan het openbaar ministerie een schriftelijke reactie aan de griffie van deze rechtbank te verstrekken, ingaand op de algemene reactie van klaagster, binnen twee weken na ontvangst van de algemene toelichting van de raadsvrouw;
- beveelt de oproeping tegen het tijdstip van de nadere openbare economische raadkamer van klaagster met kennisgeving aan de raadsvrouw van klaagster.
Deze beslissing is gegeven op 15 april 2022 door de economische raadkamer,
mr. A.C. Palmboom, voorzitter,
mr. B.A.J. Zijlstra en mr. C.M. Salemans, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Polat, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op
mr. A.C. Palmboom en mr. C.M. Salemans zijn buiten staat om deze beslissing mede te ondertekenen.