Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-11-14
ECLI:NL:RBOBR:2017:6930
beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rekestnummer: C/01/321950 EX RK 17/89 Beschikking van 14 november 2017 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, gemachtigde: mr. H.F.A. Notenboom. tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLLANDSCHE DISCONTO VOORSCHOTBANK , gevestigd te Amsterdam, verweerster, gemachtigde: mr. M. Zieltjens. Partijen worden “ [verzoekster] ” en “HDV” genoemd. 1 De procedure 1.1 Het op 12 juni 2017 door de griffie van de rechtbank ontvangen verzoekschrift strekt tot het op grond van artikel 46, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) bevelen van het verwijderen van primair de registratie van een contract van [verzoekster] en subsidiair de bijzonderheidscodes A en 2 daarvan uit het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) van de Stichting Bureau Kredietregistratie (BKR). 1.2 De zaak is mondeling behandeld ter zitting van 17 oktober 2017. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. 2 De feiten 2.1. [verzoekster] staat negatief geregistreerd in het CKI van de BKR. Het betreft een registratie van een doorlopend krediet met contractnummer 20070200548841. Het doorlopend krediet heeft zij, tezamen met haar toenmalige partner, [naam] , op 1 februari 2007 afgesloten voor een bedrag van € 11.500,00 De registratie wordt gekenmerkt door: een code A (achterstand) met ingangsdatum 16 maart 2010; een code 2 (restant)vordering geheel opeisbaar met ingangsdatum 10 februari 2011. 2.2 In het Algemeen Reglement (AR) zijn regels en voorwaarden neergelegd waaraan bij het registreren van persoonsgegevens in het CKI moet worden voldaan. Bij de beoordeling (onder 4) zal verwezen worden naar het AR, versie april 2010. 3 Het verzoek en het verweer 3.1 [verzoekster] verzoekt de rechtbank: - primair HDV te bevelen de registratie van het contract met contractnummer 20070200548841 van [verzoekster] uit het CKI van de BKR te verwijderen op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 met een maximum van € 25.000,00; - subsidiair HDV te bevelen de bijzonderheidscodes A en 2 van het genoemde contract uit het CKI te verwijderen; - meer subsidiair tot het nemen een in goede justitie te bepalen beslissing; onder veroordeling van HDV in de proceskosten. 3.2 [verzoekster] legt aan haar verzoek – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 30, derde lid, AR (verzoekster verwijst steeds naar het AR, versie 2006) is een deelnemer aan kredietregistratie verplicht om betrokkene als zich een achterstand dreigt voor te doen op grond van artikel 26, eerste lid, AR tijdig en schriftelijk te waarschuwen dat verder uitstel van betaling zal leiden tot een achterstandsmelding (A) bij de BKR. Deze vooraankondiging is niet aan haar gedaan. De drie door HDV overgelegde aanmaningen heeft zij niet ontvangen. De eerste aanmaning van 5 oktober 2009 is verzonden naar een niet bestaand adres, de tweede aanmaning van 19 november 2009 en de derde aanmaning van 16 maart 2010 zijn verzonden naar het [adres] te [woonplaats] . Echter zij heeft daar gewoond noch ingeschreven gestaan. De brief van 28 oktober 2010 van HDV, waarin staat vermeld dat de vordering geheel opeisbaar is geworden, heeft zij wel ontvangen. Pas op dat moment is zij op de hoogte geraakt van de betalingsachterstand, die verband hield met het doorlopende krediet. [verzoekster] heeft vervolgens haar ex-partner gedagvaard en is zelf het doorlopend krediet gaan aflossen. Doordat de door HDV overgelegde aanmaningen niet aan [verzoekster] zijn gestuurd is op grond van artikel 23 AR het registreren van de bijzonderheidscode A ten onrechte gebeurd. 3.3 Op grond van artikel 24 AR dient de bijzonderheid dat de (restant)vordering geheel opeisbaar is geworden te worden gemeld aan het CKI met bijzonderheidscode 2. Echter in de brief van 28 oktober 2010 is niet vermeld dat het geheel opeisbaar worden van de vordering zal leiden tot registratie van bijzonderheidscode 2. Daarmee i