Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2020-06-09
ECLI:NL:RBOBR:2020:3061
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,447 tokens
Inleiding
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/351964 / FA RK 19-5126 Uitspraak : 9 juni 2020
Beschikking naar aanleiding van het door de officier van justitie op 29 oktober 2019 ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van:
[betrokkene] ,
hierna mede te noemen: de betrokkene, [geboortedatum] , [geboorteplaats] ,
wonende te [plaatsnaam en adres] , verblijvende: [verblijfplaats] .
Procesverloop
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
een verzoek van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 28 oktober 2019, ingekomen ter griffie op 29 oktober 2019;
een op 8 oktober 2019 ondertekende en met redenen omklede geneeskundige verklaring van de geneesheer-directeur van bovengenoemd psychiatrisch ziekenhuis.
een behandelingsplan d.d. 25 oktober 2019 en de voortgangsrapportage, waaronder de medische aantekeningen.
De officier van justitie verzoekt een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis.
Op 21 november 2019 heeft de behandeling van de zaak plaatsgevonden. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt.
Bij beschikking van 21 november 2019 heeft de rechtbank naar aanleiding van dat verzoek van de officier van justitie een machtiging tot voortgezet verblijf verleend om betrokkene te doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis van 21 november 2019 tot en met 9 mei 2020.
Op 21 februari 2020 heeft betrokkene een verzoekschrift in cassatie ingediend bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft op 24 april 2020 de beschikking van deze rechtbank vernietigd en het geding terugverwezen naar de rechtbank Oost-Brabant ter verdere behandeling en beslissing.
Bij brief van 19 mei 2020 heeft de raadsman van betrokkene aan de griffie van de rechtbank bericht dat wat betrokkene en zijn raadsman betreft er geen zitting behoeft plaats te vinden en de uitspraak op de stukken kan worden gedaan.
De officier van justitie heeft niet aangegeven daartegen bezwaar te hebben.
Zaaknummer: C/01/351964 / FA RK 19-5126 2
Beoordeling
De Hoge Raad heeft in voornoemde beschikking van 24 april 2020 onder andere het volgende overwogen:
“3.1. Onderdeel I van het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte de verzochte machtiging heeft verleend, nu een machtiging tot voortgezet verblijf slechts kan worden verleend indien de betrokkene verblijft in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (oud). Volgens het onderdeel was de locatie Doctor Poletlaan 83 ten tijde van het verlenen van de beschikking van de rechtbank niet aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz (oud).
3.2.
Onder een psychiatrisch ziekenhuis wordt ingevolge art. 1 lid 1, aanhef en onder h, Wet Bopz (oud), voor zover hier van belang, verstaan: een door de minister als “psychiatrisch ziekenhuis” aangemerkte zorginstelling of afdeling daarvan. De op dit voorschrift gebaseerde Regeling aanmerking psychiatrisch ziekenhuis Bopz bepaalt in art. 1 lid 1 dat als zodanig worden aangemerkt “de zorginstellingen en afdelingen van zorginstellingen, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling”. In de per 7 mei 2019 geldende versie van deze bijlage (Stcrt. 2019, 24942, p.4) is de locatie Doctor Poletlaan 83 – anders dan de locaties Doctor Poletlaan 23a, 25, 36, 64, 66, 72, 80, 84 en 86 – niet aangemerkt als “psychiatrisch ziekenhuis”. Dit geldt ook voor de in het verzoekschrift van de officier van justitie genoemde locatie Doctor Poletlaan 91 (..). In cassatie moet derhalve ervan worden uitgegaan dat betrokkene ten tijde van de beschikking van de rechtbank niet verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de wet. Een dergelijk verblijf is echter op grond van art. 18 lid 1 Wet Bopz (oud) vereist voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf als in die bepaling bedoeld (zie onder meer HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3254). De klacht is dus gegrond. In het verlengde hiervan slaagt ook onderdeel III.
3.3.
Onderdeel II behoeft geen behandeling.“
De rechtbank oordeelt met inachtneming van het vorenstaande dat betrokkene ten tijde van het verzoek van 29 oktober 2019 van de officier van justitie (toen betrokkene verbleef in een locatie aan de Doctor Poletlaan 91 te Eindhoven welke locatie evenmin is aangemerkt als een “psychiatrisch ziekenhuis” in de zin van artikel 1, lid 1, aanhef en onder h Wet Bopz) en ten tijde van de beoordeling van dat verzoek door de rechtbank niet verbleef in een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van de Wet Bopz. Een dergelijk verblijf is echter op grond van art. 18 lid 1 Wet Bopz vereist voor de verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf als in die bepaling bedoeld.
De rechtbank zal derhalve alsnog het verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf ten aanzien van betrokkene afwijzen.
Dictum
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.M.T. Franke, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 juni 2020.
Voor afschrift afgegeven aan:
bestuur van de Inspectie gezondheidszorg (+ geneeskundige verklaring)
officier van justitie
betrokkene
raadsman