Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2021-06-30
ECLI:NL:RBOBR:2021:3241
Civiel recht
Bodemzaak
24,407 tokens
Inleiding
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
zaaknummer / rolnummer: C/01/349823 / HA ZA 19-555
Vonnis van 30 juni 2021
in de zaak van
[eiser]
,
wonende te [woonplaats] , eiser in conventie, verweerder in reconventie,
advocaat mr. S. Luyt te [plaats 2] , tegen
[gedaagde]
,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] , gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. M. van der Meulen te Rosmalen. Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1Inleiding
1.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn broers. Zij zijn erfgenamen in twee nalatenschappen. De eerste nalatenschap is de nalatenschap van hun moeder. De tweede nalatenschap is de nalatenschap van hun broer [A] . [eiser] en [gedaagde] willen, heel kort gezegd, dat in deze procedure een verdeling van de nalatenschappen tot stand wordt gebracht.
1.2.
In deze procedure zijn zowel door [eiser] als door [gedaagde] vorderingen met betrekking tot de nalatenschappen ingediend. Hierna, in onderdeel 2, staat wat er na het vorige tussenvonnis in deze zaak is gebeurd. In onderdeel 3 van dit vonnis staan de vaststaande feiten in deze zaak. In onderdeel 4 staat wat [eiser] en [gedaagde] gevorderd hebben. Onderdeel 5 start met een leeswijzer. Daarna worden de verschillende onderwerpen die van belang zijn voor de beoordeling besproken. Ten slotte volgt in onderdeel 6 van dit vonnis de door de rechtbank genomen beslissing.
De rechtbank zal in dit vonnis een aantal beslissingen nemen over onderwerpen waar partijen het niet eens over zijn. Verder zal de rechtbank aan partijen vragen meer informatie te geven of hun standpunt verder toe te lichten.
Procesverloop
2.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 20 november 2019
het proces-verbaal van de zitting van 17 december 2020.
Omdat het proces-verbaal van de zitting buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt, zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op het proces-verbaal. Zij hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt, [eiser] bij rolbericht van 3 februari 2021 en [gedaagde] bij brief van
14 januari 2021.
2.2.
Waar verwezen wordt naar vindplaatsen van stukken uit het dossier zal (zowel in conventie als in reconventie) “de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie” van [gedaagde] worden aangeduid als “conclusie van antwoord” en “de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte vermeerdering van eis in conventie, tevens (voorwaardelijke) antwoordakte met toelichting productie en overlegging aanvullende producties” van [eiser] als “antwoord in reconventie”.
2.3.
Ten slotte is een datum voor het vonnis bepaald.
Feiten
3.1.
Op 26 januari 2006 is in de gemeente [gemeente] overleden de heer [vader] (hierna: vader).
3.2.
Vader is in algehele gemeenschap van goederen gehuwd geweest met [moeder] (hierna: moeder). Uit hun huwelijk, dat is ontbonden door het overlijden van vader, zijn drie kinderen geboren: [A] , [gedaagde] (gedaagde) en [eiser] (eiser).
3.3.
Uit een verklaring van erfrecht van 1 september 2006 (productie 1 conclusie van antwoord) volgt dat vader niet bij testament over zijn nalatenschap heeft beschikt. Op grond van het wettelijke erfrecht in geval van een overlijden zonder testament (het versterferfrecht) heeft vader moeder en de drie kinderen als erfgenamen achtergelaten, ieder voor 1/4e onverdeeld aandeel.
3.4.
Op 30 december 2012 is moeder in de gemeente [gemeente] overleden.
Ten tijde van haar overlijden was moeder ongehuwd en niet geregistreerd als partner.
3.5.
Ook moeder had geen testament gemaakt. Op grond van het versterferfrecht heeft moeder de drie kinderen als erfgenamen achtergelaten, ieder voor 1/3e onverdeeld aandeel.
3.6.
Uit een op 30 augustus 2013 afgegeven verklaring van erfrecht blijkt dat de kinderen de nalatenschap van moeder zuiver hebben aanvaard (productie 2 conclusie van antwoord).
3.7.
Op 17 september 2014 is [A] in de gemeente [gemeente] overleden.
3.8.
Uit een op 10 februari 2015 opgestelde verklaring van erfrecht blijkt dat [A] zijn broers [gedaagde] en [eiser] als enige erfgenamen heeft achtergelaten, ieder voor de onverdeelde helft
en dat [gedaagde] en [eiser] de nalatenschap zuiver hebben aanvaard (productie 2 dagvaarding en productie 3 conclusie van antwoord).
3.9.
Vele jaren eerder, op 15 augustus 1984, is door vader, moeder, [A] en [gedaagde] een overeenkomst “akte van een vennootschap onder firma” getekend (productie 12 conclusie van antwoord). De vennootschap onder firma (hierna: de vennootschap) is aangevangen op 1 januari 1984 en is aangegaan voor onbepaalde tijd. De vennootschap draagt de naam
“ [bedrijf 1] ”.
3.10.
In de akte is bepaald:
“(…)
INBRENG EN KAPITAALREKENING.
Artikel 4
1- door ieder der vennoten wordt ingebracht zijn kennis, arbeid en vlijt, relaties en vergunningen op het uitoefenen va het bedrijf betrekking hebbende.
2- Door de ondergetekende sub 1 (opmerking rb: vader) wordt bovendien ingebracht, het tot dusverre door hem gedreven bedrijf, inbegrepen de tot dat bedrijf behorende onroerende goederen, welke in deze akte niet nader omschreven worden, daar zij partijen genoegzaam bekend zijn. Voor zover het de onroerende goederen betreft, geschiedt de inbreng onder nadrukkelijk voorbehoud van de stille reserves, zulks nader te regelen in de op te maken akte van inbreng.
Gedurende het bestaan van de vennootschap is een vennoot niet gerechtigd diens aandeel in het onroerend goed te verkopen of over te dragen, zonder toestemming van de andere vennoten.
3- Ieder van de vennoten wordt voor zijn inbreng in de boeken der vennootschap gecrediteerd op zijn kapitaalrekening voor het bedrag of de waarde van de inbreng.
4- (…)
EINDE DER VENNOOTSCHAP
Artikel 12
De vennootschap eindigt:
door opzegging (. . .);
door de dood of de onder curatelestelling van een vennoot (. .. );
twee jaren na het optreden van algehele arbeidsongeschiktheid of invaliditeit;
door de ontbinding der vennootschap (…).
VOORTZETTING, VERBLIJVING, OVERNEMING
Artikel 13
Indien de vennootschap eindigt conform het bepaalde in de leden a t/m c van het vorig artikel, wordt de vennootschap niet ontbonden, doch voortgezet door de vennoten, bij wie de oorzaak der beëindiging niet is gelegen ( ... )'.
Ingeval de betreffende vennoten van hun recht tot voortzetting als in lid 1 van dit artikel genoemd, gebruik maken, verblijven aan de voortzettende vennoten alle activa van de vennootschap waaronder de firmanaam, onder de verplichting alle passiva over te nemen en aan de niet voortzettende vennoot, casu quo diens rechtverkrijgenden uit te keren de werkelijke waarde van het aandeel van de betrokken vennoot.
Onder de werkelijke waarde van het aandeel van de betrokken, niet voortzettende vennoot, wordt in deze akte verstaan diens aandeel in het vermogen der vennootschap,
rekening houdende met de stille reserves, inclusief goodwill, volgens de per de dag waarop de vennootschap eindigt op te maken balans.
4. De betaling van het aandeel aan de betrokken vennoot of diens rechtverkrijgenden zal geschieden in 10 gelijke jaarlijkse termijnen, waarvan de eerste vervalt, zes maanden nadat hij opgehouden is vennoot te zijn (. .. )”.
3.11.
De deelname van vader aan de vennootschap is voor zijn overlijden geëindigd.
De vennootschap is vervolgens door moeder, [A] en [gedaagde] voortgezet. Na het overlijden van moeder is de vennootschap door [A] en [gedaagde] voortgezet. Na het overlijden van [A] heeft [gedaagde] de onderneming als eenmanszaak voortgezet.
Geschil
4.1.
[eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. [gedaagde] te gelasten binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen (tussen)vonnis opgave te doen van de huurpenningen die hij heeft ontvangen met betrekking tot de woning gelegen te [plaats 1] , [adres 1] , onder overlegging van onderliggende contracten;
b. [gedaagde] te gelasten binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen (tussen)vonnis opgave te doen van de hoogte van de huurpenningen/gebruiksvergoeding die hij heeft ontvangen van de heer [D] en/of een derde voor het in gebruik hebben van (een gedeelte) van het bedrijfsterrein en de opstallen aan het perceel [adres 2] te [plaats 1] , onder overlegging van onderliggende contracten;
c. [gedaagde] te gelasten binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen (tussen)vonnis opgave te doen van de hoogte van de huurpenningen/gebruiksvergoeding die hij ontvangt voor het in gebruik hebben van een of meerdere reclameborden op het terrein van [adres 2] te [plaats 1] ;
d. Te verklaren voor recht dat [gedaagde] zijn aandeel in deze huurpenningen
/gebruiksvergoeding ten gunste van [eiser] verbeurd heeft;
e. [gedaagde] te gelasten binnen 7 dagen na het ten deze te wijzen (tussen)vonnis de volgende stukken met betrekking tot de (ontbonden) vennootschap onder firma [bedrijf 1] over te leggen: balans en winst- en verliesrekeningen over de jaren 2011, 2012, 2013 en per 17 september 2014; een schriftelijke beschrijving per 17 september 2014 van de inventaris, bedrijfsvoorraad, machines, materialen, metalen zoals aluminium en ijzer, auto’s en auto onderdelen; alle afschriften van bankrekeningen et cetera;
f. Te verklaren voor recht dat [gedaagde] zijn aandeel in de thans ontbonden vennootschap onder firma - voor zover dat behoort tot de onverdeelde nalatenschappen - ten gunste van [eiser] verbeurd heeft;
g. [gedaagde] te gelasten de aangifte erfbelasting van [A] , de aanslag erfbelasting en eventuele correspondentie met de belastingdienst door of namens [gedaagde] gevoerd te overleggen;
h. Een deskundige te benoemen om de waarde te bepalen van:
- de woning gelegen te [plaats 1] , [adres 2] ;
- het perceel grond kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , Sectie D nummer [nummer 2] ;
- het appartementsrecht gelegen te [plaats 2] , [adres 3] .
i. [gedaagde] te gelasten zijn medewerking te verlenen aan de verkoop van:
- de woning gelegen te [plaats 1] , [adres 1] ;
- het perceel grond kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , Sectie D nummer [nummer 1] .
j. De waarde van de inboedel te stellen op € 5.000,00;
k. Te verklaren voor recht dat [eiser] een vordering op de nalatenschappen heeft van 2/3 gedeelte van € 25.000,00 en op gedaagde van 1/3 gedeelte van € 25.000,00 ter zake zijn investering in het appartementsrecht gelegen te [plaats 2] en [gedaagde] mitsdien te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 8.333,33 te vermeerderen met wettelijke rente;
l. Te verklaren voor recht dat [eiser] een vordering op de nalatenschappen heeft van 2/3 gedeelte van € 89.000,00 en op gedaagde van 1/3 gedeelte van € 89.000,00 ter zake zijn investering in het appartementsrecht gelegen te [plaats 2] en [gedaagde] mitsdien te veroordelen tot betaling aan eiser van een bedrag van € 29.000,00 te vermeerderen met wettelijke rente;
m. [gedaagde] te gelasten zijn medewerking te verlenen aan een boedelbeschrijving die alle tot de nalatenschappen behorende vermogensbestanddelen zoals in de dagvaarding omschreven omvat ten overstaan van mr. Barbara Maria van Kampen, notaris te [gemeente] ;
n. [gedaagde] te gelasten zijn medewerking te verlenen aan een verdeling op basis van genoemde boedelbeschrijving met benoeming van een onzijdig persoon indien [gedaagde] weigerachtig is aan de verdeling zijn medewerking te verlenen,
dit alles met (na vermeerdering) veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, de nakosten daaronder begrepen.
4.2.
[gedaagde] voert verweer.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
4.4.
[gedaagde] vordert - samengevat - dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
met betrekking tot de zakelijke registergoederen:
1. zal verklaren voor recht dat [gedaagde] ter zake de toedeling van het aandeel van moeder in de vennootschap een bedrag moet inbrengen in de nalatenschap van moeder van € 3.748,67;
2) zal verklaren voor recht dat [gedaagde] ter zake de toedeling van het aandeel van [A] in de vennootschap een bedrag moet inbrengen in de nalatenschap van [A] van € 76.152,50; alsmede:
primair
3) [eiser] zal verplichten zijn medewerking te verlenen aan de toedeling van de registergoederen, zoals vermeld op bladzijde 15 van de conclusie van antwoord (hierna het overzicht op bladzijde 15), aan [gedaagde] , onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag en voor zoveel [eiser] niet binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan de daarin opgenomen veroordeling voldoet;
Subsidiair
4) zal bepalen dat het in dezen te wijzen vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring van [eiser] tot de toedeling van de registergoederen, zoals vermeld in het overzicht op bladzijde 15, aan [gedaagde] , alsmede zal bepalen dat het vonnis in de
plaats komt van de voor deze toedeling en voor de levering van de registergoederen noodzakelijke toestemming en/of wilsverklaring en/of handtekening van [eiser] ; primair en subsidiair
5) zal bepalen dat [gedaagde] de som ad € 79.901,10 mag voldoen in 10 gelijke jaarlijkse
termijnen, zulks conform de vennootschapsovereenkomst waarbij de eerste termijn ad
€ 7.990,11 vervalt nadat [gedaagde] zijn onderneming heeft gestaakt, althans de eerste termijn moet worden betaald op het moment dat de registergoederen (zoals vermeld in het overzicht op pagina 15) geheel op naam van [gedaagde] zijn gezet;
meer subsidiair
6) de wijze van verdeling van de zakelijke registergoederen zal vast stellen en daartoe aan [eiser] de bevelen zal geven als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
met betrekking tot de privé registergoederen
7) een deskundige zal benoemen om de waarde te bepalen van de registergoederen zoals vermeld in het overzicht op bladzijde 14 van de conclusie van antwoord (hierna het overzicht op bladzijde 14);
primair:
8. [gedaagde] zal machtigen tot het te gelde maken van de registergoederen vermeld in het overzicht op bladzijde 14, althans [gedaagde] zal machtigen de registergoederen te mogen verkopen en te leveren zonder hiervoor de medewerking van [eiser] af te hoeven wachten; subsidiair
9.
Beoordeling
Leeswijzer.
5.1.
De rechtbank zal allereerst een aantal geschilpunten tussen partijen bespreken die van belang zijn bij de afwikkeling van de nalatenschappen.
Vervolgens zal de rechtbank (voor zover als mogelijk is) de samenstelling van de nalatenschap van moeder bespreken (waarbij de nalatenschap van vader zal worden betrokken) en daarna (eveneens voor zover als mogelijk is) de samenstelling van de nalatenschap van [A] . Vervolgens zal de rechtbank bespreken wat er verder in deze procedure kan of gaat gebeuren.
5.2.
Tot de nalatenschappen behoren diverse onroerende zaken. Deze zullen, voor de leesbaarheid, als hierna vermeld worden aangeduid.
- De woning aan de [adres 2] te [plaats 1] ( [plaats 1] , [perceelnummer 3] ): hierna te noemen “de woning aan de [adres 2]”;
- De woning aan het [adres 1] te [plaats 1] ( [plaats 1] , [perceelnummer 4] ): hierna te noemen “de woning aan het [adres 1] ;
- Een perceel grond, gelegen nabij het [adres 1] te [plaats 1] , ( [plaats 1] , sectie D, nummer [nummer 1] , 80 aren, 70 centiaren ): hierna te noemen het perceel [nummer 1];
- Een perceel grond ( [plaats 1] , sectie D, nummer [nummer 2] , 2 hectaren, 36 aren en 30 centiaren, 23.630 m2 ): hierna te noemen het perceel [nummer 2] ;
- Een appartement(srecht), gelegen te [plaats 2] aan de [adres 3] ( [plaats 2] , [perceelnummer 7] ): hierna te noemen: het appartement in [plaats 2] ;
- Een perceel grond ( [plaats 1] , [nummer 3] ): hierna te noemen het perceel [nummer 3];
- Een perceel grond ( [plaats 1] , sectie d, nummer [nummer 5] ): hierna te noemen het perceel [nummer 5].
Het wettelijk kader.
5.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat het met ingang van 1 januari 2003 geldende erfrecht op de nalatenschappen van moeder en [A] van toepassing is. Evenmin is in geschil dat vader, moeder en [A] geen testament hebben gemaakt, zodat het wettelijke versterferfrecht van toepassing is. Met wettelijk versterferfrecht wordt bedoeld de wettelijke regels die van toepassing zijn als iemand zonder het maken van een testament overlijdt.
Kan bij het vaststellen van de aanspraken van partijen worden uitgegaan van alle aanwezige vermogensbestanddelen behorende tot de nalatenschappen van moeder en [A] samen, omdat [gedaagde] en [eiser] toch ieder voor een gelijk deel tot de nalatenschappen gerechtigd zijn (zoals [eiser] zegt) of moeten de aanspraken van [eiser] en [gedaagde] per nalatenschap worden beoordeeld (zoals [gedaagde] zegt)?
5.4.
De rechtbank overweegt dat de door [eiser] voorgestelde handelswijze voorbij gaat aan de omstandigheid dat op grond van artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst de activa van de vennootschap kunnen verblijven aan de overgebleven vennoten. De erfgenamen krijgen dan wel een vordering op de overgebleven vennoten, maar dat is dan een vordering in geld en niet een aandeel in het eigendom.
De rechtbank zal daarom per nalatenschap in ieder geval moeten beoordelen:
of er aanspraken zijn van de overgebleven vennoten van de vennootschap op grond van het verblijvingsbeding;
of als gevolg van toepassing van het verblijvingsbeding de erfgenamen een vordering hebben op de vennoot die van dat verblijvingsbeding gebruik heeft gemaakt.
De rechtbank zal daarom de nalatenschappen van moeder en van [A] afzonderlijk behandelen.
Toepassing van artikel 13 vennootschapsovereenkomst (verblijvingsbeding tegen inbrengwaarde).
5.5.
Het tweede lid van artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst ziet (onder meer) op de situatie waarin een vennoot is komen te overlijden, terwijl de andere vennoten de vennootschap willen voortzetten. In dit tweede lid staat dat, als de overblijvende vennoten van hun recht tot voortzetting gebruik hebben gemaakt, alle activa van de vennootschap verblijven aan deze voortzettende vennoten, onder de verplichting alle passiva over te nemen en aan de erfgenamen van de overleden vennoot de werkelijke waarde van het aandeel van de betrokken vennoot uit te keren.
5.6.
In het derde lid van artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst staat dat onder de werkelijke waarde van het aandeel van de niet-voorzettende vennoot wordt verstaan: “diens aandeel in het vermogen der vennootschap, rekening houdende met de stille reserves, inclusief goodwill, volgens de (per de dag waarop de vennootschap eindigt) op te maken balans”.
5.7.
Door [eiser] is niet weersproken dat [gedaagde] ook een beroep heeft kunnen doen op het verblijvingsbeding in de situatie waarin de vennootschap onder firma is geëindigd omdat [gedaagde] , ten gevolge van het overlijden van [A] , als enige vennoot overbleef.
5.8.
Door [eiser] wordt echter wel om een andere reden weersproken dat [gedaagde] een beroep kan doen op het verblijvingsbeding na het overlijden van [A] . [eiser] stelt dat de onderneming toen al niet meer levensvatbaar was en door [gedaagde] ook feitelijk niet is voortgezet.
5.9.
Dit standpunt van [eiser] wordt door de rechtbank niet gevolgd. [A] is in 2014 overleden. Niet gebleken is dat [gedaagde] de onderneming in de periode kort na het overlijden van [A] heeft gestaakt. [eiser] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot die conclusie zouden kunnen leiden. [eiser] stelt bovendien zelf in de dagvaarding (alinea 2.3.) dat [gedaagde] de onderneming na het overlijden van [A] heeft voortgezet. Dat de onderneming jaren later misschien niet meer levensvatbaar is (dit staat niet vast: [eiser] stelt dit, maar [gedaagde] ontkent dit), laat onverlet dat [gedaagde] na het overlijden van [A] het recht had de activa van de onderneming (tegen vergoeding van de waarde aan de erfgenamen van [A] ) over te nemen.
[gedaagde] heeft bovendien onweersproken gesteld dat hij, na het overlijden van [A] , gebruik heeft gemaakt van een fiscale voortzettingsfaciliteit. Ook hieruit volgt dat [gedaagde] de onderneming, na het overlijden van [A] , heeft voortgezet.
De enkele omstandigheid dat de waarde van de over te nemen activa nog niet is bepaald en dat onroerende zaken nog niet goederenrechtelijk zijn geleverd leidt niet tot een ander oordeel, nu de rechtbank de indruk heeft dat dit vooral het gevolg is van het conflict tussen partijen over de afwikkeling van de nalatenschappen.
5.10.
Na het overlijden van moeder hebben [A] en [gedaagde] de onderneming samen voortgezet. Na het overlijden van [A] heeft [gedaagde] de onderneming alleen voortgezet.
[A] en [gedaagde] hadden dan ook, na het overlijden van moeder, de werkelijke waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap aan haar erfgenamen ( [A] , [gedaagde] en [eiser] ) moeten vergoeden per de datum van het overlijden van moeder. En na het overlijden van [A] had
[gedaagde] het aandeel van [A] in de vennootschap aan de erfgenamen van [A] ( [gedaagde] en [eiser] ) moeten vergoeden per de datum van het overlijden van [A] .
5.11.
Bij de afwikkeling van de nalatenschappen van moeder en [A] zal dan ook het aandeel van moeder in de vennootschap evenals het aandeel van [A] in de vennootschap moeten worden vastgesteld, zal de waarde van deze aandelen aan de nalatenschappen van moeder en [A] moeten worden vergoed en zullen (in beginsel) de in de vennootschap ingebrachte onroerende zaken aan [gedaagde] moeten worden geleverd.
Dictum
De rechtbank
6.1.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 11 augustus 2021 voor het nemen van een akte door [eiser] overeenkomstig het bepaalde in r.o. 5.94. van dit vonnis;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2021.
Beoordeling
De rechtbank gaat hier in dit vonnis nog verder op in.
Het appartement in [plaats 2] .
5.12.
[eiser] gaat er in de dagvaarding van uit dat het appartement in [plaats 2] voor 1/3 deel aan [gedaagde] toebehoort en dat daarnaast [eiser] en [gedaagde] samen, na het overlijden van moeder en vervolgens [A] , ieder voor de helft aanspraak kunnen maken op 2/3 deel.
[gedaagde] voert aan dat het appartement van moeder, [A] en hem was, ieder voor 1/3 deel. Zij hebben ieder hun aandeel in het appartement ingebracht in de vennootschap. [gedaagde] verwijst vervolgens naar het verblijvingsbeding in de vennootschapsakte en stelt dat hij, na het overlijden van eerst moeder en later [A] , tegen vergoeding van de waarde aan de erfgenamen, aanspraak kan maken op het gehele appartement.
5.13.
De rechtbank stelt allereerst vast dat het appartement in [plaats 2] (zie productie 14 bij conclusie van antwoord) door [A] en [gedaagde] is gekocht in hun hoedanigheid van vennoten van de vennootschap. Het appartement in [plaats 2] is op 3 november 2003 (zie productie 15 bij conclusie van antwoord) geleverd aan [A] , [gedaagde] en moeder in hun hoedanigheid van vennoten van de vennootschap. Als zakelijk rechthebbenden staan moeder, [A] en [gedaagde] , in het als productie 13 bij conclusie van antwoord overgelegde uittreksel uit het Kadaster, vermeld, ieder voor 1/3 deel.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het appartementsrecht na aankoop daarvan het onverdeelde eigendom is van moeder, [A] en [gedaagde] (ieder voor 1/3 deel) en dat ieder van hen zijn of haar aandeel heeft ingebracht in de vennootschap, dat een afgescheiden vermogen vormt met moeder, [A] en [gedaagde] als rechthebbenden.
De enkele omstandigheid dat het appartement nooit als bedrijfsmiddel is gebruikt ten behoeve van de vennootschap maakt dat niet anders.
5.14.
[eiser] vindt dat [gedaagde] in redelijkheid geen beroep kan doen op het verblijvingsbeding. De rechtbank neemt aan dat bedoeld wordt te stellen dat een beroep op het verblijvingsbeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat [eiser] daarmee doelt op de rechtsverhouding tussen de vennoten onderling, waarbij de plaats van de vennoten “moeder” en “ [A] ” na hun overlijden is ingenomen door “de erven van moeder” en “de erven van [A] ”.
De rechtbank is echter van oordeel dat een beroep op het verblijvingsbeding door de overblijvende vennoot of vennoten niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Daarbij is allereerst van belang dat de vennoten dat in de vennootschapsovereenkomst hebben afgesproken en dat de erfgenamen in de rechten en verplichtingen van de overleden vennoten zijn getreden. Voorts is van belang dat tegenover het verblijvingsbeding de verplichting van de niet vertrekkende vennoot of vennoten staat om ook de passiva van de vennootschap over te nemen en aan de vertrekkende vennoot de werkelijke waarde van diens aandeel uit te keren. In financiële zin zijn de erfgenamen dan ook niet benadeeld.
De enkele omstandigheid dat het in deze procedure gaat om een appartement in [plaats 2] , dat niet direct voor de onderneming wordt gebruikt en waar [eiser] al heel lang woont maakt dat niet anders. [eiser] wist immers dat het appartement waarin hij is gaan wonen niet zijn eigendom was en had daarom rekening kunnen en moeten houden met de mogelijkheid dat hij op enig moment het appartement zou moeten verlaten.
De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van [eiser] dat een beroep op artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
5.15.
De rechtbank volgt ook niet de niet nader onderbouwde stelling dat artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst een quasi-legaat is omdat er geen tegenprestatie is. Er staat tegenover het verblijvingsbeding wel degelijk een tegenprestatie. De overgebleven vennoot of vennoten die een beroep doet/doen op het verblijvingsbeding dienen immers de werkelijke waarde van het aandeel van de vertrekkende of overleden vennoot te vergoeden.
5.16.
Na het overlijden van moeder en na toepassing van het verblijvingsbeding is het onverdeelde aandeel van moeder gaan behoren tot het, in de vennootschap ingebrachte, vermogen van [A] en [gedaagde] , ieder voor de helft.
Daar staat tegenover dat de erfgenamen van moeder ( [A] , [gedaagde] en [eiser] ) een vordering op de voortzettende vennoten [A] en [gedaagde] verkregen ter hoogte van de werkelijke waarde van het aandeel van moeder in het vennootschapsvermogen op het moment van haar overlijden (zie het derde lid van artikel 13 van de vennootschapsovereenkomst).
Na het overlijden van [A] is, wederom na toepassing van het verblijvingsbeding, het aandeel van [A] gaan behoren tot het, in de vennootschap ingebrachte, vermogen van [gedaagde] .
Daar staat tegenover dat de erfgenamen van [A] ( [gedaagde] en [eiser] ) een vordering op [gedaagde] verkregen ter hoogte van de werkelijke waarde van het aandeel van [eiser] in het vennootschapsvermogen op het moment van zijn overlijden.
Voor wat betreft het appartement in [plaats 2] betekent dit dat na het overlijden van moeder en onder toepassing van het verblijvingsbeding, [A] en [gedaagde] ieder voor 1/2 deel (1/3 deel na aankoop en 1/6 deel als helft van het aandeel van moeder) rechthebbende zijn geworden van het appartement in [plaats 2] . En na het overlijden van [A] en onder toepassing van het verblijvingsbeding, is [gedaagde] geheel rechthebbende geworden van het appartement in [plaats 2] .
5.17.
Zoals hiervoor al overwogen hebben de erfgenamen van moeder en vervolgens van [A] wel een vordering op de overblijvende vennoten met betrekking tot de waarde van het aandeel van moeder en vervolgens [A] in de vennootschap. De rechtbank gaat hier in dit vonnis nog verder op in.
Is er sprake van een huurovereenkomst of een andere overeenkomst die ziet op het mogen bewonen van het appartement in [plaats 2] ?
5.18.
Partijen zijn het niet over eens op basis van welke afspraken [eiser] in het appartement woont.
[eiser] stelt dat hij het appartement bewoont op grond van met moeder gemaakte afspraken die op een gebruiksovereenkomst neerkomen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] verklaard dat moeder, na zijn terugkeer uit Griekenland, wilde dat ook hij woonruimte zou hebben, omdat ook [A] en [gedaagde] via hun ouders over woonruimte beschikten. Moeder wilde haar kinderen gelijk behandelen. [eiser] stelt geen huurder van het appartement te zijn, maar dat hij met moeder heeft afgesproken dat [eiser] de rente en aflossing van de hypotheek voor zijn
rekening zou nemen. Moeder heeft gezegd, zo stelt [eiser] , dat op die manier het huis uiteindelijk voor [eiser] en zijn partner zou zijn. [eiser] sluit niet uit dat [gedaagde] hier niets van af wist. [gedaagde] stelt dat er sprake is van een huurovereenkomst. [gedaagde] wijst er op dat [eiser] vanaf januari 2004 tot en met september 2012 in totaal € 73.500,00 heeft betaald, wat overeenkomt met 105 maanden huur. Daarnaast heeft [eiser] € 12.000,00 rechtstreeks aan de Rabobank ter aflossing van de hypothecaire geldlening betaald, wat neerkomt op 17 maanden huur, met
een restantbedrag van € 100,00. [eiser] heeft dus in de visie van [gedaagde] huur betaald tot en met februari 2014 (met een extra bedrag van € 100,00). Vanaf 1 maart 2014 heeft [eiser] niets meer betaald, zodat er tot en met oktober 2019, nog een huurachterstand is van € 47.500,00 (hierbij is al rekening gehouden met het eerder genoemde te veel betaalde bedrag van
€ 100,00).
Beoordeling
In reconventie vordert [gedaagde] dat [eiser] zal worden veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur ter hoogte van € 47.500,00, te vermeerderen met rente.
5.19.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7:201 BW is sprake van een huurovereenkomst als de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak (…) in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.
De rechtbank voegt hieraan toe dat als aan deze twee kenmerken is voldaan er sprake is van huur, ook als partijen dat niet bedoeld hadden.
Van bruikleen is sprake (zie artikel 7A:1777 BW) als bij overeenkomst de ene partij aan de andere partij een zaak om niet (dat wil zeggen zonder dat daar een tegenprestatie tegenover staat) in gebruik geeft, onder de voorwaarde dat degene die deze zaak ontvangt, deze, na daarvan gebruik te hebben gemaakt of na een bepaalde tijd, zal teruggeven.
Van een koopovereenkomst is sprake als de ene partij afspreekt een goed te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen (artikel 7:1 BW).
5.20.
Vaststaat dat [eiser] , vanaf januari 2004 tot en met juli 2013, 105 maal een bedrag van
€ 700,00 heeft betaald en één maal een bedrag van € 12.000,00. Volgens [eiser] heeft hij dat zo met moeder afgesproken. Van bruikleen, dat uitgaat van kosteloos gebruik, is dan geen sprake.
5.21.
De stellingen van [eiser] lijken ook in te houden dat hij het appartement in eigendom zou verkrijgen na afbetaling van de hypothecaire lening. Voor zover [eiser] bedoeld heeft te stellen dat hij het appartement zou hebben gekocht overweegt de rechtbank als volgt.
[eiser] geeft geen verklaring voor de omstandigheid dat hij, als uitgegaan wordt van een koopovereenkomst, dan een appartement met een waarde van (bij aankoop) € 295.000,00 zou verkrijgen, terwijl hij daarvoor zelf slechts € 120.000,00 zou hebben moeten betalen. Als dat niet de bedoeling was, legt [eiser] ook niet uit wat er verder voor de woning betaald zou gaan worden en wanneer dat dan zou moeten gebeuren. [eiser] gaat er ook aan voorbij dat niet alleen moeder, maar ook [A] en [gedaagde] (als vennoten) eigenaar zijn van het appartement en dat zij ook dienden in te stemmen met gemaakte afspraken.
Kortom, [eiser] heeft zijn, eventuele, stelling dat sprake is van een koopovereenkomst onvoldoende onderbouwd. Daar zal bij de verdere beoordeling dan ook niet van uitgegaan worden.
5.22.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat, nu [eiser] het appartement in [plaats 2] heeft mogen bewonen en hij daar ook een tegenprestatie voor heeft betaald (de aflossing van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank) sprake is van een huurovereenkomst.
Ingevolge het bepaalde in het derde lid van artikel 94 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is de kantonrechter bevoegd te beslissen in zaken betreffende huur. Verwijzing van de gehele zaak naar de kantonrechter is dan de voorgeschreven weg, nu afzonderlijke behandeling van de huurvordering, gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, door de rechtbank niet wenselijk wordt geacht. Dit onderwerp is tijdens de mondelinge behandeling niet besproken en partijen hebben daar in hun schriftelijke stukken evenmin aandacht aan besteed. De rechtbank zal partijen dan ook in de gelegenheid stellen zich over de bevoegdheid van de rechtbank en de verwijzing van deze zaak naar de kantonrechter uit te laten.
De vorderingen van [eiser] ter hoogte van € 25.000,00 en € 89.000,00.
5.23.
[eiser] stelt dat het appartement destijds als kale ruimte met muren is gekocht en dat hij voor een bedrag van € 25.000,00 in de afwerking van het appartement (scheidingswanden, keuken, sanitair, vloeren, stucwerk) heeft geïnvesteerd. [eiser] stelt daarom een vordering van € 25.000,00 te hebben op, aanvankelijk, moeder, [A] en [gedaagde] . Ten gevolge van het overlijden van moeder en [A] heeft [eiser] nu een vordering van € 8.333,00 op zowel de nalatenschap van moeder als op de nalatenschap van [A] (en van € 8.333,00 op [gedaagde] ), aldus [eiser] .
[eiser] stelt ook dat hij vanaf de datum van aankoop van het appartement tot medio juli 2013
afbetalingen heeft gedaan op de hypothecaire schuld (van oorspronkelijk € 120.000,00). [eiser] heeft 110 x (maandelijks) aan moeder een bedrag van € 700,00 betaald. Moeder spaarde de maandelijkse bedragen op en vulde het totaalbedrag aan tot € 12.000,00 welk bedrag één maal per jaar werd betaald ter aflossing van de hypothecaire geldlening. [eiser] betaalde na het overlijden van moeder nog een bedrag van € 12.000,00 rechtstreeks aan de Rabobank ter aflossing van het restant van de hypothecaire geldlening.
[eiser] stelt dat hij een vordering van € 89.000,00 had op moeder, [A] en [gedaagde] . Ten gevolge van het overlijden van moeder en [A] , heeft [eiser] nu een vordering van € 29.200,00 op zowel de nalatenschap van moeder als op de nalatenschap van [A] (en van
€ 29.200,00 op [gedaagde] ), aldus [eiser] .
5.24.
[gedaagde] betwist dat [eiser] € 25.000,00 heeft geïnvesteerd in het appartement, wijst erop dat [eiser] daarvan geen, althans onvoldoende, bewijs heeft overgelegd en stelt dat, als [eiser] al
€ 25.000,00 zou hebben geïnvesteerd in het appartement, dit zal zijn gebeurd kort na de aankoop van het appartement in november 2003. Als [eiser] al een vordering zou hebben in verband met investering van € 25.000,00, dan is deze vordering verjaard.
Met betrekking tot het door [eiser] betaalde bedrag van € 89.000,00 stelt [gedaagde] dat [eiser] het maandelijkse bedrag van € 700,00 betaalde in het kader van huur. Er is geen enkele reden om dit bedrag aan [eiser] terug te betalen. Ook deze vordering is, als er een verplichting tot terugbetaling zou bestaan, verjaard.
5.25.
De rechtbank overweegt als volgt.
Zoals hiervoor al overwogen, gaat de rechtbank er van uit dat er sprake is van een huurovereenkomst en zullen partijen zich nog mogen uitlaten over de vraag of deze zaak moet worden doorverwezen naar de kantonrechter.
De rechtbank zal de behandeling van de vordering van [eiser] tot betaling van € 25.000,00 en van € 89.000,00 in ieder geval aanhouden totdat duidelijk is of deze zaak ter verdere behandeling zal worden doorverwezen naar de kantonrechter. Voorts zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten met betrekking tot de vordering van [eiser] van €
25.000,00 en € 89.000,00 nader aan te vullen, uitgaande van de hiervoor gegeven beslissing dat sprake is van een huurovereenkomst.
De vordering van [gedaagde] ter hoogte van € 47.500,00.
5.26.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat er sprake was van een huurovereenkomst en vordert dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van de achterstallige huur over de periode maart 2014 tot november 2019 (€ 47.500,00), te vermeerderen met rente.
5.27.
[eiser] ontkent dat er sprake was van een huurovereenkomst en stelt dat er sprake was van gebruik om niet.
5.28.
Zoals hiervoor al overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat er sprake is van een huurovereenkomst en zullen partijen zich nog mogen uitlaten over de vraag of deze zaak moet worden doorverwezen naar de kantonrechter. De rechtbank zal de behandeling van de vordering van [gedaagde] tot betaling van € 47.500,00 bij wege van achterstallige huur in ieder geval aanhouden totdat duidelijk is of deze zaak ter verdere behandeling zal worden doorverwezen naar de kantonrechter.
Beoordeling
Voorts zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten met betrekking tot de vordering van [gedaagde] van € 47.500,00 nader aan te vullen, uitgaande van de hiervoor gegeven beslissing dat sprake is van een huurovereenkomst.
Toebedeling van het appartement in [plaats 2] .
5.29.
Zowel [eiser] als [gedaagde] willen het appartement in [plaats 2] toebedeeld krijgen. Maar aangezien het appartement in [plaats 2] op grond van het in de vennootschapsovereenkomst opgenomen beding verblijft aan [gedaagde] , valt dit appartement buiten de nalatenschappen en kan in het kader van de afwikkeling van deze nalatenschappen geen toebedeling aan [gedaagde] of [eiser] plaatsvinden. Wel zullen de erfgenamen van moeder (de erfgenamen van [A] , [gedaagde] en [eiser] ) en [A] ( [gedaagde] en [eiser] ) moeten meewerken aan een goederenrechtelijke levering van het appartement aan [gedaagde] .
5.30.
De vorderingen tot toebedeling van het appartement in [plaats 2] aan [eiser] dan wel aan [gedaagde] (in het kader van de verdeling van de nalatenschappen) zullen dan ook afgewezen worden.
5.31.
De vordering van [gedaagde] inhoudende dat [eiser] zal worden verplicht zijn medewerking te verlenen aan de toebedeling van het appartement in [plaats 2] aan [gedaagde] zou in beginsel kunnen worden toegewezen, tenzij partijen in onderling overleg er nog voor kiezen om dit appartement aan [eiser] te laten, in ruil voor een ruimere toebedeling aan [gedaagde] van zaken die wel tot de nalatenschappen van moeder en [A] behoren. De rechtbank houdt deze beslissing vooralsnog aan.
De waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap.
5.32.
[A] en [gedaagde] (als vennoten) moeten op grond van het verblijvingsbeding aan de erfgenamen van moeder ( [A] , [gedaagde] en [eiser] ) een vergoeding ter hoogte van de werkelijke waarde van dit aandeel betalen (artikel 13 lid 2 en lid 3 vennootschapsovereenkomst, productie 12 bij antwoord). Partijen zijn het niet eens over de waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap per datum overlijden moeder.
5.33.
In de aangifte erfbelasting (productie 1 bij dagvaarding / productie 10 bij antwoord) staat hiervoor een bedrag van € 11.246,00. Deze aangifte erfbelasting is door [A] , [gedaagde] en [eiser] ondertekend en op 16 oktober 2013 ingediend. [eiser] wijst er op dat ingevolge de vennootschapsovereenkomst uitgegaan moet worden van de werkelijke commerciële waarde en dus niet van het in de aangifte erfbelasting opgenomen bedrag van € 11.246,00. [gedaagde] gaat uit van de waarde zoals vermeld in de aangifte erfbelasting van € 11.246,00.
5.34.
De rechtbank acht het aannemelijk dat de waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap hoger is dan het door [gedaagde] genoemde bedrag. De rechtbank constateert namelijk dat het appartement in [plaats 2] door moeder, [A] en [gedaagde] is ingebracht in de vennootschap, zodat de overwaarde van dit appartement mede van belang is bij het bepalen van de waarde van de vennootschap en vervolgens de waarde van het aandeel van moeder daarin.
De rechtbank acht daarbij de volgende omstandigheden van belang.
Het appartement in [plaats 2] was door moeder, [A] en [gedaagde] in de vennootschap ingebracht. Dit appartement is eind 2003 gekocht voor € 296.638,42 inclusief kosten koper (zie productie 20 van [eiser] ). De afgesloten hypothecaire geldlening van € 119.000,00 was op datum overlijden van moeder nagenoeg geheel (op € 12.000,00 na) afgelost. Uit het vennootschapsvermogen is, zo stelt [gedaagde] , daarnaast nog € 100.000,00 opgenomen voor betaling voor het appartement. Onduidelijk is hoe het resterende bedrag van € 77.638,42 is gefinancierd.
De rechtbank is van oordeel dat er van uitgegaan kan worden dat het appartement in [plaats 2] op datum overlijden moeder (december 2012) een overwaarde had tussen de
€ 200.000,00 en € 280.000,00. Dit is vanzelfsprekend een globale schatting. De rechtbank gaat hierbij bovendien nog voorbij aan de stelling van [gedaagde] dat de vennootschap de rente voor de hypothecaire geldlening zou hebben betaald, wat eveneens een negatief effect kan hebben gehad op het vermogen en aan de vraag of er sprake is geweest van een waardedaling van het appartement ten gevolge van de vanaf 2008 opgetreden crisis op de woningmarkt, dan wel of er inmiddels al weer sprake was van een waardestijging.
De geschatte overwaarde van het appartement, dat tot het vennootschapsvermogen behoort, geeft voldoende aanleiding om aan te nemen dat het aandeel van moeder in de vennootschap op datum van haar overlijden meer bedroeg dan het op de balans opgenomen bedrag van
€ 11.246,00.
Dit geldt eens te meer nu bij deze schatting van de waarde van de vennootschap eventuele vorderingen op derden, het wagenpark, machines en gereedschappen en machines van de vennootschap nog niet zijn betrokken. Dat er sprake zou zijn geweest van zodanig hoge schulden van de onderneming dat deze schulden de baten van de vennootschap zouden overstijgen is vooralsnog niet gebleken.
5.35.
De rechtbank is dan ook van plan om een deskundige te benoemen. Deze deskundige zal de waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap moeten vaststellen per datum overlijden moeder met als uitgangspunt het criterium voor waardering zoals vermeld in het derde lid van artikel 3 van de vennootschapsovereenkomst.
De rechtbank gaat hier later nog verder op in.
Het aandeel van [A] in de vennootschap.
5.36.
Onder verwijzing naar zijn productie 19 (aangifte erfbelasting nalatenschap [A] ) stelt [gedaagde] dat het aandeel van [A] in de vennootschap op de datum van zijn overlijden
€ 152.305,00 was. [gedaagde] vordert in reconventie een verklaring voor recht dat hij een bedrag
van € 76.152,50 moet inbrengen in de nalatenschap van [A] .
5.37.
[eiser] betwist de door [gedaagde] genoemde waarde en stelt (tweede alinea op pagina 4 van antwoord in reconventie) dat de waarde van het aandeel van [A] tenminste de helft van
€ 307.592,00 bedraagt, dus een bedrag van circa € 150.000,00.
5.38.
De rechtbank heeft de indruk dat [gedaagde] en [eiser] met betrekking tot de waarde van het aandeel van [A] in de vennootschap van ongeveer dezelfde waarde uitgaan, namelijk ongeveer € 150.000,00. [eiser] gaat vervolgens uit van de inbreng door de overgebleven vennoot ( [gedaagde] ) van deze totale waarde. [gedaagde] echter gaat uit van de helft, kennelijk omdat de andere helft toch al aan hem toekomt als erfgenaam. Met betrekking tot de andere helft is [gedaagde] zowel de overblijvende vennoot als de erfgenaam. De rechtbank overweegt dat het in ieder geval niet zo kan zijn dat [gedaagde] maar de helft van de waarde van het aandeel van [A] inbrengt en vervolgens als erfgenaam aanspraak maakt op de helft van die ingebrachte helft. In dat geval zou aan [gedaagde] ¾ toekomen van het aandeel van [A] en aan [eiser] slechts ¼.
Wat daar ook van zij, bij de bepaling van de waarde van het aandeel van [A] in de vennootschap moet weer de waarde van het appartement in [plaats 2] worden betrokken en de waarde van de door [A] en [gedaagde] in de vennootschap ingebrachte percelen (perceel [nummer 3] en perceel [nummer 5] ). Een correctie zal misschien moeten plaatsvinden als blijkt dat de waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap te laag is ingeschat en als blijkt dat er, op het moment van overlijden van [A] , misschien nog langlopende schulden openstonden voor de financiering van de aankopen van de diverse onroerende zaken.
Beoordeling
Het komt de rechtbank dan ook zinvol voor ook voor de bepaling van het aandeel van [A] in de vennootschap een deskundige te benoemen. De rechtbank gaat hier later nog verder op in.
De hypothecaire geldlening en vestiging recht van hypotheek op de woning aan de [adres 2] van 16 mei 2014 (productie 17 bij dagvaarding) met [A] , [gedaagde] en [eiser] als hypotheekgevers.
5.39.
[eiser] verwijst naar productie 17 bij dagvaarding en stelt dat de woning aan de [adres 2] is belast met een recht van hypotheek met [A] , [gedaagde] en [eiser] als hypotheekgevers. Ten tijde van het overlijden van [A] was de restschuld nog ongeveer € 30.000,00. Deze schuld valt voor 1/3 deel in de nalatenschap van [A] , aldus [eiser] .
5.40.
[gedaagde] heeft deze stellingen niet weersproken.
5.41.
De rechtbank stelt vast dat het recht van hypotheek is gevestigd op 16 mei 2014, dus na het overlijden van moeder en voor het overlijden van [A] .
Op pagina 2 van de hypotheekakte staat dat dit recht van hypotheek dient als onderpand voor al wat de bank van de hypotheekgevers ( [A] , [gedaagde] en [eiser] , gezamenlijk of ieder afzonderlijk) te vorderen heeft. In de aangifte erfbelasting, opgemaakt naar aanleiding van het overlijden van [A] (productie 19 van [gedaagde] ), staat een bedrag van € 12.996,00 als
“overige schulden”, terwijl bij het onderwerp “hypotheek” een bedrag van € 0,00 staat. Het is de rechtbank niet duidelijk waarvoor dit hypotheekrecht is verstrekt, met welke financiële verplichting dit recht verband houdt en in hoeverre [A] , [gedaagde] en [eiser] in hun
onderlinge verhouding draagplichtig zijn voor deze restschuld (kennelijk op het moment van
overlijden van [A] nog € 30.000,00).
De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich nader uit te laten over het bestaan, het doel en de hoogte van deze (hypothecaire) schuld en over de interne draagplicht.
Partijen dienen voor zover mogelijk schriftelijk bewijs over te leggen.
Verhuurde onroerende zaken en reclameborden.
De woning en een schuur aan het [adres 1] .
5.42.
Partijen zijn het erover eens zijn dat de woning aan het [adres 1] en een schuur op het terrein [adres 1] in de periode na het overlijden van moeder waren verhuurd. Uit de stellingen van partijen volgt voorts dat deze huurinkomsten, nu de verhuurde opstallen privé-eigendom van vader en moeder waren, niet als inkomsten van de vennootschap of de onderneming van [gedaagde] moeten worden beschouwd, maar als inkomsten vallend in de onverdeelde nalatenschap van moeder.
5.43.
De rechtbank stelt voorts het volgende vast:
- De woning aan het [adres 1] was met ingang van 1 september 2013 verhuurd aan de heer [B] voor een bedrag van € 900,00 per maand (productie 22 [gedaagde] ). Deze huurovereenkomst is inmiddels geëindigd en er is sprake van een huurachterstand,
- Een schuur op het terrein aan het [adres 1] was met ingang van 1 augustus 2005 verhuurd (door vader als verhuurder) aan de heer [C] als opslag en/of stalling van auto’s en ander rijdend materieel voor een bedrag van € 4.800,00 exclusief BTW per jaar (productie 23 [gedaagde] ).
5.44.
[gedaagde] stelt dat tot en met juni 2019 in totaal een netto bedrag aan huurinkomsten is ontvangen uit de verhuur van de woning en de schuur aan het [adres 4] ter hoogte van in totaal € 55.719,62. Dit is door [eiser] niet weersproken. Voormeld bedrag valt in de onverdeelde nalatenschap van moeder.
5.45.
Uit de stellingen van partijen leidt de rechtbank af dat de heer [B] over de periode medio 2018 tot 24 oktober 2019 geen huur heeft betaald. De vordering op de heer [B] valt eveneens in de onverdeelde nalatenschap van moeder. Vanaf
24 oktober 2019 is de heer [B] weer huur gaan betalen. Ook deze bedragen vallen in de onverdeelde nalatenschap van moeder.
5.46.
De huurovereenkomst met de heer [B] is inmiddels geëindigd.
Partijen gaan er kennelijk allebei van uit dat deze huurovereenkomst in ieder geval vanaf 5 mei 2020 is geëindigd. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat de huurachterstand van de heer [B] per de datum van het verlaten van de woning € 7.300,00 bedroeg.
5.47.
De huur voor de door de heer [C] gehuurde schuur over de periode vanaf juli 2019 (€ 400,00 per maand exclusief BTW) valt eveneens in de onverdeelde nalatenschap van moeder.
5.48.
Partijen zijn het er ook over eens dat [gedaagde] de huurinkomsten feitelijk heeft ontvangen en heeft gebruikt om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Hiermee zal rekening worden gehouden bij het berekenen van de aanspraken van ieder van partijen op de nalatenschappen.
Een schuur op het adres [adres 2] .
5.49.
Bij dagvaarding stelt [eiser] (zie alinea 4.4.4.) dat een derde, waarschijnlijk de heer
[D] , gebruik maakt van het terrein en de opstallen aan de [adres 2] .
5.50.
[gedaagde] stelt vervolgens dat er met de heer [D] geen huurovereenkomst is gesloten, maar dat de heer [D] , een huisvriend en adviseur van [gedaagde] , toestemming heeft gekregen om een aantal aan hem toebehorende auto’s op het bedrijventerrein te stallen. Er is dus geen sprake van een huurovereenkomst en er zijn dus ook geen inkomsten uit huur.
5.51.
De rechtbank overweegt dat de enkele omstandigheid dat [gedaagde] aan de heer [D] toestemming heeft gegeven om een aantal auto’s op zijn bedrijventerrein te stallen niet inhoudt dat daardoor een contractuele verplichting is ontstaan tussen de erfgenamen van moeder en/of [A] enerzijds en de heer [D] anderzijds.
De rechtbank gaat er dan ook van uit dat er geen inkomsten zijn op grond van de door [gedaagde] aan de heer [D] gegeven toestemming, die in de nalatenschappen van moeder en/of [A] zouden vallen met betrekking tot het perceel [adres 2] .
Inkomsten uit plaatsing reclameborden.
5.52.
Partijen zijn het erover eens dat er op het terrein [adres 2] (op welk adres ook de onderneming van [gedaagde] is gevestigd) reclameborden zijn geplaatst waarvoor door derden een vergoeding (hierna te noemen: de reclame-inkomsten) is betaald.
5.53.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat gemiddeld per maand een bedrag van ongeveer
€ 250,00 aan reclame-inkomsten werd ontvangen en dat deze inkomsten in de nalatenschappen vielen. [gedaagde] moet meer informatie geven, aldus [eiser] .
5.54.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat dit inkomsten waren die toekwamen aan de vennootschap dan wel aan zijn onderneming. In totaal is in de periode 2014 tot en met 2019 aan reclame-inkomsten een bedrag ontvangen van € 15.128,29. In alinea 64 van antwoord / eis in reconventie geeft [gedaagde] een overzicht van de in de jaren 2014 tot en met 2019 ontvangen reclame-inkomsten.
5.55.
De rechtbank stelt vast dat het gaat over reclame-inkomsten vanaf 2014.
In het door [gedaagde] overgelegde Rapport jaarrekening 2014 (productie 37 bij antwoord / eis in reconventie van [gedaagde] ) worden deze inkomsten niet apart genoemd. Aan wie deze inkomsten toekomen, is op dit moment dan ook niet duidelijk. Als het zakelijke inkomsten zijn, zal dit een positief effect hebben op de waardering van de vennootschap ten tijde van het overlijden van [A] .
Beoordeling
Als de inkomsten niet toekomen aan de vennootschap/onderneming van [gedaagde] , zijn het wellicht opbrengsten (de vruchten) van het adres [adres 2] , welk perceel tot de onverdeelde nalatenschap van moeder behoort.
5.56.
De rechtbank zal partijen in de gelegenheid stellen hun stellingen over de reclame- inkomsten nader aan te vullen, zo mogelijk onder het overleggen van bewijsstukken. Als deze informatie van partijen onvoldoende duidelijkheid biedt, is de rechtbank van plan om de (waarschijnlijk) nog te benoemen deskundige te vragen om te onderzoeken of de vennootschap inkomsten uit het plaatsen van reclameborden heeft ontvangen.
De rechtbank wijst er daarbij op dat [A] in september 2014 is overleden, zodat het mogelijk is dat de jaarrekeningen van de vennootschap, die ten gevolge van het overlijden van [A] is geëindigd, geen duidelijkheid zullen bieden.
De rechtbank is voornemens de deskundige daarom ook te vragen na te gaan of in de jaarrekening of boekhouding van de onderneming van [gedaagde] inkomsten met betrekking tot de plaatsing van reclameborden staan vermeld. Als [gedaagde] geen toestemming geeft voor inzage door de deskundige in de jaarrekeningen en boekhouding van [gedaagde] , dan zal de rechtbank er
van uitgaan dat de reclame-inkomsten zijn te beschouwen als vruchten van de nalatenschap van moeder omdat het terrein waarop de reclameborden zijn geplaatst het perceel [adres 2] is, welk perceel valt in de onverdeelde nalatenschap van moeder.
Moment van betaling van een deel van de huurinkomsten en reclame-inkomsten aan [eiser] .
5.57.
[gedaagde] erkent dat [eiser] , als erfgenaam, aanspraak kan maken op een deel van de huurinkomsten. De onderneming van [gedaagde] rendeert slecht en [gedaagde] heeft de huuropbrengsten gebruikt om in zijn onderhoud te kunnen voorzien. [gedaagde] wijst er op dat [eiser] niet eerder dan bij dagvaarding heeft aangegeven dat de helft van de inkomsten aan hem moet worden afgedragen. [gedaagde] heeft niet de financiële middelen om thans een bedrag ineens aan [eiser] te betalen. [gedaagde] zal [eiser] direct betalen na verkoop van een van de registergoederen die tot de nalatenschap behoren en verdeling van de opbrengst daarvan tussen de erfgenamen. [gedaagde] heeft niet de intentie gehad de opbrengsten niet te delen.
5.58.
[eiser] stelt zich te hebben verbaasd over het gebruiken van de ontvangen huuropbrengsten door [gedaagde] .
5.59.
De rechtbank overweegt dat het [gedaagde] niet was toegestaan, zonder nadrukkelijke toestemming van [eiser] als mede-erfgenaam, een deel van de ontvangen bedragen (in ieder geval de ontvangen huur voor de woning en de schuur aan het [adres 1] ) te gebruiken om te voorzien in zijn levensonderhoud. Gelet op de beperkte financiële draagkracht van [gedaagde] enerzijds en de omstandigheid dat diverse onroerende zaken behoren tot de nalatenschap anderzijds, lijkt het de rechtbank niet zinvol om [gedaagde] te gelasten nu reeds de door hem opgenomen bedragen terug te betalen. Te zijner tijd zal dit door [gedaagde] ontvangen bedrag worden verrekend.
5.60.
[eiser] vordert dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen om aan [eiser] de wettelijke rente vanaf 16 april 2019 over de door [gedaagde] ontvangen huur en de reclame-inkomsten te vergoeden. De rechtbank zal hier in een later vonnis nog over beslissen.
De inboedel van moeder en de inboedel van [A] .
5.61.
Beide partijen hebben aangegeven geen interesse te hebben in de tot de nalatenschap van moeder behorende inboedel in de woning aan de [adres 2] . Beide partijen stellen dat de andere partij de inboedel toebedeeld mag krijgen tegen een waarde van € 5.000,00.
5.62.
Nu geen van beide partijen belangstelling heeft voor de inboedel van moeder zal de rechtbank de wijze van verdeling van de inboedel als volgt vaststellen. De inboedel zal moeten worden verkocht aan een opkoper en de opbrengst daarvan (dan wel de kosten verbonden aan het afvoeren van de inboedel die niet verkocht kan worden) zal worden betrokken bij de verdeling van de nalatenschap van moeder. Partijen dienen de rechtbank te informeren over de opbrengst van de verkoop en de kosten verbonden aan het afvoeren van de inboedel. Als partijen dat niet doen, zal de rechtbank er van uit gaan dat de inboedel niets heeft opgebracht en dat het afvoeren daarvan niets heeft gekost.
5.63.
Partijen hebben niets gesteld over eventuele aan [A] toebehorende inboedel. [A] woonde, evenals [gedaagde] , met moeder op het adres [adres 2] . De rechtbank gaat ervan uit dat [A] geen eigen inboedel had die in de verdeling van zijn nalatenschap moet worden betrokken.
De gestelde geldlening door [gedaagde] aan [eiser] van € 18.000,00.
5.64.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij aan [eiser] een bedrag van € 20.000,00 heeft geleend zodat [eiser] de opgelegde aanslag erfbelasting kon betalen voor de nalatenschap van [A] . [eiser] heeft een bedrag van € 2.000,00 terugbetaald, zodat er nu nog een bedrag van € 18.000,00 open staat. Ter onderbouwing van zijn stellingen verwijst [gedaagde] naar de producties 39 en 40 bij antwoord.
5.65.
[eiser] betwist dat hij geld heeft geleend. Er is slechts een bedrag van € 20.000,00 overgemaakt van een bankrekening die mede op naam van [eiser] stond naar een bankrekening die alleen op naam van [eiser] stond. Ook [eiser] verwijst naar de producties 39 en 40 bij antwoord. [eiser] bevestigt dat hij dit bedrag heeft gebruikt voor het betalen van bij hem in rekening gebrachte erfbelasting naar aanleiding van het overlijden van [A] . Deze erfbelasting bedroeg € 51.717,00 - zie productie 19 bij antwoord. [eiser] wijst er op dat de aan [gedaagde] opgelegde aanslag erfbelasting in verband met het overlijden van [A] slechts
€ 1.177,00 bedroeg omdat [gedaagde] gebruik kon maken van een hoge vrijstelling in verband met de bedrijfsopvolgingsregeling. [eiser] stelt dat hij met [gedaagde] had afgesproken dat de door hem verschuldigde erfbelasting deels van de rekening “van de zaak” betaald zou worden.
5.66.
De rechtbank stelt vast dat uit de als productie 39 en 40 bij antwoord overgelegde bankafschriften het volgende volgt (waarbij de bankrekeningen met de laatste vier cijfers van hun rekeningnummer zullen worden aangeduid):
- Op 25 december 2016 wordt van rekeningnummer -6048 (op naam van [gedaagde] en/of de erven van [A] ) een bedrag van € 20.000,00 overgemaakt naar rekeningnummer
-0960 (op naam van [gedaagde] en [eiser] );
- Op diezelfde dag wordt dit bedrag van € 20.000,00 overgemaakt van rekeningnummer -0960 naar rekeningnummer -2123 (op naam van [bedrijf 2] , het bedrijf van [eiser] ) onder vermelding van “lening successie”;
- Op 7 februari 2017 en op 25 april 2017 is vanuit de bankrekening -2123 telkens een
bedrag van € 1.000,00 (dus in totaal € 2.000,00) overgemaakt naar rekeningnummer
-6048, beide keren onder vermelding van “aflossing”. Deze laatste rekening staat op naam van [gedaagde] en de erven van [A] .
De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande (met name uit de aanduidingen “lening successie” en “aflossing”) tegen de achtergrond van de stellingen van partijen volgt dat aan [eiser] een bedrag van € 20.000,00 is geleend om daarmee de hem opgelegde aanslag erfbelasting in verband met het overlijden van [A] te betalen. Verder staat vast dat [eiser] in totaal een bedrag van € 2.000,00 heeft afgelost. [eiser] moet dan ook nog een bedrag van
€ 18.000,00 terugbetalen.
Aan wie [eiser] het resterende bedrag van € 18.000,00 zal moeten terugbetalen staat nog niet vast.
Beoordeling
Dit hangt af van de vraag aan wie het saldo op 25 december 2016 van rekening -6048 toekwam. De rekening -6048 is een rekening die, kennelijk, voor het overlijden van [A] op naam van [gedaagde] en/of [A] stond. Na het overlijden van [A] is de rekening op naam van [gedaagde] en/of de erven van [A] gezet. Het is de rechtbank niet duidelijk of rekening -6048 de zakelijke rekening van de onderneming van [A] en [gedaagde] was of een privérekening van [A] en [gedaagde] . Enerzijds zegt [eiser] (op pagina 8 van zijn antwoord in reconventie) “afgesproken werd destijds … van de rekening “van de zaak” betaald zou worden” wat er op lijkt te duiden dat de rekening zakelijk is. Anderzijds heeft [gedaagde] via de producties 27 tot en met 34 overzichten van de zakelijke bankrekening overgelegd, waarbij het rekeningnummer eindigt op -3252).
De rechtbank zal [gedaagde] in de gelegenheid stellen meer informatie te verstrekken over de rekening -6048 en bankafschriften over te leggen waaruit het saldo en de tenaamstelling van de rekening -6048 blijkt per datum overlijden [A] en per 25 december 2016, de datum van de overboeking van het bedrag van € 20.000,00 van deze rekening naar de rekening -0960 die op naam van [gedaagde] en [eiser] stond.
5.67.
[eiser] wijst er op dat [gedaagde] het door hem genoemde bedrag van € 18.000,00 twee keer in zijn vorderingen heeft betrokken. Ter toelichting wijst [eiser] op productie 25 bij zijn conclusie van antwoord in reconventie. Dit is een weergave van grootboekkaarten van de onderneming waarop onder andere de lening en de twee aflossingen staan vermeld. Deze vordering op [eiser] is verwerkt in de balans van de onderneming en zal betrokken worden bij de waardering daarvan. Daarnaast vordert [gedaagde] in deze procedure betaling van het bedrag van € 18.000,00 aan hem in privé.
De rechtbank volgt deze stelling gedeeltelijk. [eiser] stelt terecht, zo overweegt de rechtbank, dat hij voornoemd bedrag slechts één keer zal moeten terugbetalen. De lening is echter tot stand gekomen na het overlijden van [A] (het bedrag van € 20.000,00 is overgemaakt op
1 januari 2017) en de vordering op [eiser] maakt daarom geen deel uit van de nalatenschap van [A] en wordt dan ook niet betrokken bij de waardering van de onderneming ten tijde van het overlijden van [A] .
Verbeurdverklaring van aandeel in de onderneming en in de ontvangen huur en de reclame- inkomsten op grond van artikel 3:194 lid 2 BW?
5.68.
Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] goederen die tot de nalatenschappen van moeder en [A] behoorden voor [eiser] heeft verzwegen, heeft zoekgemaakt of verborgen heeft gehouden in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW. De sanctie die hier op staat is dat [gedaagde] , als [eiser] in zijn stellingen gevolgd zou worden, zijn aandeel in die goederen zou verliezen. Artikel 3:194 tweede lid BW is, gelet op het bepaalde in artikel 3:189 BW, van toepassing op een gemeenschap van een nalatenschap.
5.69.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat er van de zijde van [gedaagde] sprake is van het verzwijgen, zoek maken of verborgen houden van goederen in de zin van artikel 3:194 lid 2 BW.
[eiser] voert het volgende aan. Hij heeft, zelf en via zijn advocaat, meerdere malen bij [gedaagde] stukken opgevraagd om inzicht te krijgen in de activa en passiva van de vennootschap. Het betreft onder andere een aantal jaarstukken van de vennootschap, opgave van op het bedrijventerrein aanwezige roerende zaken en van de aangifte erfbelasting met betrekking tot de nalatenschap van [A] . [gedaagde] heeft deze stukken niet verstrekt en heeft daarom zijn aandeel in de vennootschap (voor zover dat aandeel behoort tot de onverdeelde nalatenschappen) verbeurd, aldus [eiser] . [eiser] stelt ook dat [gedaagde] heeft nagelaten hem te informeren over de door [gedaagde] ontvangen huur en over de inkomsten die hij krijgt in verband met de plaatsing van reclameborden. [gedaagde] heeft daarom ook zijn aandeel in de ontvangen huur en de reclame-inkomsten ten gunste van [eiser] verbeurd.
[eiser] stelt (alinea 4.3.3. van de dagvaarding) dat zijn advocaat bij brief van 13 februari 2019 aan [gedaagde] (dan wel aan de advocaat van [gedaagde] ) heeft gevraagd om inzicht in de vermogensbestanddelen van de vennootschap en de waarde daarvan. Vervolgens zijn op 14 maart 2019, 27 maart 2019 en 9 april 2019 aanmaningen aan [gedaagde] gestuurd. Op
19 juli 2019 is [eiser] overgegaan tot dagvaarding van [gedaagde] .
5.70.
[gedaagde] betwist de stellingen van [eiser] . [eiser] was, zo stelt [gedaagde] , goed op de hoogte van de verhuur van de woning en de schuur aan het [adres 1] omdat hij tot medio 2017 de boekhouding (deels) verzorgde. [eiser] wist ook hoe hoog de huur was. De partner van [eiser] heeft een aantal keer de heer [B] aangemaand de achterstallige huur te betalen.
[eiser] wist ook dat er reclameborden op het terrein stonden. [eiser] heeft zich tot medio 2017 altijd vrijelijk over het terrein kunnen bewegen. Wat betreft de onderneming was het niet zo dat [gedaagde] geen informatie wilde geven, het kostte hem alleen veel tijd om alle informatie te verzamelen waar [eiser] om vroeg.
5.71.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het gaat hier om de vraag wanneer goederen als verzwegen, zoekgemaakt of verborgen gehouden moeten worden beschouwd. Voor de leesbaarheid zal de rechtbank deze drie situaties hierna samenvattend “het verzwijgen van goederen” noemen.
Voor een geslaagd beroep op artikel 3:194 BW moet in ieder geval duidelijk zijn welke goederen zijn verzwegen, hoe dat is gedaan en hoe deze op een bepaald moment toch weer tevoorschijn zijn gekomen. Bovendien dient er sprake te zijn van opzet. De stelplicht en bewijslast rust hierbij op de erfgenaam die een beroep doet op het verzwijgen van tot de nalatenschap horende goederen door de andere erfgenaam.
Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij op de hoogte was van de verhuur van de woning en een schuur aan het [adres 1] . Deze huurovereenkomsten waren al aangegaan in de periode waarin [eiser] de administratie (mede) verzorgde. Ook was [eiser] op de hoogte van de geplaatste reclame borden op het perceel [adres 2] . [eiser] heeft tot medio 2017 de administratie van de onderneming verzorgd en zijn partner heeft diverse malen de heer [B] benaderd met betrekking tot de achterstallige huur. Medio 2017 is [eiser] gestopt met het verzorgen van de administratie ten behoeve van [gedaagde] . Vanaf dat moment had [eiser] weliswaar geen toegang meer tot de administratie van de onderneming, maar wel wist hij in grote lijnen welke activa en passiva onderdeel uit hadden gemaakt van de onderneming ten tijde van het overlijden van moeder en ten tijde van het overlijden van [A] . Ook kan ervan uit worden gegaan dat [eiser] wist dat er op regelmatige basis huurinkomsten en reclame-inkomsten werden ontvangen.
De enkele omstandigheid dat [gedaagde] niet terstond, althans voordat [eiser] tot het dagvaarden van [gedaagde] is overgegaan op 19 juli 2019) de door [eiser] (bij brieven van 13 februari 2019,
14 maart 2019, 27 maart 2019 en 9 april 2019) gevraagde informatie heeft verstrekt is niet voldoende om aan te nemen dat [gedaagde] opzettelijk goederen heeft verzwegen. Daar komt nog bij, zoals hiervoor al vastgesteld, dat [eiser] , ten gevolge van zijn administratieve werkzaamheden voor de onderneming, redelijk goed op de hoogte was van de samenstelling van de nalatenschappen, zodat van verzwijging niet snel sprake zal kunnen zijn.
Het lijkt er veeleer op dat [eiser] aan [gedaagde] verwijt dat hij niet snel genoeg de gevraagde informatie heeft verstrekt.
Beoordeling
Een dergelijk verwijt in algemene zin is onvoldoende om aan te nemen dat van verzwijging van goederen sprake is.
Uit de inhoud van de dagvaarding volgt eveneens dat [eiser] goed op de hoogte is van de bestanddelen van de te verdelen nalatenschappen. [gedaagde] heeft bovendien bij conclusie van antwoord veel van de door [eiser] gevraagde stukken overgelegd. Dat wellicht nog niet alle informatie in het geding is gebracht en dat [gedaagde] wellicht geen informatie meer heeft over bepaalde goederen, wil nog niet zeggen dat [gedaagde] die betreffende goederen heeft verzwegen. Uit de stellingen van [eiser] volgt ook niet welke specifieke goederen [gedaagde] dan heeft verzwegen, waarom [eiser] niet van het bestaan van die goederen op de hoogte was en hoe [eiser] uiteindelijk van het bestaan van die goederen op de hoogte is geraakt.
[eiser] heeft dan ook zijn stelling dat sprake is van opzettelijke verzwijging van goederen door [gedaagde] onvoldoende onderbouwd.
De vorderingen van [eiser] onder d en f in conventie inhoudende dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat [gedaagde] zijn aandeel in de huurpenningen en de gebruiksvergoeding ten gunste van [eiser] verbeurd heeft en dat [gedaagde] zijn aandeel in de thans ontbonden vennootschap onder firma - voor zover dat behoort tot de onverdeelde nalatenschappen - ten gunste van [eiser] verbeurd heeft, zullen dan ook bij eindvonnis worden afgewezen.
Tussenoverweging.
5.72.
De rechtbank zal hierna bespreken welke bestanddelen behoren tot de nalatenschappen van vader, van moeder en van [A] . Deze overzichten kunnen nog veranderen afhankelijk van het verdere verloop van de procedure en de uitkomsten van de deskundigenberichten.
De nalatenschap van vader.
5.73.
Tussen partijen is niet in geschil dat de regels inzake de wettelijke verdeling van toepassing zijn op de nalatenschap van vader. Hieruit volgt dat moeder alle goederen van de nalatenschap heeft verkregen en dat de schulden van de nalatenschap voor haar rekening kwamen. De drie kinderen, [A] , [gedaagde] en [eiser] , hebben ieder een vordering in geld op moeder, ter hoogte van de waarde van hun aandeel in de nalatenschap van vader (ieder 1/4 deel), opeisbaar bij overlijden van moeder.
5.74.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen er in deze procedure van uit gaan dat de vordering van de drie kinderen op moeder in verband met de nalatenschap van vader (vermeerderd met de enkelvoudige rente) op het moment van het overlijden van moeder voor iedere erfgenaam € 68.429,00 bedroeg. De rechtbank zal daar ook van uitgaan.
De nalatenschap van moeder.
5.75.
De nalatenschap van moeder bestaat, in ieder geval (zie de aangifte erfbelasting zoals door de drie kinderen is ondertekend en ingediend op 16 oktober 2013: productie 1 bij dagvaarding en productie 9 bij antwoord) uit de volgende onderdelen:
- De woning aan de [adres 2] ;
- De woning aan het [adres 1] ;
- Het perceel [nummer 1] ;
- Het perceel [nummer 2] ;
- Een banktegoed van € 19.254,00;
- Het aandeel van moeder in de vennootschap (waarbij rekening moet worden gehouden met het aandeel van moeder in het appartement in [plaats 2] , dat is ingebracht in de vennootschap);
- De inboedel; Schulden:
- Een schuld aan ieder van de zonen (3x € 68.429,00) in totaal € 205.287,00;
- Begrafeniskosten ad € 7.000,00;
5.76.
De rechtbank merkt op dat door de drie broers aangifte erfbelasting is gedaan met betrekking tot de nalatenschap van moeder. Volgens deze aangifte erfbelasting is het totale saldo van de nalatenschap van moeder € 485.595,00. Aan ieder kind zou dan, als zou worden uitgegaan van die aangifte, zaken met een totale waarde van € 161.865,00 moeten worden toebedeeld. De rechtbank stelt vast dat de belastingdienst van dit bedrag is
uitgegaan: ieders verkrijging is € 161.865,00. De vrijstelling erfbelasting is € 19.114,00.
Resteert als belaste verkrijging een bedrag van € 142.751,00 zodat de erfbelasting per kind
€ 17.122,00 bedraagt. Onduidelijk is echter de waarde van de onroerende zaken per datum overlijden moeder en de waarde van het aandeel van moeder in de vennootschap. Het is dan ook mogelijk dat het in deze procedure vast te stellen saldo van de nalatenschap van moeder zal afwijken van het bij de aangifte opgegeven saldo van de nalatenschap van moeder.
De nalatenschap van [A] .
5.77.
De nalatenschap van [A] bevat, in ieder geval, de volgende onderdelen:
- De vordering van [A] op de nalatenschap van moeder in verband met de
nalatenschap van vader ad € 68.429,00;
- Het aandeel van [A] in de onverdeelde nalatenschap van moeder;
- Het aandeel van [A] in de vennootschap per datum overlijden [A] , waarbij ook rekening moet worden gehouden met de waarde van de percelen [nummer 3] en [nummer 5] ;
- Banktegoeden (nog nader vast te stellen); Schulden:
- Eventuele schulden: nog nader vast te stellen;
- Begrafeniskosten: € 6.984 (zie aangifte erfbelasting [A] - productie 19 bij antwoord).
De onroerende zaken.
5.78.
Partijen zijn het er over eens dat in de nalatenschap van moeder een aantal onroerende zaken vallen, die niet in de vennootschap zijn ingebracht. Tot de nalatenschap van [A] behoren ook twee onroerende zaken, die wel in de vennootschap zijn ingebracht. Partijen hebben ieder kenbaar gemaakt in hoeverre zij deze onroerende zaken toebedeeld wensen te krijgen.
5.79.
De rechtbank stelt vast dat partijen het grotendeels eens zijn over de bestemming van de onroerende zaken.
- [gedaagde] wil de woning aan de [adres 2] toebedeeld krijgen. [eiser] is het daar mee eens.
De woning aan de [adres 2] zal moeten worden getaxeerd.
- Beide partijen willen dat de woning aan het [adres 1] , het perceel [nummer 1] en het perceel [nummer 2] worden verkocht. Deze onroerende zaken zijn nooit in de vennootschap ingebracht. [gedaagde] en [eiser] zijn dan ook, ieder voor de helft, gerechtigd tot deze onroerende zaken.
- [gedaagde] en [A] waren ieder voor de helft eigenaar van het perceel [nummer 3] en het perceel [nummer 5] . Deze percelen zijn door [A] en [gedaagde] in de vennootschap ingebracht. Op grond van het verblijvingsbeding komen deze zaken toe aan [gedaagde] . [gedaagde] zal aan de nalatenschap van [A] de waarde van deze percelen moeten vergoeden. De waarde van deze percelen zal door een deskundige moeten worden vastgesteld.
Het onderwerp waar partijen het oneens over zijn is het appartement in [plaats 2] .
[eiser] heeft belang bij verkoop aan hem van het appartement in [plaats 2] omdat hij daar al ruim 18 jaar woont en daar graag wil blijven wonen. [gedaagde] stelt zich echter terecht op het standpunt dat het appartement in [plaats 2] van hem is op grond van de vennootschapsovereenkomst. Dit appartement zal nog wel gedeeltelijk formeel aan hem geleverd moeten worden, waarbij [gedaagde] een deel van de waarde van het appartement (ten tijde van het overlijden van moeder (1/3 deel) en ten tijde van het overlijden van [A] (1/2 deel)) aan de nalatenschappen van moeder en [A] zal moeten vergoeden.
5.80.
De rechtbank zou zich kunnen voorstellen dat de inhoud van dit vonnis voor partijen aanleiding vormt om met elkaar in overleg te treden, waarbij het appartement in [plaats 2] een van de belangrijkste punten zal zijn.
Beoordeling
De omstandigheid dat er nog meer onroerende zaken zijn kan er misschien toe leiden dat [gedaagde] er toch mee akkoord kan gaan om het appartement in [plaats 2] aan [eiser] te verkopen in ruil voor toebedeling van de woning aan de [adres 2] en een deel van de overige onroerende zaken in [plaats 1] , dan wel een groter deel van de verkoopopbrengst van de overige onroerende zaken in [plaats 1] . Dit onder verrekening van de waarde van de diverse zaken.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich over het appartement in [plaats 2] en over de vraag of zij met betrekking tot dit appartement en de overige onroerende zaken misschien tot een praktische oplossing kunnen komen.
De deskundigenberichten.
5.81.
De waarde van de onroerende zaken en van de vennootschap moeten worden vastgesteld. De rechtbank is dan ook voornemens daarvoor één of meer deskundige(n) te benoemen.
De rechtbank is vooralsnog van oordeel dat 3 verschillende deskundigen zullen moeten worden benoemd:
1- Een deskundige (een makelaar/taxateur) die de waarde van het appartement in [plaats 2] per datum overlijden moeder en per datum overlijden [A] moet vaststellen. Als partijen nog openstaan voor een oplossing in onderling overleg zou deze deskundige ook gevraagd kunnen worden wat de waarde van het appartement is per datum taxatie. De rechtbank is van plan om een makelaar/taxateur te benoemen die bekend is met de Amsterdamse woningmarkt.
2- Een deskundige (een makelaar/taxateur) die de waarde van de onroerende zaken in [plaats 1] (zowel de percelen [nummer 1] en [nummer 2] als de twee woningen) per datum overlijden moeder, per datum overlijden [A] en per heden moet vaststellen. Deze deskundige zal ook gevraagd worden de waarde van de percelen [nummer 3] en [nummer 5] vast te stellen per datum overlijden [A] en per heden. De rechtbank is van plan een makelaar/taxateur te benoemen die bekend is met de Brabantse woning-, natuurterreinen- en bedrijventerreinenmarkt.
3- Een deskundige die de waarde van de vennootschap per datum overlijden moeder en per datum overlijden [A] kan vaststellen. Met betrekking tot de waardering van de vennootschap zal deze deskundige de waarde van de vennootschap moeten bepalen overeenkomstig het bepaalde in artikel 13 lid 2 en 3 van de vennootschapsovereenkomst. Het aandeel van moeder in de vennootschap was op datum van haar overlijden 1/3 deel. Het aandeel van [A] in de vennootschap was op het moment van zijn overlijden 1/2 deel. Hierbij is er van uitgegaan dat het aandeel van moeder na haar overlijden, met toepassing van het verblijvingsbeding, op [A] en [gedaagde] is overgegaan, ieder voor een gelijk deel. Deze deskundige zal bij de waardebepaling ten tijde van het overlijden van moeder ook de waarde van het appartement in [plaats 2] moeten betrekken. Bij de waardebepaling van de vennootschap ten tijde van het overlijden van [A] zal de waarde van het appartement per die datum en de waarde van de percelen [nummer 3] en [nummer 5] in [plaats 1] moeten worden betrokken.
5.82.
De rechtbank is vooralsnog van plan aan de 1e deskundige de volgende vragen te stellen:
- Kunt u aangeven wat de vrije verkoopwaarde was/is van het appartement in [plaats 2] per datum overlijden van moeder (30 december 2012), per datum overlijden van [A] (17 september 2014) en per heden?
- Wilt u uw antwoord toelichten.
De rechtbank is vooralsnog van plan aan de 2e deskundige de volgende vragen te stellen:
- Kunt u aangeven wat de vrije verkoopwaarde was/is van de woning aan het [adres 1] , de woning aan de [adres 2] , het perceel [nummer 1] en het perceel [nummer 2] per datum overlijden moeder (30 december 2012) en per datum overlijden van [A] (17 september 2014) en per heden?
- Kunt u aangeven wat de vrije verkoopwaarde was/is van de percelen [nummer 3] en [nummer 5] ten tijde van het overlijden van [A] (17 september 2014) en per heden.
- Wilt u uw antwoord toelichten.
De rechtbank is vooralsnog van plan aan de 3e deskundige de volgende vragen te stellen:
- Kunt u aangeven wat de waarde van de vennootschap zoals gedreven door moeder, [A] en [gedaagde] was per datum overlijden moeder (30 december 2012)? Wilt u daarbij rekening houden met het appartement te [plaats 2] dat door moeder, [A] en [gedaagde] , ieder voor een gelijk deel, in de vennootschap is ingebracht en de eventuele financiering? Wilt u voor de waardebepaling van de vennootschap uitgaan van de afspraken die de vennoten daarover hebben gemaakt, zoals vermeld in artikel 13, de leden 2 en 3 van de vennootschapsovereenkomst (zie productie 12 bij antwoord).
- Kunt u aangeven wat de waarde van de vennootschap zoals gedreven door [A] en [gedaagde] was per datum overlijden [A] (17 september 2014)? Wilt u daarbij rekening houden met het appartement te [plaats 2] en de percelen [nummer 3] en [nummer 5] die door [A] en [gedaagde] , ieder voor een gelijk deel, in de vennootschap zijn ingebracht? Wilt u voor de waardebepaling van de vennootschap uitgaan van de afspraken die de vennoten daarover hebben gemaakt, zoals vermeld in artikel 13, de leden 2 en 3 van de vennootschapsovereenkomst (zie productie 12 bij antwoord)?
- Kunt u aangeven of u uit de administratie en/of jaarstukken van de vennootschap de omvang en samenstelling van de bedrijfsinventaris, de bedrijfsvoorraad, de machines, de materialen, de metalen (aluminium en ijzer), de auto’s en de auto- onderdelen kunt afleiden en kunt u aangeven wat de waarde van deze bedrijfsvoorraad is per datum overlijden moeder en per datum overlijden [A] ? Kunt u aangeven op welke wijze deze bedrijfsvoorraad invloed heeft op de waarde van de onderneming per datum overlijden moeder en per datum overlijden [A] ? Kunt u uw antwoord toelichten?
- Kunt u, als u de waarde van de hiervoor genoemde roerende zaken niet kunt bepalen, een schatting maken van de waarde hiervan, uitgaande van de aanwezige bedrijfsadministratie en uw kennis van gelijksoortige ondernemingen, per datum overlijden moeder en per datum overlijden [A] . Wilt u uw antwoord toelichten?
- Zijn er nog andere omstandigheden die van invloed zijn op de waardering van de vennootschap op de verschillende data? Wilt u uw antwoord toelichten?
- Kunt u aangeven of de vennootschap in het jaar 2014 inkomsten in verband met het plaatsen van reclameborden heeft ontvangen?
- Kunt u aangeven, op basis van de jaarrekeningen of de boekhouding van het eenmansbedrijf van [gedaagde] , of de onderneming van [gedaagde] in de jaren na het overlijden van [A] inkomsten in verband met het plaatsen van reclameborden heeft ontvangen?
De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid zich nader uit te laten over het voorgenomen deskundigenbericht, het aantal deskundigen, over de persoon van de deskundige en over de aan de deskundige(n) te stellen vragen.
Ontbrekende stukken? Boedelbeschrijvingen en verdeling gelasten met benoeming van een onzijdig persoon.
5.83.
[eiser] heeft onder meer gevorderd dat [gedaagde] zal worden opgedragen de volgende stukken met betrekking tot de (ontbonden) vennootschap over te leggen: balans en winst- en verliesrekeningen over de jaren 2011, 2012, 2013 en per 17 september 2014; een schriftelijke beschrijving per 17 september 2014 van de inventaris, bedrijfsvoorraad,
machines, materialen, metalen zoals aluminium en ijzer, auto’s en auto onderdelen, alle afschriften van bankrekeningen et cetera.
5.84.
[gedaagde] heeft al diverse schriftelijke stukken in het geding gebracht.
Beoordeling
[gedaagde] heeft daarnaast aangevoerd dat hij niet in staat is om een opgave te doen per 17 september 2014 van de inventaris, bedrijfsvoorraad, machines, materialen, metalen zoals aluminium en ijzer, auto’s en auto onderdelen omdat hij eenvoudigweg niet over die gegevens beschikt.
5.85.
[eiser] wordt in de gelegenheid gesteld om aan te geven of hij nog bepaalde schriftelijke stukken mist en welke dat dan zijn en waarom hij daar een belang bij heeft. Met betrekking tot de inventaris, bedrijfsvoorraad, machines, materialen, metalen zoals aluminium en ijzer, auto’s en auto onderdelen is de rechtbank voornemens om aan de deskundige die de waarde van de onderneming moet bepalen te vragen de rechtbank hierover voor te lichten uitgaande van de aanwezige bedrijfsadministratie en zijn kennis van gelijksoortige ondernemingen.
Boedelbeschrijvingen en verdeling gelasten met benoeming van een onzijdig persoon.
5.86.
[eiser] vordert, op grond van artikel 3:194 lid 1 BW, om [gedaagde] te gelasten mee te werken aan het opmaken van een boedelbeschrijving en vervolgens met [eiser] over te gaan tot de verdeling van de nalatenschap, met zo nodig de benoeming van een onzijdig persoon. [gedaagde] vordert onder meer de verdeling vast te stellen dan wel de wijze van de verdeling vast te stellen overeenkomstig de door hem voorgestelde wijze.
5.87.
Nu in deze procedure de samenstelling van de nalatenschappen al uitgebreid aan de orde komt, vraagt de rechtbank zich af of [eiser] nog een belang bij heeft het laten opmaken van een boedelbeschrijving. [eiser] zal zich hierover mogen uitlaten.
5.88.
Beide partijen wensen over te gaan tot verdeling van de nalatenschappen en hebben de rechtbank gevraagd de verdeling vast te stellen dan wel de wijze van verdeling vast te stellen. Beide partijen hebben daartoe voorstellen gedaan, waarmee de rechtbank rekening zal houden, maar ook van af mag wijken.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een onzijdig persoon te benoemen omdat niet gebleken is dat [gedaagde] niet wil meewerken aan de verdeling, maar veeleer dat partijen het eenvoudigweg niet eens zijn over de wijze waarop verdeeld moet worden. Voor een dergelijke situatie is de mogelijkheid om een onzijdige persoon te benoemen niet bedoeld.
Machtiging te gelde maken.
5.89.
[gedaagde] heeft gevorderd hem te machtigen bepaalde tot de nalatenschappen behorende zaken te gelde te mogen maken. De rechtbank zal een beslissing over deze vordering aanhouden totdat meer duidelijkheid bestaat over de samenstelling, omvang en schulden van de nalatenschappen.
Betaling in termijnen.
5.90.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank zal bepalen dat [gedaagde] de aan de nalatenschappen van moeder en van [A] te betalen bedragen in verband met het verblijvingsbeding in termijnen zal mogen betalen, te weten in 10 gelijke jaarlijkse termijnen waarbij de eerste termijn vervalt zes maanden nadat [gedaagde] zijn onderneming heeft gestaakt, althans de betreffende registergoederen geheel op zijn naam zijn gezet
5.91.
[eiser] voert verweer en is van mening dat de rechtbank deze vordering moet afwijzen. Het desbetreffende artikel in de vennootschapsovereenkomst is bedoeld voor uittredende vennoten. Dat speelt hier niet. Ook is er geen sprake van het bemoeilijken van de voortzetting van het bedrijf, want het bedrijf rendeert al slecht. [gedaagde] wil kennelijk het bedrijf beëindigen. Dan is het verschuldigde direct opeisbaar (op grond van artikel 13 lid 5 van de vennootschapsovereenkomst) en speelt betaling in termijnen geen rol. [eiser] stelt ook dat [gedaagde] voldoende financiële middelen heeft om hem uit te kopen of met hem af te rekenen wanneer alle onroerende zaken zijn verkocht.
5.92.
De rechtbank zal deze beslissing aanhouden totdat meer duidelijkheid bestaat over de aan ieder van partijen toekomende zaken en door ieder van partijen aan de ander of aan de nalatenschappen te betalen bedragen.
Hoe nu verder?
5.93.
De rechtbank heeft in dit tussenvonnis een aantal beslissingen genomen en daarnaast een aantal onderwerpen besproken waarover nog onduidelijkheid bestaat en waarover de rechtbank meer informatie wenst.
5.94.
De rechtbank stelt beide partijen in de gelegenheid om zich uit te laten over de volgende onderwerpen:
- r.o. 5.22.: de bevoegdheid van de rechtbank en de verwijzing van deze zaak naar de kantonrechter;
- r.o. 5.25.: hun standpunten met betrekking tot de vordering van [eiser] van € 25.000,00 en € 89.000,00, uitgaande van de eerder genomen beslissing dat sprake is van een huurovereenkomst;
- r.o. 5.28.: hun standpunten met betrekking tot de vordering van [gedaagde] van
€ 47.500,00 inzake achterstallige huur, uitgaande van de eerder genomen beslissing dat sprake is van een huurovereenkomst;
- r.o. 5.41.: het bestaan, het doel en de hoogte van de (hypothecaire) schuld en de vestiging van een recht van hypotheek op de woning aan de [adres 2] en over de interne draagplicht met betrekking tot deze schuld. Partijen dienen daarbij voor zover mogelijk schriftelijk bewijs over te leggen;
- r.o. 5.56.: de reclame-inkomsten, zo mogelijk onder het overleggen van bewijsstukken;
- r.o. 5.62.: de opbrengst van de verkoop en/of de kosten verbonden aan het afvoeren van de inboedel;
- r.o. 5.80.: het appartement in [plaats 2] en over de vraag of zij met betrekking tot dit appartement en de overige onroerende zaken misschien tot een praktische oplossing kunnen komen;
- r.o. 5.82.: het voorgenomen deskundigenbericht, het aantal deskundigen, over de persoon van de deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) te stellen vragen.
De rechtbank stelt [eiser] in de gelegenheid om zich uit te laten over de volgende onderwerpen:
- r.o. 5.85.: of [eiser] nog bepaalde schriftelijke stukken mist en welke dat dan zijn en waarom hij daar een belang bij heeft;
- r.o. 5.87.: of [eiser] nog een belang heeft bij zijn vordering om [gedaagde] te gelasten mee te werken aan het opmaken van een boedelbeschrijving.
De rechtbank stelt [gedaagde] in de gelegenheid om zich uit te laten over het volgende onderwerp:
- r.o. 5.66.: de rekening -6048 en bankafschriften over te leggen waaruit het saldo en de tenaamstelling van de rekening -6048 blijkt per datum overlijden [A] en per
25 december 2016, de datum van de overboeking van het bedrag van € 20.000,00
van deze rekening naar de rekening -0960 die op naam van [gedaagde] en [eiser] stond.
Partijen zullen vanzelfsprekend op elkaars stellingen mogen reageren.
5.95.
Het komt de rechtbank praktisch voor dat allereerst [eiser] een akte zal nemen en zich zal uitlaten over de onderwerpen voor beide partijen en over de onderwerpen voor [eiser] . Vervolgens mag [gedaagde] daar bij akte op reageren en mag hij zich uitlaten over zijn onderwerp. Tot slot mag [eiser] weer reageren op het onderwerp voor [gedaagde] (maar niet op de reactie van [gedaagde] op zijn stellingen).
5.96.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de aktes van partijen.