Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2019-04-12
ECLI:NL:RBOBR:2019:1962
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,559 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 18/1619
uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2019 in de zaak tussen
[eiser] te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M.J.C. Mol),
en
Het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas, verweerder
(gemachtigde: mr. G.W.F.M. Horsten – van den Berg en ing. E. Aarts).
Procesverloop
Bij besluit van 19 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek om nadeelcompensatie van eiser op grond van artikel 7.14 van de Waterwet afgewezen.
Bij besluit van 29 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is behandeld op 15 januari 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de zitting heeft eiser informatie verschaft en heeft verweerder informatie verschaft. De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld te reageren op de informatie van verweerder. Eiser heeft dit niet gedaan. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1.1
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Eiser teelde in 2016 op de percelen, kadastraal bekend gemeente Asten Sectie Q perceelnummers [nummer] , [nummer] , [nummer] , en [nummer] , drie hectaren bieten en vijf hectaren mais, gelegen vlak bij de Huttenloop in het stroomgebied van de Voordeldonkse Broekloop. Het maaiveld ligt op een hoogte van ongeveer 25 meter boven NAP.
1.2
Omstreeks 2 juni 2016 is veel water gevallen Eiser heeft bij verweerder gemeld dat er daardoor veel water op zijn percelen bleef staan. Een medewerker van verweerder heeft de percelen van eiser op 3 juni 2016 bezocht. Eiser heeft gevraagd het peil te verlagen door stuw [nummer] te verlagen. Deze stuw kan alleen handmatig worden verlaagd. Voor de stuw geldt een streefpeil van 24,55 meter boven NAP. Verweerder heeft de stuw niet verlaagd omdat de stuw op dat moment verdronken was (onder water stond). De stuw is op 14 juni 2016 alsnog met zes centimeter verlaagd.
1.3
In verband met schade als gevolg van wateroverlast heeft eiser op 22 juni 2016 een schademelding en een verzoek om schadevergoeding van € 14.000,00 bij verweerder ingediend. Bij brief van 23 november 2016 heeft verweerder eiser bericht dat hij zich niet aansprakelijk acht in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek voor de geleden schade en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser is daartegen niet opgekomen.
1.4
Op 10 februari 2017 heeft eiser een verzoek om nadeelcompensatie bij verweerder ingediend. Eiser stelt dat de door hem geleden schade een gevolg is van combinatie van extreme regenval in juni 2016, het peilbeheer en de onderhoudssituatie van de waterlopen in het stroomgebied van Voordeldonksebroekloop waarvan zijn percelen deel uitmaken.
1.5
Verweerder heeft het verzoek behandeld overeenkomstig de Verordening schadevergoeding waterschap Aa en Maas en het verzoek om nadeelcompensatie ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). In het definitieve advies van 22 december 2017 heeft SAOZ verweerder geadviseerd het verzoek om nadeelcompensatie af te wijzen.
2.1
Eiser stelt dat de door hem geleden schade niet tot zijn last behoort te blijven, omdat verweerder meer had kunnen doen om ervoor te zorgen dat zijn percelen niet onder water zouden lopen. Volgens eiser moet verweerder bij de invulling van het peilbeheer en onderhoud van de watergangen rekening houden met klimatologische veranderingen en de daarbij behorende toename van extreme neerslag. Eiser verwijst daartoe naar het Waterbeheerplan 2016-2021 (waterbeheerplan)van verweerder, waarin expliciet is aangegeven dat er sprake dient te zijn van een watersysteem dat kan omgaan met de gevolgen van klimaatveranderingen (piekbuien en extreme droogte).
2.2
Verweerder vindt dat eiser in deze procedure geen schade kan claimen vanwege een vermeend onrechtmatig handelen van verweerder. Volgens verweerder kan niet in alle gevallen worden voorkomen dat in extreme weersomstandigheden overlast en schade kan optreden. Verweerder heeft geen verplichting om te allen tijde te garanderen dat geen wateroverlast zal optreden. Tot slot stelt verweerder dat het waterbeheerplan een beleidsplan is op hoofdlijnen, waarin de doelstellingen van verweerder zijn benoemd en beschreven, waarop derden zich niet kunnen beroepen. Het ontwikkelen, hebben en in stand houden van een klimaatbestendig en robuust watersystemen betekent voor verweerder een inspanningsverplichting om het watersysteem te laten voldoen aan de norm van wateroverlast zoals opgenomen in de Verordening Water van de provincie Noord-Brabant (die er op neer komt dat akkerbouwgronden niet vaker dan eens per 25 jaar onder water mogen lopen).
2.3
Deze procedure kan niet gaan over schade door onrechtmatig handelen van verweerder, maar alleen over schade die is ontstaan als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van waterbeheer. Eiser heeft namelijk het verzoek ingediend op basis van artikel 7.14 van de Waterwet. Voor zover eiser stelt dat verweerder iets te laat of verkeerd heeft gedaan en daardoor onrechtmatig heeft gehandeld, is dat geen reden om een verzoek om nadeelcompensatie toe te kennen. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2925. Voor zover eiser stelt dat verweerders taakuitoefening of beleid in strijd is met het waterbeheerplan of de Verordening Water of dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht of inspanningsverplichting, komt die stelling er ook op neer dat verweerder onrechtmatig heeft gehandeld. Ook in zoverre kan bevat het verzoek tot nadeelcompensatie geen reden om het toe te kennen. Deze beroepsgrond faalt.
3.1
Eiser voert verder aan dat het feit dat er sprake is van handmatig bediende stuwen een gegeven is waaraan hij niets kan doen. Toch is dit volgens verweerder kennelijk een belangrijke oorzaak is van het onder water lopen van zijn percelen. Verweerder had meer preventieve maatregelen moeten treffen en bijvoorbeeld een automatische stuw moeten plaatsen. De stuw [nummer] is volgens eiseres verdronken, omdat deze stuw niet automatisch kon worden verlaagd. De rechtbank verstaat deze beroepsgronden aldus, dat eiser met zoveel woorden stelt dat de schade is veroorzaakt door beleidsmatige overwegingen van verweerder.
3.2
Verweerder wijt de schade niet aan de handmatig bediende stuwen, ondanks dat het verlagen van de stuwen meer tijd kost dan bij automatische stuwen. Ook is de schade niet veroorzaakt door de lage ligging van de percelen. Voor 2016 was er immers geen overlast en schade. Volgens verweerder heeft eiser ook niet aangetoond of onderbouwd dat de keuze voor handbediende stuwen betekent dat andere delen van het beheersgebied worden ontzien, ten koste van de percelen van eiser. Verweerder erkent dat ten tijde van de calamiteit bedoelde stuw inderdaad onder water stond. Verlaging van die stuw zou op dat moment geen effect hebben gehad. Ook het lozen van meer water op de Zuid-Willemsvaart zou geen oplossing voor de problematiek van eiser zijn geweest. Verweerder kon niet meer doen dan hij op dat moment had gedaan en niet is gebleken, noch is aangevoerd, dat er door het handelen van verweerder ten tijde van de calamiteit sprake was van een bewuste benadeling van eiser ten gunste van andere eigenaren van percelen in het stroomgebied.
3.3
Het perceel van eiser ligt niet in een peilbesluitgebied. Verweerder hanteert voor deze ‘niet-peilbesluitgebieden’ de Nota Peilbeheer (de Nota). Op basis van de Nota hanteert verweerder, in normale niet-extreme situaties, in door verweerder beheerde watergangen een streefpeil op basis van het geldende waterbeheerplan. In de Nota is bepaald dat de wens is om voldoende ruimte in het watersysteem beschikbaar te hebben om een piek op te vangen. Verder is er een wens voor een bepaalde drooglegging ten behoeve van de landbouw. Bij extreem natte situaties hanteert verweerder het calamiteitenbestrijdingsplan wateroverlast. In de Nota wordt wel aangegeven dat alleen wordt geanticipeerd op piekbuien met peilverlagingen als er al een zeer natte situatie bestaat. Verder zal tijdens of na de piekbui versneld overtollig water worden afgevoerd en kan in de derde plaats de noodzaak bestaan om lokaal wateroverlast te accepteren.
3.4
De Nota Peilbeheer of het waterbeheerplan bevat geen regels over de keuze tussen handmatig bediende stuwen en automatische stuwen. Verweerder heeft ter zitting slechts aangegeven dat hij heel veel stuwen in beheer heeft en dat het zeer kostbaar is om deze allemaal te automatiseren. Het feitelijk beheer van de stuw is overigens wel een vorm van een rechtmatige uitoefening van de overheidstaak. Dit blijkt ook uit de Nota. Het streefpeil zou moeten zijn afgestemd op de ligging van de percelen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, voorzitter, en mr. D.J. de Lange en mr. J. Huijben, leden, in aanwezigheid van R.G. van der Korput, griffier. De beslissing is in het openbaar geschied op 12 april 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.