Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-12-22
ECLI:NL:RBOBR:2017:6702
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 16/2993 uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en de heffingsambtenaar van de gemeente Heeze-Leende, verweerder (gemachtigden: mr. S.G.M. Scholz, H.F. Hermans en W.J.H.M. Mertens). Procesverloop Bij schriftelijke kennisgeving (legesaanslag), met dagtekening 18 maart 2016, zijn aan eiser ter zake van een door hem ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning met nummer OV16004, leges in rekening gebracht tot een bedrag van in totaal € 2.971,11. Bij uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2016 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de legesaanslag gehandhaafd. Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Bij besluit van 24 november 2016 heeft verweerder de uitspraak op bezwaar herzien en de legesaanslag verminderd van een bedrag van € 2.971,11 tot een bedrag van € 1.780,12. Bij besluit van 23 maart 2017 heeft verweerder het besluit van 24 november 2016 herzien onder handhaving van het legesbedrag van € 1.780,12. Tevens is aan eiser een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten voor in bezwaar aan eiser verleende rechtsbijstand, tot een bedrag van € 246 en is de gevorderde reiskostenvergoeding van € 19,60 afgewezen. Bij besluit van 29 maart 2017 heeft verweerder het besluit van 23 maart 2017 herzien, onder handhaving van het legesbedrag van € 1.780,12 en de beslissingen ten aanzien van de proceskostenvergoeding. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiser heeft in de loop van de beroepsprocedure en na het verweerschrift nadere stukken ingediend. Verweerder heeft bij brief van 30 oktober 2017 op een schriftelijke vraagstelling van de rechtbank van 25 oktober 2017 gereageerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Feiten Eiser heeft op 12 januari 2016 op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een tijdelijke woning tijdens de bouw van de nieuwe woning en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan op het perceel [het perceel] , kadastraal bekend als gemeente Heeze, sectie H, nummer [nummer] . Deze aanvraag is geregistreerd bij verweerders gemeente onder nummer OV16004. Verweerder heeft voor het in behandeling nemen van deze aanvraag, overeenkomstig de bij de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2016 van de gemeente Heeze-Leende behorende Tarieventabel leges 2016 (hierna te noemen: Legesverordening 2016 respectievelijk Tarieventabel 2016) leges geheven, zoals vermeld in het procesverloop. Bij de uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2016 heeft verweerder de legesaanslag gehandhaafd. Bij nadere besluitvorming, als vermeld in het procesverloop, heeft verweerder de legesaanslag verminderd van € 2.971,11 naar € 1.780,12. Geschil en beoordeling 1. Partijen zijn verdeeld over de hoogte van de leges die zijn geheven met betrekking tot het in behandeling nemen van de aanvraag om een omgevingsvergunning met nummer OV16004. De ontvankelijkheid; verweerders herziene besluiten 2. Alvorens tot een (inhoudelijke) beoordeling van het geschil te kunnen overgaan, dient de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep van eiser te beoordelen. Zoals uit het procesverloop blijkt, heeft verweerder bij besluiten van 24 november 2016, 23 maart 2017 en 29 maart 2017 de uitspraak op bezwaar van 18 augustus 2016 herzien. 3. De rechtbank overweegt dat het wettelijk stelsel, zoals toegepast in het belastingrecht, meebrengt dat met het doen van uitspraak op een bezwaarschrift de behandeling van het bezwaar eindigt. Dit betekent dat een nadere beslissing die de heffingsambtenaar – zonder tussenkomst van de rechter – neemt met betrekking tot de bela In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden, niet verbinden dan wanneer zij zijn bekendgemaakt in het gemeenteblad. In het tweede lid is, voor zover hier van belang, bepaald dat de uitgifte van het gemeenteblad elektronisch geschiedt op een algemeen toegankelijke wijze. In het derde lid is vervolgens bepaald dat, in afwijking van het eerste lid, een besluit als bedoeld in dat lid kan bepalen dat een bij het besluit behorende bijlage wordt bekendgemaakt door terinzagelegging. 13. In een geval waarin de gemeentelijke regelgeving in het kader van de omschrijving van de heffingsmaatstaf verwijst naar een bijlage (zoals in dit geval de ROEB-lijst), is naar vaste rechtspraak aan voormelde eisen voldaan indien de gemeente die normen bekendmaakt door deze op elektronische wijze bekend te maken dan wel door terinzagelegging op de wijze die in artikel 139, derde lid, van de Gemeentewet, zoals dit artikel met ingang van 1 januari 2014 luidt, is voorzien voor bijlagen, en desgevraagd papieren afschriften van die lijst verstrekt, tegen betaling van bedragen die niet hoger zijn dan de tarieven die de gemeente hanteert voor het verstrekken van papieren afschriften van besluiten die algemeen verbindende voorschriften inhouden. Verwezen wordt naar het arrest van de HR van 19 juni 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1669). 14. De rechtbank heeft vastgesteld dat blijkens artikel 2.1.1.2 van de Tarieventabel 2016 de zogenaamde ROEB-lijst als bijlage tot die tabel behoort en daarvan deel uitmaakt. Het Gemeenteblad van 18 december 2016 (nr. 123145), zoals dat ook online is gepubliceerd op overheid.nl, bevat echter geen bijlage. Evenmin is, overeenkomstig de uitzonderingsbepaling in het derde lid van artikel 139 van de Gemeentewet, in de Legesverordening 2016 bepaald dat deze bijlage ter inzage is gelegd. De bij de Tarieventabel 2016 behorende ROEB-lijst is daarom niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Verweerder heeft in zijn reactie van 30 oktober 2017 erkend dat de bijlage niet elektronisch is bekendgemaakt en dat niet is voorzien in een vervangende uitgave. Nu de ROEB-lijst niet op de voorgeschreven manier bekend is gemaakt, is de gemeentelijke regeling, voor zover daarbij de bouwkosten op grond van die ROEB-lijst worden vastgesteld, onverbindend. 15. Dat betekent dat de bouwkosten niet aan de hand van de ROEB-lijst kunnen worden vastgesteld. Omdat een aanneemsom ontbreekt en eiser ook geen gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat het bouwen geheel of gedeeltelijk door zelfwerkzaamheid is geschied, kunnen de bouwkosten, gelet op het bepaalde in artikel 2.1.1.2 van de Tarieventabel 2016, evenmin aan de hand daarvan worden vastgesteld. Nu de leges voor planologisch strijdig gebruik voor een binnenplanse en buitenplanse kleine afwijking (mede) op die bouwkosten gebaseerd zijn, strekt het geconstateerde gebrek zich ook tot die leges uit. 16. Voor zover verweerder zich erop heeft beroepen dat de bouwkosten die de grondslag vormen van de legesheffing, niet (langer) zijn gebaseerd op de ROEB-lijst, maar in beroep toepassing is gegeven aan de hardheidsclausule van artikel 63 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), leidt dat de rechtbank niet tot een ander oordeel. De hardheidsclausule van artikel 63 van de AWR, in samenhang met het bepaalde in artikel 231 van de Gemeentewet, geeft verweerder de bevoegdheid tegemoet te komen aan onbillijkheden van overwegende aard en aldus een voor belanghebbende begunstigende beslissing te nemen. Deze bevoegdheid om ‘buiten de gemeentelijke regelgeving om’ een begunstigende beslissing te nemen kan naar het oordeel van de rechtbank geen zelfstandige grondslag vormen voor het heffen van de onderhavige leges. Deze grondslag kan enkel worden gevonden in de Legesverordening 2016 en de daarmee samenhangende regelgeving. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in dit geval, vanwege de onverbindendheid van de Legesverordening 2