Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-12-22
ECLI:NL:RBOBR:2017:6679
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Parketnummer: [01/995001-17] Strafrecht Parketnummer: 01/995001-17 Datum uitspraak: 22 december 2017 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , gevestigd te [plaats] , [adres] . Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 december 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 oktober 2017. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: 1. zij in of omstreeks de periode van 4 november 2015 tot en met 7 november 2015
te Son, gemeente Son en Breugel, als exploitant van de inrichting aan de
[adres] te Son en Breugel, waarop het Besluit risico's zware
ongevallen 2015 van toepassing was, al dan niet opzettelijk, niet alle
maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen
en/of de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te
beperken, immers heeft zij
- de gevaren voor het ontbreken of weinig in voorraad hebben van antischuim
niet of onvoldoende geïdentificeerd en/of onderkend en/of beoordeeld en/of - de risico's van zware ongevallen met betrekking tot schuimvorming bij de
vergistingsinstallatie niet of onvoldoende geïdentificeerd en/of onderkend
en/of beoordeeld en/of
- geen of onvoldoende maatregelen genomen om schuimvorming snel en/of
effectief te voorkomen en/of tegen te gaan en/of te beperken en/of te
bestrijden; Art. 5 lid 1 BRZO 2015 2. zij in of omstreeks de periode van 4 november 2015 tot en met 7 november 2015
te Son, gemeente Son en Breugel, als exploitant van de inrichting aan de
[adres] te Son en Breugel, al dan niet opzettelijk, niet,
althans niet volledig,
- ten einde zorg te dragen voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid
voor zware ongevallen - een veiligheidsbeheerssysteem, ten aanzien van
(voorkomen en/of beperken en/of bestrijden van) schuimvorming,
heeft ingevoerd/uitgevoerd, waarin wordt voldaan aan de elementen i: - de organisatie en het personeel - de taken en verantwoordelijkheden van
het personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de
gevaren van zware ongevallen wordt betrokken, samen met de maatregelen die
werden genomen om het bewustzijn te doen toenemen dat voortdurende verbetering
nodig is. Het onderkennen van de behoeften aan opleiding van dit personeel en
het organiseren van die opleiding. De deelneming van het personeel en
eventueel van de (onder)aannemers die in de inrichting werken en die vanuit
veiligheidsopzicht belangrijk zijn, en/of iii: - de controle op de exploitatie - aanneming en toepassing van procedures
en instructies voor veilige werking, ook met betrekking tot het onderhoud, van
de installatie, de processen en de apparatuur, en voor het alarmbeheer en
tijdelijke onderbrekingen; rekening houdend met de beschikbare informatie
betreffende beste praktijken op het vlak van monitoring en controle met het
oog op de vermindering van het risico op systeemfalen; beheer en controle van
de risico's die samenhangen met verouderende apparatuur die geïnstalleerd is
in de inrichting en corrosie; inventarisatie van de apparatuur in de
inrichting, strategie en methodologie voor het houden van toezicht op en de
controle van de staat van de apparatuur; passende follow-upmaatregelen en
noodzakelijke tegenmaatregelen,
genoemd in bijlage III sub b bij de richtlijn 2012/18/EU (Seveso III), en met
passende middelen en structuren die evenredig zijn aan de gevaren van zware
ongevallen en de complexiteit van de organisatie of de activiteiten van de
inrichting; artikel 7 lid 6 van het Besluit risico's zware ongevallen 2015 De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de offi Rond 14.30 uur blijkt er sprake te zijn van een te grote onderdruk op de aanvoer van de biogascompressoren. Deze biogascompressoren zijn daarom uitgezet om 14.35 uur. Geconstateerd werd dat op dat moment schuim in de biogasafvoerleiding is gekomen en dat dit is doorgedrongen tot in de demister en in de biogasdroging. Door het schuim in de biogasaanvoerleiding kon […] geen biogas naar de fakkel meer worden afgevoerd [...]. Incidentscenario In de navergister kon het schuim niet effectief worden bestreden. Doordat het schuim de biogasleiding naar de gasmotoren, de installatie voor de productie van groen gas en de fakkel bereikte, werden de leiding en delen van de gasbehandeling vervuild. De biogasverwerking moest om die reden beëindigd worden. Uiteindelijk is de druk in de navergister zodanig toegenomen dat het membraandak van de navergister is losgekomen van de wand. Omvang van de emissie Bij het incident is naar schatting in totaliteit 22.500 m3 aan biogas geëmitteerd naar de lucht. De globale samenstelling van het biogas is 68 % methaan en 32 % kooldioxide. De emissie aan methaan komt derhalve overeen met circa 11 ton. Deze emissie heeft plaats gevonden tussen ongeveer 15:00 uur op zaterdag 7 november en 13:00 uur op zondag 8 november. Het biogas is vrijgekomen ter plaatse van de navergister (loskomen membraandak) en deels ter plaatse van de vergisters (overdrukveiligheden). Methaan (CH4) is een brandbaar gas. Daarnaast is methaan is schadelijk voor het milieu, omdat het bijdraagt aan het broeikaseffect en de vorming van ozon. Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] d.d. 16 maart 2016, p. 189 t/m 193, voor zover inhoudende: A: Sinds 2011 ben ik werkzaam bij [verdachte] " A: "Ik ben als operator B in dienst. Mijn taken bestaan uit het bewaken van het proces en het zelfstandig uitvoeren van de meeste operationele handelingen, waaronder wordt verstaan het veiligstellen, enkele werkvergunningen afgeven en opstarten en spoelen van diverse V: Sinds wanneer wist u dat er problemen waren met het vergisting proces bij [verdachte] ? A: "Volgens mij werd ik op vrijdag 6 november 2015 op de hoogte gebracht dat de druk in de vergistinginstallatie was opgelopen. V: Is er een werkinstructie, waarin vermeld staat wat u moet doen als er sprake is van schuimvorming? Zo nee, hoe wist u dan hoe u moest handelen? A: "Daar is niet echt een procedure voor. Ik heb hem nog nooit gezien. We brengen wel de manager op de hoogte. In dit geval is dat [persoon 2] . Hij is plantmanager en [persoon 3] staat tussen [persoon 2] en ons operators in. Als wij verhoogde drukken rapporteren wij dit aan [persoon 2] of [persoon 3] . Dit kan mondeling of per mail. V: Kunt u ons vertellen hoe het bij [verdachte] geregeld is met het voorraadbeheer van diverse stoffen waaronder van antischuim en wie is hiervoor verantwoordelijk? A: "Wij hebben zelf geen overzicht van de hoeveelheid antischuim binnen ons bedrijf. Aan de niveaumeting op de voorraadtank kan ik zien of deze bijna leeg is. Hier zit geen alarm op, we moeten dat zelf in de gaten houden. Vervolgens wordt dan elders binnen het bedrijf een IBC met antischuim opgehaald en toegevoegd aan de voorraadtank. Vervolgens hebben wij geen overzicht hoeveel IBC's er op dat moment nog binnen het bedrijf aanwezig zijn. V: Klopt het dat u geen inzicht had in de totale hoeveelheid antischuim, die aanwezig was op de locatie? A: "Dat klopt" V: Hebt u, toen u besloot water toe te voegen in plaats van antischuim overleg gehad dan wel afstemming gezocht met uw leidinggevende, of hebt u dit zelfstandig besloten? A: "Ik heb dat zelfstandig besloten, maar ik heb het wel aan [persoon 3] en mogelijk ook aan [persoon 2] doorgegeven. Ik kan mij niet meer herinneren of ik hierop nog een reactie heb gehad. " V: Zijn er binnen [verdachte] werkafspraken hoe te handelen als er vanwege excessen/incidenten beslissingen moeten worden genomen die mogelijke invloed kunnen hebben op het proces? A: "De enige werkafspraak is dat wij de leidinggevende daar V: Kon je overzien wat de gevolgen waren voor het verplaatsen van het digistaat van de vergisters naar de navergister? A: "Nee, dat kon ik op dat moment niet. Wel weet ik dat ik, zoals ik bij de vorige vraag heb aangegeven, nog een kopruimte was in de navergister. En dat niet veel later de afvoer van gas van de navergister naar de fakkel en de gasmotoren werd geblokkeerd kon ik op dat moment niet zo voorzien. Eigenlijk vond het blokkeren van de biogasafvoer door de schuimvorming vrij snel daarna plaats. (…). A: Wat ik wel wil aanvullen is dat we op dat moment niet de kennis hadden om eventueel andere mogelijkheden te benutten om op een snelle manier antischuim te bemachtigen. Proces-verbaal van verhoor getuige [persoon 4] d.d. 17 maart 2016, p. 203 t/m 205, voor zover inhoudende: V: Wat is uw functie en wat zijn daarbij u taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden? A: "Ik houd ook de voorraad chemicaliën bij die in een daarvoor bestemde chemicaliënopslag staan opgeslagen. Als dus iemand van [verdachte] chemicaliën, waaronder antischuim meeneemt, houd ik dat niet meer bij. Ik kijk dus alleen wat in deze opslagen aanwezig is. V: Wanneer bent u op de hoogte gebracht over de problemen bij [verdachte] met betrekking tot het vergistingproces? A: "Op zaterdag 7 november 2015 rond de middag ben ik gebeld, ik dacht door [persoon 2] , dat het antischuim op was. " (…) V: Wanneer kwam je er achter dat het antischuim verminderd was. A: Op 6 november 2015 heb ik nieuwe IBC's antischuim besteld. Toen ik zag dat er vier onverdunde IBC's waren heb ik [persoon 5] opdracht gegeven er weer vijf te bestellen. De volgende dag was blijkbaar alles op, dat vond ik wel vreemd. Ik zag wel dat er antischuim was gebruikt. Ik kan niet zien of [verdachte] er zelf nog een voorraad op na houdt. Ik kan ook niet zien of zij verdunt of onverdund antischuim meenemen uit deze chemicaliënopslag. V: Wist u wanneer het bestelde antischuim binnen zou komen? A: "Het duurt ongeveer drie dagen voordat het antischuim geleverd wordt door het [bedrijf 2] .”" (…) Proces-verbaal van verhoor [getuige 2] d.d. 17 maart 2016, p. 212 t/m 217, voor zover inhoudende: V: Sinds wanneer bent u werkzaam bij [verdachte] (…)? A: "(…) Per 1 september 2015 ben ik productieleider geworden bij [verdachte] . " V: Sinds wanneer wist u dat er problemen waren met het vergistingproces bij [verdachte] ? A: "(…) 4, 5 en 6 november werd in een van de drie vergisters drukverhoging geconstateerd waardoor antischuim werd toegevoegd. " (…) V: Is er een werkinstructie, waarin vermeld staat wat u moet doen als er sprake is van schuimvorming? Zo nee, hoe wist u dan hoe u moest handelen? A: Voor zover ik weet is er geen werkinstructie hoe om te gaan met schuimvorming." V: Had je een beeld hoeveel antischuim op dat moment nodig was? A: "neen" V: Had u inzicht op de totale hoeveelheid antischuim, die aanwezig was op de locatie? A: "neen" (…) V: Wanneer hoorde je van het probleem van de bevoorrading antischuim en hoe is vervolgens hierop gehandeld? A: "Ik hoorde wat later in de ochtend van [persoon 5] dat het antischuim op was. Ik heb op dat moment [persoon 2] niet op de hoogte gebracht dat het antischuim op was. Ik heb toen besloten om water toe te voegen. Overwegingen omtrent het bewijs. T.a.v. feit 1 en 2: Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen komt de rechtbank tot de volgende conclusies. In de periode van 4 tot en met 7 november 2015 was sprake van schuimvorming in één vergister. De schuimvorming werd in eerste instantie onder controle gehouden door het toevoegen van antischuim tot het antischuim op was. Toen is nog geprobeerd het schuim te bestrijden door toevoeging van water, maar dat hielp niet. Daarna is op 7 november 2015 besloten om de voeding naar de vergister te stoppen en het digistaat af te laten naar de navergister, terwijl er geen voorziening was om schuim in de navergister te bestrijden. Door de schuimvorming werkte bovendien de biogasontlastcapciteit van de navergister onvoldoende en was Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte 1. in de periode van 4 november 2015 tot en met 7 november 2015 te Son, gemeente Son en Breugel, als exploitant van de inrichting aan de [adres] te Son en Breugel, waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 van toepassing was, opzettelijk, niet alle
maatregelen heeft getroffen die nodig zijn om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken, immers heeft zij
- de gevaren voor het ontbreken of weinig in voorraad hebben van antischuim onvoldoende geïdentificeerd en onderkend en beoordeeld en - de risico's van zware ongevallen met betrekking tot schuimvorming bij de vergistingsinstallatie onvoldoende geïdentificeerd en onderkend en beoordeeld en
- onvoldoende maatregelen genomen om schuimvorming snel en effectief tegen te gaan en te beperken en te bestrijden; 2. in de periode van 4 november 2015 tot en met 7 november 2015 te Son, gemeente Son en Breugel, als exploitant van de inrichting aan de [adres] te Son en Breugel, opzettelijk, niet volledig, - ten einde zorg te dragen voor de correcte uitvoering van het preventiebeleid voor zware ongevallen - een veiligheidsbeheerssysteem, ten aanzien van
(beperken en bestrijden van) schuimvorming, heeft ingevoerd/uitgevoerd, waarin wordt voldaan aan de elementen i: - de organisatie en het personeel - de taken en verantwoordelijkheden van
het personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de
gevaren van zware ongevallen wordt betrokken, samen met de maatregelen die
werden genomen om het bewustzijn te doen toenemen dat voortdurende verbetering
nodig is, en iii: - de controle op de exploitatie - aanneming en toepassing van procedures en instructies voor veilige werking, ook met betrekking tot het onderhoud, van de installatie, de processen en de apparatuur, en voor het alarmbeheer en tijdelijke onderbrekingen; rekening houdend met de beschikbare informatie betreffende beste praktijken op het vlak van monitoring en controle met het oog op de vermindering van het risico op systeemfalen; passende follow-upmaatregelen en noodzakelijke tegenmaatregelen, genoemd in bijlage III sub b bij de richtlijn 2012/18/EU (Seveso III), en met passende middelen en structuren die evenredig zijn aan de gevaren van zware ongevallen en de complexiteit van de organisatie of de activiteiten van de inrichting. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid van het feit. Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De strafbaarheid van verdachte. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie eist een geldboete van € 75.000,--. Indien de rechtbank de tenlastegelegde feiten in de zaak tegen [bedrijf 1] (parketnummer 01/995032-17) niet bewezen acht, eist de officier van justitie een geldboete van € 150.000,--. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt verzoekt de raadsman rekening te houden met een aantal straf mitigerende factoren. Er is sprake van vervolging van één en hetzelfde bedrijf door naast verdachte ook [bedrijf 1] . te vervolgen voor dezelfde tenlastegelegde feiten. [bedrijf 1] . en [verdachte] is feitel