Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-12-08
ECLI:NL:RBOBR:2017:6538
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Team strafrecht Parketnummer: 01/865127-17 Datum uitspraak: 8 december 2017 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats slachtoffer] op [geboortedatum slachtoffer] , thans gedetineerd te P.I. Zuid Oost, HvB Roermond. Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 december 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 13 november 2017. Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 12 mei 2009 te Schaijk, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebben verdachte één of meermalen zijn penis en/of één of meer vingers en/of één of meer dildo's en/of vibrators in de mond en/of anus en/of vagina van die [slachtoffer 1] gebracht/geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte een vuurwapen, in elk geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gericht op die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 1] naar de grond heeft gebracht en/of geduwd en/of heeft vastgebonden en/of heeft geslagen en/of geschopt. Ontvankelijkheid openbaar ministerie in de vervolging. Inleiding. Op 12 mei 2009 is in een chaletwoning op chaletpark [naam park] te Schaijk een gewapende overval gepleegd op de bewoners mevrouw [slachtoffer 1] en de heer [slachtoffer 2] . Tijdens de overval werden de beide slachtoffers bedreigd met een vuurwapen, vastgebonden met tape, en geschopt en geslagen. [slachtoffer 1] is daarbij verkracht. Verdachte is op 9 september 2009 aangehouden in verband met de verdenking van het medeplegen van deze gewapende overval. Hij is voor de terechtzitting van 16 december 2009 gedagvaard. Aan verdachte werd ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 12 mei 2009 te Schaijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere goederen, waaronder een mobiele telefoon (merk Sony Ericsson, imeinummer [imeinummer 1] ) en/of een mobiele telefoon (merk Sony Ericsson, imeinummer [imeinummer 2] ) met bijbehorend horloge en/of sieraden, waaronder een zilveren ketting, en/of (een) computer(s) en/of (een) fotocamera(s) en/of (een) horloge(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) - een pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gehouden en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 1] door middel van tape en/of touw met de handen op de rug heeft/hebben gekneveld en/of - die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] meermalen heeft/hebben geschopt en/of geslagen en/of bedreigd met (een) vuurwapen(s) en/of - die [slachtoffer 1] , met behulp van een voorwerp, heeft/hebben verkracht; artikel 312 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) Op de terechtzitting van 6 maart 2013 is de strafzaak tegen verdachte inhoudelijk behandeld. De officier van justitie heeft bij requisitoir gerekwireerd tot vrijspr De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of het feit waarvoor verdachte nu wordt vervolgd, te weten de verkrachting van [slachtoffer 1] op 12 mei 2009 in Schaijk, hetzelfde feit is als de diefstal met geweld gericht tegen [slachtoffer 1] op 12 mei 2009 te Schaijk waarvoor verdachte in november 2009 is vervolgd en in maart 2013 is vrijgesproken. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (standaardarrest HR 1 februari 2011, ECLI:HR:2011:BM9102, daarna herhaald) dienen bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van hetzelfde feit bij de vergelijking van in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten de volgende vergelijkingsfactoren te worden betrokken: (A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft: - de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en - de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding. (B) De gedraging van de verdachte. Indien de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. De Hoge Raad merkt daarbij op dat reeds uit de bewoordingen van het begrip "hetzelfde feit" voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is nochtans dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van "hetzelfde feit" in de zin van artikel 68 Sr. Naar aanleiding van de stelling van de officier van justitie dat de rechtbank bij haar oordeel in het vonnis van 20 maart 2013 niet is toegekomen aan een oordeel over de geweldshandelingen (waaronder de verkrachting), overweegt de rechtbank het volgende. In de tenlastelegging uit november 2009 werd verdachte verweten dat hij tezamen met anderen goederen van het slachtoffer heeft weggenomen en daarbij het slachtoffer een pistool tegen het hoofd heeft gehouden, haar heeft getaped en gekneveld, haar heeft geschopt of geslagen, haar met een vuurwapen heeft bedreigd en haar met een voorwerp heeft verkracht. De rechtbank heeft destijds onderzocht of er voldoende bewijs voorhanden was voor deze aan verdachte verweten gedragingen. Het onderzoek naar de bewezenverklaring van de tenlastelegging kan niet, zoals de officier van justitie heeft gedaan, worden gesplitst in een onderzoek naar de diefstal en een onderzoek naar het toegepaste geweld, waaronder de verkrachting. Alle feitelijke gedragingen die in de tenlastelegging zijn beschreven, hangen met elkaar samen. De rechtbank beoordeelt niet eerst of er bewijs is voor de diefstal en pas daarna of er bewijs is voor de geweldshandelingen, maar beoordeelt al het voorhanden zijnde bewijs in het licht van de tenlastelegging. Bewijs voor betrokkenheid bij het toegepaste geweld levert bewijs voor het medeplegen van de diefstal met geweld. Bewijs voor de verkrachting levert bewijs voor de betrokkenheid bij diefstal met geweld. De rechtbank concludeert dat de in de tenlastelegging opgenomen geweldshandelingen, waaronder de verkrachting, onderdeel hebben uitgemaakt van het onderzoek door de rechtbank dat heeft geleid tot de vrijspraak op 20 maart 2013. Dat dat het geval is, blijkt ook uit het hierboven geciteerde requisitoir van de officier van justitie. Vergelijking van de verweten gedragingen. In de tenlastelegging uit november 2009 worden verdachte verschillende geweldshandelingen verweten waaronder verkrachting met een voorwerp. Het juridische begrip (de juridische kwalificat