Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2021-10-14
ECLI:NL:RBOBR:2021:5448
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,560 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 21/890
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. W. Kort),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vught, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van Galen).
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2020 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eisers aanvraag van 30 augustus 2020 voor een uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskapitaal op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo 2) afgewezen.
Bij besluit van 13 november 2021 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eisers aanvraag van 11 november 2020 voor een uitkering voor levensonderhoud en bedrijfskrediet op grond van de Tozo (Tozo 3) afgewezen.
Bij besluit van 2 maart 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk R.H. Porkolos Jamalabad. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser ontving tot 1 juli 2020 een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Hij heeft op 30 augustus 2020 met ingang van 1 juli 2020 een aanvraag ingediend voor een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en een lening voor bedrijfskapitaal op grond van de Tozo 2 voor zijn bedrijf Donut koffie, gevestigd aan de [adres] te [vestigingsplaats] . In de aanvraag heeft hij als startdatum van de onderneming vermeld 1 juli 2020. Op 11 november 2020 heeft eiser de aanvraag ingediend voor een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en lening voor bedrijfskapitaal op grond van de Tozo 3 met als ingangsdatum 1 oktober 2020.
2. Bij de primaire besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen omdat eiser met de onderneming pas economisch actief is vanaf 1 juli 2020. Hij was dan ook geen gevestigde zelfstandige op 18 maart 2020. Ook is geen sprake van inkomensachteruitgang/omzetverlies door de coronacrisis. Uit eerder extern onderzoek is gebleken dat de te starten onderneming niet levensvatbaar was. Het inkomenstekort of omzetverlies is geen gevolg van de coronacrisis maar was voorspelbaar en ontstaan door het eigen handelen.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie de bezwaren ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het noodzakelijk is dat de aanvrager als zelfstandige actief was voor 17 maart 2020, een inkomen had als zelfstandige van minimaal het sociaal minimum en door de coronacrisis een inkomen heeft onder het sociaal minimum. Daaraan voldoet eiser niet.
4. Eiser heeft aangevoerd dat hij voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 2 van de Tozo. Hij voldoet ook aan de omschrijving van zelfstandige in artikel 1 van de Tozo. Dat hij pas vanaf 1 juli 2020 economisch actief zou zijn betwist eiser, en is overigens geen grond voor afwijzing. Hij was voor 1 juli 2020 al bezig om het bedrijf van de grond te krijgen. In de Tozo is ook niet de voorwaarde opgenomen dat de aanvrager voor de coronacrisis al inkomsten had als zelfstandige ter hoogte van het sociaal minimum. Niet valt in te zien dat het bedrijf van eiser geen last zou hebben gehad van een omzetvermindering en minder inkomsten als gevolg van de coronacrisis.
5. Tijdens de zitting heeft verweerder aangegeven dat niet wordt betwist dat eiser – die per 1 juli 2020 is gestart met zijn onderneming – als ondernemer getroffen zal zijn door de coronacrisis, maar dat dit bij de beoordeling van de aanvraag niet relevant is. Verweerder heeft verder toegelicht dat in de situatie van eiser ook niet relevant is dat zijn inkomen voor 17 maart 2020 niet ten minste ter hoogte van het sociaal minimum lag. Bepalend is volgens verweerder dat eiser niet in aanmerking komt voor de Tozo omdat hij niet voor 17 maart 2020 als zelfstandige actief was.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Juridisch kader:
Op grond van artikel 1, aanhef van de Tozo wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
zelfstandige: de rechthebbende, bedoeld in artikel 11 van de Participatiewet (Pw), die achttien jaar of ouder is maar de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die;
a. voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
b. ten minste 1.225 uur per jaar besteedt aan werkzaamheden voor het bedrijf of zelfstandig beroep; en
c. alleen of samen met degene met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiële risico’s daarvan draagt.
Artikel 2. Kring van rechthebbenden
1. De aanvrager van algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit verklaart schriftelijk dat hij aan artikel 1, onderdeel b, voldoet.
2. Algemene bijstand of bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van dit besluit kan worden verleend aan de zelfstandige die op 17 maart 2020 stond ingeschreven in het handelsregister, bedoeld in artikel 2, van de Handelsregisterwet 2007 en schriftelijk verklaart dat diens bedrijf of zelfstandig beroep financieel is geraakt als gevolg van de crisis in verband met COVID-19.
3. Algemene bijstand op grond van dit besluit wordt niet verleend aan de zelfstandige die algemene bijstand ontvangt op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.
8. De Tozo is een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) is in zijn uitspraak van 20 juli 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1789) ingegaan op de wijze van toetsing van besluiten op grond van de Tozo.
9. Een algemeen verbindend voorschrift dat geen wet in formele zin is, kan door de rechter in een zaak over een besluit dat op zo’n voorschrift berust, worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. De rechter komt tevens de bevoegdheid toe te bezien of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het in geding zijnde besluit. Bij die indirecte toetsing van het algemeen verbindend voorschrift vormen de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur een belangrijk richtsnoer, waarbij de toetsing wordt verricht op de wijze als door de Raad is uiteengezet in zijn uitspraak van 1 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2016). Zoals in die uitspraak is overwogen, kan de enkele strijd met formele beginselen als het beginsel van zorgvuldige besluitvorming (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht) en het motiveringsbeginsel niet leiden tot het onverbindend achten van een algemeen verbindend voorschrift. Als de bestuursrechter als gevolg van een gebrekkige motivering of onzorgvuldige voorbereiding van het voorschrift niet kan beoordelen of er strijd is met hogere regelgeving, de algemene rechtsbeginselen of het evenredigheidsbeginsel, kan hij het voorschrift wel buiten toepassing laten en een daarop berustend besluit vernietigen.
10. Volgens de nota van toelichting bij de Tozo (p. 7, 8, 11 en 40; Stb. 2020, 118) derven veel zelfstandigen als gevolg van de coronacrisis en ook als gevolg van de maatregelen van de rijksoverheid om de verspreiding van het coronavirus te beteugelen, buiten hun invloedsfeer inkomsten en worden veel zelfstandigen met acute financiële problemen geconfronteerd. Deze coronacrisis kan niet als normaal ondernemersrisico worden aangemerkt. Daarom acht de regering het gerechtvaardigd en noodzakelijk om zelfstandigen die als gevolg van de coronacrisis in financiële problemen zijn geraakt, tijdelijk te ondersteunen. De vermindering van inkomsten bij zelfstandigen heeft inmiddels bij gemeenten geleid tot een ongekend hoog aantal aanvragen voor inkomensondersteuning van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). De nood bij zelfstandigen is hoog. Het Bbz 2004 is in deze uitzonderlijke tijd alleen al vanwege de uitvoerbaarheid niet het geijkte instrument om deze nood tijdig te lenigen. Een snel uitvoerbare noodregeling is daarvoor nu echt noodzakelijk. De regering komt daarom met de Tozo om deze zelfstandigen met een aanvullende inkomensondersteuning en kapitaalverstrekking tijdelijk tegemoet te komen en hen in staat te stellen de komende periode zo goed mogelijk door te komen en om uiteindelijk weer volledig zelfstandig in het bestaan te voorzien. Om deze zelfstandigen zo snel mogelijk te helpen en inkomenszekerheid te bieden, heeft bij de vormgeving van deze tijdelijke noodregeling de snelle uitvoerbaarheid door gemeenten centraal gestaan.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van J.H. van Wordragen - van Kampen, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 14 oktober 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.