Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2018-04-17
ECLI:NL:RBOBR:2018:1805
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,769 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 17/1402
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,
(gemachtigde: mr. C.A.H. van de Sanden),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, verweerder
(gemachtigde: T.J.M. Bockting).
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres een aanslag leges (dossiernummer [nummering] ), met
dagtekening 10 november 2016, opgelegd ten bedrage van in totaal € 570.019,35.
Bij uitspraak op bezwaar van 22 maart 2017 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder de
aanslag gehandhaafd.
Bij brief van 3 mei 2017 heeft verweerder een nadere motivering overgelegd.
Eiseres heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek heeft ter zitting plaatsgevonden op 30 januari 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld van [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van E.W.K. van Delst.
Overwegingen
Feiten
Eiseres heeft op 5 augustus 2016 op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning met de (deel)activiteit bouwen overige bouwwerken, bouwen erf- of perceelafscheiding plaatsen, bouwen magazijnstelling plaatsen en de activiteit uitrit aanleggen of veranderen in verband met het oprichten van een bedrijfspand met kantoor aan de [adres] . De geschatte projectkosten zijn blijkens de aanvraag € 18.000.000,-. Verweerder heeft voor het in behandeling nemen van deze aanvraag, overeenkomstig de bij Verordening op de heffing en de invordering van leges 2016 in de gemeente Veghel (de Legesverordening 2016) behorende Tarieventabel, leges geheven.
Geschil
1. Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de Legesverordening 2016 in samenhang met artikel 2.3.1 van de Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening 2016 (hierna: Tarieventabel 2016), worden door of vanwege het gemeentebestuur van verweerders gemeente leges geheven voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.
2. Op grond van artikel 2.1.1.1, eerste en tweede lid, van de Tarieventabel 2016 wordt onder bouwkosten verstaan:
1. De kosten berekend aan de hand van de “Tabel bouwkosten” zoals opgenomen bij deze Tarieventabel (normbouwkosten). Voor de bepaling van de bouwkosten wordt geen rekening gehouden met de aanwending van gebruikte materialen of zelfwerkzaamheid.
2. Uitsluitend voor zover de in de aanvraag begrepen werkzaamheden redelijkerwijs niet kunnen worden geacht te zijn opgenomen in de “Tabel bouwkosten”, wordt onder bouwkosten mede verstaan:
a. de aannemingssom inclusief omzetbelasting, bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, van de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken en van technische installatiewerken 2012 (UAV 2012), voor het uit te voeren werk (aannemingsovereenkomst). Bij eventueel in de aannemingssom begrepen stelposten vindt, na aanlevering van de definitieve begrotingen uiterlijk een maand na gereedmelding van de werkzaamheden, verrekening plaats.
b. Bij het ontbreken van een aannemingssom of voor zover de aannemingsovereenkomst onvolledig is, zijn de bouwkosten gelijk aan de door de aanvrager te overleggen, door een deskundige opgemaakte raming van de bouwkosten, bedoeld in het normblad NEN 2699, uitgave 2013, of zoals dit normblad laatstelijk is vervangen of gewijzigd, inclusief omzetbelasting.
3. In de bij de Tarieventabel 2016 behorende Bijlage Tarieventabel bouwkosten overige 2016 (hierna: Tarieventabel bouwkosten) zijn genormeerde bouwkosten per m² of m³ voor verschillende soorten bouwwerken opgenomen.
4. De beroepsgrond dat de Legesverordening 2016 niet juist bekend is gemaakt heeft eiseres ter zitting ingetrokken, zodat deze niet meer besproken hoeft te worden.
5. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de Legesverordening 2016 onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met het bepaalde in artikel 229b van de Gemeentewet (de zogenoemde “opbrengstlimiet”).
6. De rechtbank stelt vast dat eiseres pas voor het eerst ter zitting deze beroepsgrond naar voren heeft gebracht. Weliswaar wordt in het aanvullend beroepschrift van 1 juni 2017 onder het kopje “strijd doelstelling wetgever/algemene rechtsbeginselen” genoemd: “Uitgangspunt van de wetgever ten aanzien van gemeentelijke legesheffing is voorts dat gemeenten daarbij geen winst mogen maken, dat alleen kosten mogen worden verhaald die direct – en aantoonbaar – verband houden met de geleverde dienst.” Deze in cursief gedrukte zin behelst echter slechts een algemene constatering over dit uitgangspunt van de wetgever. Daarmee wordt op geen enkele wijze gemotiveerd gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de gemeente in casu de opbrengstlimiet van artikel 229b Gemeentewet zou hebben geschonden. Vervolgens worden slechts argumenten naar voren gebracht waarom volgens eiseres de Legesverordening 2016 onverbindend is vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiseres gelegen in de vóór de zitting ingediende stukken duidelijk te stellen dat zij een beroep deed op de onverbindendheid van de Legesverordening 2016 wegens strijd met de opbrengstlimiet. Zulks te meer, nu uit het verweerschrift van 13 juli 2017 duidelijk blijkt dat verweerder het aanvullend beroepschrift van eiseres niet heeft begrepen als een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet. Na ontvangst van het verweerschrift had eiseres nog alle gelegenheid om haar beroepsgronden op dit punt aan te vullen. Nu eiseres dit heeft nagelaten en pas voor het eerst op zitting een beroep heeft gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet, laat de rechtbank deze nieuwe beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.
7. Eiseres stelt dat de Legesverordening 2016 in strijd is met de rechtsbeginselen, waaronder het gelijkheidsbeginsel. Aanvragers van bouwplannen met grote bouwsommen mogen niet nadeliger behandeld worden dan aanvragers van bouwplannen met kleine bouwsommen. De heffing is dan ook onredelijk en willekeurig. Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 september 2012 (ECLI:NL:GHSHE:2012:BX9468), waarin is geoordeeld dat de gedifferentieerde tariefstelling in de gemeentelijke verordening tot een onredelijke en willekeurige heffing leidt. Het hof heeft in dit verband overwogen dat de gemeente aanvragers van bouwplannen met grote bouwsommen substantieel zwaarder belast dan aanvragers van bouwplannen met kleine bouwsommen en middelgrote bouwsommen (bouwkosten tussen € 25.000 en € 250.000), terwijl de kosten die voor de gemeente met het in behandeling nemen van een aanvraag gepaard gaan, naar verhouding (veel) lager zijn voor een aanvraag van een bouwplan met een grote bouwsom dan voor een aanvraag van een bouwplan met een kleine of middelgrote bouwsom, zonder dat voor deze ongelijke behandeling een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.
8. Verweerder betwist dat sprake is van strijd met de rechtsbeginselen en wijst op het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:780) waarin de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch is vernietigd. Bovendien wijst verweerder op het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1174), waarin nogmaals is bevestigd dat de gemeente vrijheid toekomt bij de vaststelling van de heffingsgrondslag.
9. De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:780) overwogen dat de gemeente ingevolge artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet en de daarop door de wetgever gegeven toelichting, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en de in de wet gegeven nadere regelen, zelf invulling kan geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat hun in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de praktijk van de belastingheffing. Ook stelt de Hoge Raad in dit arrest dat de omstandigheid dat bij hogere bouwkosten wordt geheven naar een ander percentage geen ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gelijke gevallen oplevert.
10. In het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 2017 is het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 7 september 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016: 2592) gegrond verklaard. Het Hof had geoordeeld dat het door de gemeente bij het heffen van leges gehanteerde tariefsysteem van een vast bedrag aan leges per categorie aan bouwkosten met een zogeheten zaagtandeffect, waarbij tarieven variëren van ongeveer 1,5 tot 9,5 procent, willekeurig en onredelijk is. De Hoge Raad stelt voorop dat de wetgever aan gemeenten de bevoegdheid heeft gegeven om, behoudens het verbod op het hanteren van draagkracht als verdelingsmaatstaf en met inachtneming van de in de wet opgenomen beperkingen, zelf de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven te kiezen voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Het staat de gemeenten in beginsel vrij die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijke beleid en de plaatselijke praktijk van de belastingheffing. Voor de heffing van leges mogen de gemeenten daarom het tarief afhankelijk maken van de bouwsom, maar ook een andere wijze van bepaling van het tarief is toegestaan. Voor onverbindend verklaring is slechts plaats indien een regeling is getroffen die in strijd is met de wet of enig algemeen rechtsbeginsel. De Hoge Raad oordeelt dat het de gemeenten vrij staat om voor leges tariefklassen te hanteren die gerelateerd zijn aan de hoogte van de bouwsom.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Heer Schotman, voorzitter en mr. F.M. Rijnbeek en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. S.L.I. van Eijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.