ECLI:NL:RBOBR:2020:1504
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Civiel Recht
Zittingsplaats Eindhoven
Zaaknummer: 7118534 \ CV EXPL 18-6290
Vonnis van 19 maart 2020
in de zaak van:
1 [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
beiden zowel voor zichzelf als in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun twee minderjarige kinderen:
3. [eiseres 3]en
4. [eiseres 4] ,
allen wonende te [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: K.A.M. Verheijen, D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen:
de commanditaire vennootschap Transavia Airlines C.V.,
gevestigd te Schiphol,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M. Reevers.
Partijen worden hierna genoemd “ [eiser 2] c.s.” en “Transavia”.
1 Het verdere verloop van het geding
Dit blijkt uit het volgende:
a. het tussenvonnis van 11 juli 2019;
b. de akte na tussenvonnis, met producties, van de zijde van Transavia;
c. de antwoord-akte van [eiser 2] c.s.
2 De verdere beoordeling
2.1. De kantonrechter neemt over en blijft bij hetgeen in voormeld tussenvonnis al is overwogen en beslist.
Bij dat tussenvonnis is Transavia in de gelegenheid gesteld informatie te verschaffen over de oorspronkelijk voorziene aankomsttijd en de daadwerkelijke aankomsttijd van vlucht HV6215 van Eindhoven naar Tenerife op 22 december 2017.
2.2. Transavia heeft bij akte gesteld -en geadstrueerd met een productie- dat genoemde vlucht oorspronkelijk zou landen om 18:20 UTC maar uiteindelijk pas in Tenerife is geland om 23:18 UTC. De aankomstvertraging was dus in totaal vier uur en 58 minuten. Een en ander is door [eiser 2] c.s. niet weersproken, zodat dit vast staat.
2.3. In het tussenvonnis is geoordeeld (randnummer 4.7), dat van de totale vertraging moet worden afgetrokken de vertraging die het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden en dus niet aan Transavia kan worden toegerekend. Dat betekent dat een vertraging van (4 uur en 58 minuten -/- 3 uur en 44 minuten =) 1 uur en 14 minuten is veroorzaakt door omstandigheden die voor rekening van Transavia komen. Pas bij een vertraging van drie uur of langer hebben passagiers recht op compensatie als bedoeld in artikel 7 van de Verordening.
Dat leidt er toe, dat [eiser 2] c.s. in onderhavig geval geen recht op compensatie hebben, zodat de gevorderde hoofdsom en daarbij behorende nevenvorderingen (rente en buitengerechtelijke kosten) moeten worden afgewezen.
2.4. [eiser 2] c.s. zijn in het ongelijk gesteld en worden daarom in de proceskosten veroordeeld. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.
De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiser 2] c.s. in de kosten van het geding, voor zover aan de kant van Transavia gevallen en tot vandaag vastgesteld op € 375,00 wegens gemachtigdensalaris (niet met btw belast);
veroordeelt [eiser 2] c.s. in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 75,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser 2] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis;
verklaart dit vonnis wat betreft voormelde veroordeling tot betaling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Roeterdink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op donderdag 19 maart 2020.