Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2022-08-23
ECLI:NL:RBOBR:2022:3492
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
3,383 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 22/1811
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 augustus 2022 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam]
[naam]
, uit [woonplaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer),
en
de burgemeester van de gemeente Oss, de burgemeester
(gemachtigden: mr. J. van Vulpen en mr. A. Hemai).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:
Onsz Oss B.V., vergunninghouder,
(gemachtigde: [naam] ).
Zitting
1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 augustus 2022 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekers, de gemachtigden van de burgemeester en de gemachtigde van vergunninghouder.
2. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die uitspraak vermeldt de voorzieningenrechter hierna onder de beslissing.
Dictum
De voorzieningenrechter:
wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;
treft de voorlopige voorziening dat de aan de evenementenvergunning verbonden geluidsvoorschriften 1.2.1 tot en met 1.2.7 vervallen en worden vervangen door het volgende voorschrift:
“Het is verboden in de openlucht een geluidinstallatie in werking te hebben of muziek te maken.”;
veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.518,–;
draagt de burgemeester op het betaalde griffierecht van € 184,– aan verzoeker te vergoeden.
Inleiding
3. Op 10 juni 2022 heeft de vergunninghouder een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor de Kermisfeesten Oss op de locatie [adres] (het muziekevenement). De burgemeester heeft bij besluit van 8 augustus 2022 (het bestreden besluit) een evenementenvergunning verleend aan de vergunninghouder voor het muziekevenement. Het muziekevenement wordt gehouden van donderdag 18 augustus 2022 tot en met zondag 21 augustus 2022. De opbouw van het muziekevenement begint op 16 augustus 2022.
4. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bij brief van 11 augustus 2022 bezwaar gemaakt bij de burgemeester en op dezelfde datum bij een afzonderlijke brief de voorzieningenrechter verzocht om het bestreden besluit te schorsen. In deze uitspraak beslist de voorlopige voorzieningenrechter op dit verzoek om een voorlopige voorziening.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in die zin dat de in het bestreden besluit opgenomen geluidsvoorschriften worden aangepast. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is een voorlopige voorziening en wat kan de voorzieningenrechter beslissen?
6. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort. Dat staat in artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht, ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daarvoor is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel staat dat als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus redenen hebben die maken dat hij de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten en die een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op bezwaar). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.
Als sprake is van onverwijlde spoed, zal de voorzieningenrechter kijken of een – zoals gezegd voorlopig – oordeel is te geven over de vraag of het besluit rechtmatig is. Vervolgens maakt de voorzieningenrechter aan de hand daarvan een belangenafweging, waarbij verschillende elementen worden betrokken, met name:
in hoeverre duidelijk is dat (en in hoeverre valt te beoordelen of) aan het besluit een gebrek kleeft;
in hoeverre dat gebrek naar verwachting te herstellen valt in de beslissing op bezwaar;
of er een onomkeerbare situatie ontstaat als de gevraagde voorlopige voorziening wel of niet getroffen wordt;
hoe groot de mate van spoedeisendheid is.
Bij zo'n belangenafweging moeten alle belangen voor en tegen worden afgewogen; als de belangen aan de ene kant groot zijn, moeten de belangen aan de andere kant ook groot zijn om daar tegen op te kunnen wegen.
7. Omdat het muziekevenement op 18 augustus 2022 zal beginnen, is de vraag of sprake is van onverwijlde spoed niet in geschil. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of een voorlopig rechtmatigheidsoordeel kan worden gegeven over het bestreden besluit.
Voorlopig rechtsmatigheidsoordeel
8. Het muziekevenement is een terugkerend evenement, dat al jarenlang tegelijk met de kermis wordt gehouden in de Eikenboomgaard, een straat in het centrum van Oss. Verzoekers wonen aan de [adres] in Oss.
9. De burgemeester heeft bij eerdere besluiten van 15 mei 2017 en 7 augustus 2017 vergunningen verleend voor de evenementen Muziekboulevard 2017 op 25 en 26 mei 2017, respectievelijk Kermis Eikenboomgaard 2017 van 15 tot en met 24 augustus 2017. Bij uitspraak van 11 juli 2018 heeft de rechtbank het beroep dat verzoekers hadden ingesteld tegen deze besluiten gegrond verklaard en de door de burgemeester verleende evenementenvergunningen vernietigd. Naar aanleiding van dergelijke evenementen hebben verzoekers al eerder verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend bij onderhavige rechtbank. Die hebben geleid tot uitspraken van 4 mei 2018 en 10 augustus 2018.
8. Bij uitspraak van 10 juli 2019 heeft de Afdeling voor de bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) het hoger beroep van de burgemeester tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2018 ongegrond verklaard. Over het evenementenbeleid, dat de burgemeester destijds aan zijn besluiten ten grondslag had gelegd, hebben de rechtbank en de Afdeling geoordeeld dat dit niet zorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd was. Uit de overwegingen van de rechtbank en de Afdeling blijkt (samengevat) dat de burgemeester bij de voorbereiding van de besluiten onvoldoende onderzoek had gedaan naar de relevante feiten en belangen. De in 2017 verleende evenementenvergunningen zijn vernietigd omdat de burgemeester die niet op het geldende beleid heeft kunnen baseren, omdat de burgemeester zich daarbij wat betreft geluidswaarden op onjuiste veronderstellingen had gebaseerd en omdat de burgemeester bij de afweging van de belangen geen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan de belangen van de stad Oss en de horeca.
In dit verband heeft de Afdeling in zijn uitspraak van 11 juli 2019 onder meer het volgende overwogen:
“Een inventarisatie van de geluidsisolerende werking van de gevels van (een aantal van) omliggende (maatgevende) woningen is niet gemaakt en inzicht in de verwachte binnenwaarde van die woningen was er niet. Naar het oordeel van de Afdeling had dit wel in de rede gelegen. Een afweging van de belangen om te beoordelen of geluidshinder onaanvaardbaar is, kan - zoals de rechtbank ook heeft overwogen - niet worden verricht als geen inzicht bestaat in de relevante feiten en de af te wegen belangen. Het belang van de Muziekboulevard en de kermisfeesten voor de stad Oss en voor de horeca is in het beleid uitvoerig tot uitdrukking gebracht. Inzicht in de mate van hinder aan de zijde van de omwonenden lijkt in het geheel niet te zijn onderzocht. Dit klemt te meer nu achteraf uit een geluidsonderzoek van DPA Caubergh-Huygen B.V. van 24 juli 2018 is gebleken dat de gevels van verschillende woningen aan de Eikenboomgaard geen goede geluidwerende kwaliteit hebben (minder dan 20 dB(A)) en bij de Muziekboulevard en de kermisfeesten in 2017 binnenwaarden werden gemeten die hoger zijn dan 60 dB(A). De waarde van 60 dB(A) - waarbij overigens wordt afgeweken van de in de Nota "Evenementen met een luidruchtig karakter" geadviseerde binnenwaarde van 50 dB(A) - moet volgens het rapport als uiterste grenswaarde worden beschouwd.”
9. Omdat de Muziekboulevard en de kermisfeesten jaarlijks terugkerende evenementen zijn heeft de Afdeling in zijn uitspraak van 10 juli 2019 ook overwogen dat verzoekers en andere partijen erbij gebaat zijn dat voor toekomstige aanvragen meer duidelijkheid ontstaat over de wijze van besluitvorming door de burgemeester. Daarom heeft de Afdeling burgemeester opdracht gegeven om met inachtneming van zijn uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van verzoekers tegen de vergunningen van 15 mei 2017 en 7 augustus 2017.
9. Tijdens de zitting heeft de burgemeester bevestigd dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bij besluiten van 31 oktober 2019 de evenementenvergunningen voor de Muziekboulevard 2017, de kermisfeesten 2017 en de kermisfeesten 2018 zijn herroepen en alsnog geweigerd. Desgevraagd heeft de burgemeester tijdens de zitting verklaard dat na de uitspraak van de Afdeling van 10 juli 2019 echter geen nadere inventarisatie van de geluidsisolerende werking van de gevels van de omliggende woningen is gemaakt en ook geen onderzoek is verricht naar de binnenwaarde en mate van geluidshinder voor omwonenden, zoals in de uitspraak van de Afdeling is vermeld. De burgemeester heeft er op gewezen dat mede naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling wel een nieuw gemeentelijk evenementenbeleid is vastgesteld, dat met ingang van 1 januari 2021 inwerking is getreden.
10.
Conclusie
14. Gelet op de hiervoor gegeven overwegingen oordeelt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. De aard en omvang van deze fundamentele gebreken zullen naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet te herstellen zijn na heroverweging in bezwaar. Daarom ziet de voorzieningenrechter aanleiding om een voorlopige maatregel te treffen.
15. De bezwaren van verzoekers zijn voornamelijk gericht tegen de in het bestreden besluit opgenomen geluidsvoorschriften. De voorzieningenrechter zal daarom niet de gehele vergunning schorsen, maar alleen het geluidsvoorschrift. Dit betekent dat het kermisfeest mag doorgaan, maar zonder dat er muziek wordt gemaakt. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe en treft als voorlopige voorziening de ordemaatregel dat de aan de evenementenvergunning verbonden voorschriften 1.2.1 tot en met 1.2.7 vervallen en worden vervangen door het volgende voorschrift:
“Het is verboden in de openlucht een geluidinstallatie in werking te hebben of muziek te maken.”;
16. De voorzieningenrechter begrijpt dat zijn beslissing een teleurstellend bericht is voor de vergunninghouder, die heeft gesteld dat hij € 30.000 heeft geïnvesteerd in het muziekevenement. Deze teleurstelling had echter mogelijk voorkomen kunnen worden indien de burgemeester de besluitvorming naar aanleiding van de aanvraag voor het muziekevenement eerder en zorgvuldiger (overeenkomstig de overwegingen van de Afdeling in de uitspraak van 11 juli 2019 en met inachtneming van het geldende evenementenbeleid) zou hebben voorbereid.
17. De voorzieningenrechter ziet aanleiding te bepalen dat de burgemeester het griffierecht moet vergoeden en dat verzoekers een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde geldt een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde van verzoekers heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 759,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.518,-.
18. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep kan worden ingesteld.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2022 door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. van der Wijngaart, griffier.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
ECLI:NL:RBOBR:2018:3374.
ECLI:NL:RBOBR:2018:2243.
ECLI:NL:RBOBR:2018:4026.
ECLI:NL:RVS:2019:2346.