Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-12-06
ECLI:NL:RBOBR:2017:6446
beschikking RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rekestnummer: C/01/321370 / EX RK 17-78 Beschikking in deelgeschil van 6 december 2017 in de zaak van [verzoekster] , wonende te [woonplaats] , verzoekster, advocaat mr. J.N.R.M. Aarts te Uden, tegen 1 [verweerster sub 1] , 2. [verweerster sub 2] , beiden wonende te [woonplaats] , verweersters, advocaat mr. M. Hulstein te Eindhoven. 1 De procedure Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift het verweerschrift de mondelinge behandeling. 2 De feiten Bij de beoordeling van dit deelgeschil gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten. 2.1. Op vrijdag 12 oktober 2012 heeft verzoekster (toen 58 jaar oud), samen met haar zwager (de man van haar zus [verweerster sub 2] ), op verzoek van haar toen 90-jarige vader werkzaamheden verricht aan het (platte) dak van de garage en de schuur bij het huis van haar vader. Deze garage en schuur staan op korte afstand van elkaar. Daartussen bevindt zich een overkapte doorgang naar een (tuin)poort (zie hierna foto 1). Het dak van de garage, de overkapping van de doorgang en het dak van de schuur vormen samen één dak waarvan het dakleer moest worden vervangen (zie hierna foto 2). De vader van verzoekster had hiervoor een klusbedrijf opdracht gegeven, maar om kosten te besparen had hij verzoekster en haar zwager gevraagd om alvast het oude dakleer te verwijderen. Foto 1 Foto 2 2.2. Verzoekster en haar zwager waren op 12 oktober 2012 samen aan het werk op het dak om het dakleer te verwijderen. Op enig moment moest verzoekster veel kracht zetten om een stuk oud dakleer los te trekken. Toen dit stuk alsnog los schoot, verloor zij haar evenwicht en viel zij achterover. Zij viel op een gedeelte van het dak dat was gelegen boven de overkapping, op een plek waar de houten constructie van de overkapping verrot was, en zij is door de overkapping heen op haar rug op de grond gevallen. Zij heeft daarbij ernstig letsel opgelopen. 2.3. Verzoekster heeft op 22 oktober 2012 haar vader voor het ongeval en haar schade aansprakelijk gesteld. Hij heeft zijn aansprakelijkheidsverzekeraar Interpolis ingeschakeld. Deze verzekeraar heeft meermaals namens de vader van verzoekster aansprakelijkheid van de hand gewezen. 2.4. Op [datum overlijden] is de vader van verzoekster overleden. Erfgenamen zijn verzoekster en haar twee zussen, verweersters. 2.5. Bij beschikking van 7 april 2016 heeft de rechtbank op verzoek van verzoekster een voorlopig getuigenverhoor bevolen, kort gezegd over de omstandigheden waaronder verzoekster door het dak is gevallen. Die getuigenverhoren hebben plaatsgevonden op 23 mei 2016. Als getuige zijn gehoord verzoekster, haar zwager [naam zwager] , haar zus [verweerster sub 2] , haar zoon [naam zoon] , en de dakdekker de heer [naam dakdekker] . 2.6. Verzoekster spreekt in deze deelgeschilprocedure haar zussen aan in hun hoedanigheid van mede-erfgenaam van haar vader. 3 De beoordeling 3.1. In dit deelgeschil vraagt verzoekster de rechtbank om: voor recht te verklaren dat verweersters jegens haar aansprakelijk zijn voor het ongeval dat haar op 12 oktober 2012 is overkomen en voor de letselschade die zij hierdoor lijdt; verweersters te veroordelen om een voorschot op het smartengeld van € 2.500,- te storten op de derdengeldenrekening van het kantoor van haar advocaat; de kosten deelgeschil voor verzoekster te begroten op een bedrag van € 5.186,74 en verweersters te veroordelen om dit bedrag te storten op diezelfde derdengeldenrekening. Aansprakelijkheid opstalbezitter 3.2. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat de overkapping gebrekkig was en dat de aansprakelijkheid voor het ongeval op grond van artikel 6:174 BW daarom rust op de bezitter van de overkapping, en dat was destijds haar vader. Ter onderbouwing van dit standpunt voert verzoekster aan dat zij door het dak van de overkapping heeft kunnen vallen omdat als gevolg van achterstallig onderhoud de houten dakconstructie op die pl De rechtbank volgt verweersters niet in hun verweer dat het verzoekster zelf is geweest die de gebrekkige en daardoor gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt door het dakleer te verwijderen en met haar voet een gat in een dakplaat te maken. Indien het juist is, zoals de zwager van verzoekster heeft verklaard (maar verzoekster betwist), dat verzoekster het dakleer van de overkapping heeft verwijderd en vervolgens, door voorzichtig met haar voet op het dak te drukken, een gat in het dak heeft veroorzaakt ter grootte van haar voet, dan betekent dit dat het hout op die plaats ernstig verrot was en dat het dak in een zo slechte staat verkeerde dat verzoekster er ook doorheen zou zijn gevallen als zij daarin niet eerst met haar voet een (klein) gat zou hebben gedrukt en het dakleer er nog overheen had gelegen. Ten aanzien van het dakleer overweegt de rechtbank dat dit geen dragende functie heeft maar slechts is bedoeld om de onderliggende houten constructie droog te houden. De rechtbank is van oordeel dat er vanuit moet worden gegaan dat ook als het dakleer nog op het rotte deel van het dak had gelegen, het dak op die plek door de val van verzoekster zou zijn bezweken en verzoekster er doorheen zou zijn gevallen. Het dak van de overkapping was dus al gebrekkig op het moment dat verzoekster aan haar werkzaamheden op het dak begon. Die gebrekkigheid is niet door haarzelf veroorzaakt. 3.7. Omdat het dak van de overkapping door verrotting gebrekkig was en het gevaar meebracht dat iemand daar doorheen zou zakken, en dit nu juist precies is wat er hier is gebeurd, was de vader van verzoekster als bezitter van de opstal daarvoor aansprakelijk op grond van artikel 6:174 BW, ook als hij niet wist van de verrotte houtdelen en van het gevaar dat deze opleverden. 3.8. Voor zover verweersters bedoeld hebben een beroep te doen op de zogenaamde tenzijclausule uit het laatste zinsdeel van artikel 6:174 lid 1 BW, door aan te voeren dat de vader van verzoekster geen weet had van de gebrekkige en gevaarlijke situatie op het tijdstip waarop die situatie (door toedoen van verzoekster) ontstond, overweegt de rechtbank dat dit beroep niet kan slagen. In de eerste plaats niet omdat, zoals hiervoor is overwogen, de gebrekkige en gevaarlijke situatie niet door toedoen van verzoekster is ontstaan maar reeds bestond door verrotting van de houten dakdelen. Bovendien ziet de tenzijclausule niet op de situatie dat de bezitter van de opstal op het tijdstip waarop het gevaar ontstond hier geen weet van had, maar (kort gezegd) op de situatie dat de bezitter van de opstal, verondersteld dat hij wel geweten had van het gevaar, de schade toch niet had kunnen voorkomen. Dat de vader van verzoekster, ook als hij had geweten van het verrotte dak, de val van verzoekster niet had kunnen voorkomen is niet gesteld en acht de rechtbank ook niet aannemelijk. De vader van verzoekster had in dat geval veiligheidsmaatregelen kunnen treffen. 3.9. Uit het voorgaande volgt dat de vader van verzoekster als bezitter van de opstal aansprakelijk was voor de schade die verzoekster heeft geleden en mogelijk nog altijd lijdt als gevolg haar val op 12 oktober 2012. Eigen schuld 3.10. Verweersters beroepen zich op eigen schuld aan de zijde van verzoekster als bedoeld in artikel 6:101 BW. Zij voeren daartoe aan dat verzoekster er zelf bij haar vader op heeft aangedrongen om het verwijderen van het dakleer in eigen beheer te doen, dat zij wist dat sprake was geweest van lekkages maar heeft nagelaten om veiligheidsmaatregelen te treffen, zelfs toen zij de donkere plek in het dak had gezien en daar met haar voet een gat in had gedrukt, en dat verzoekster er zelf voor heeft gekozen om hard aan het dakleer te blijven trekken, ook toen zij merkte dat het lastig loskwam. 3.11. Verzoekster voert aan dat zij handelde op verzoek van haar vader en dat zij weliswaar wist dat er lekkages waren geweest in het dak, en dat het dakleer daarom moest worden vervangen, maar zij betwist te hebben geweten dat de ond De zwager van verzoekster heeft tijdens het getuigenverhoor op 23 mei 2015 verklaard dat hij samen met verzoekster heeft gekeken naar een donkere plek van ongeveer 90 cm doorsnede die na verwijdering van het dakleer zichtbaar was op het dak van de overkapping, dat verzoekster in de buurt van die vlek voorzichtig met haar voet op het dak heeft gedrukt, dat toen een gat ontstond in het dak ter grootte van haar voet en dat hij toen tegen verzoekster heeft gezegd dat ze op moesten letten en van dat deel van het dak moesten wegblijven. Deze verklaring komt in essentie overeen met wat de zwager van verzoekster eerder daarover heeft geschreven in een verklaring ten behoeve van de verzekeraar van 14 november 2013 en komt de rechtbank overigens ook geloofwaardig voor. 3.17. Verzoekster voert aan dat haar zwager met dit relaas, bij een vervolgbezoek van de verzekeraar in november 2013, een nieuw element in het verhaal heeft gebracht, misschien om haar een hak te zetten vanwege slechte familieverhoudingen. De rechtbank volgt verzoekster hierin niet. Aan haar zwager is pas in november 2013 gevraagd een verklaring af te leggen en hij heeft toen direct zijn volledige verhaal verteld. Over het gat dat verzoekster in het rotte deel van de overkapping had gemaakt heeft hij al kort na het ongeval gesproken met de vader van verzoekster. Daarover heeft de vader van verzoekster verklaard. Van het om welke reden dan ook later inbrengen van een nieuw element in het relaas, wat afbreuk zou kunnen doen aan de geloofwaardigheid daarvan, is dan ook geen sprake geweest. 3.18. Bij het getuigenverhoor heeft verzoekster betwist dat zij wist dat het hout van de overkapping rot was. Ter toelichting heeft ze aangegeven dat tegen de onderkant van de houten constructie houten schrootjes zaten, zodat zij niet kon zien of de constructie rot was. Ook heeft zij betwist een gat in het dak te hebben gezien of met haar voet een gat in het dak te hebben gemaakt. De rechtbank overweegt dat het er hier niet om gaat of de rotte plek van onderaf zichtbaar was. De stelling van verweersters is, dat dit van bovenaf zichtbaar was. Verzoekster heeft niet betwist dat het dakleer op de plek waar zij is gevallen verwijderd was. Verzoekster heeft niet verklaard over wat er te zien was na verwijdering van het dakleer, maar omdat vaststaat dat het hout op de plek waar verzoekster is gevallen ernstig verrot was, is het aannemelijk dat dit na verwijdering van het dakleer zichtbaar is geweest in de vorm van een donkere vlek, zoals de zwager van verzoekster heeft verklaard. 3.19. Verzoekster heeft in haar eerste schriftelijke verklaring voor de verzekeraar op 21 november 2012 vermeld: “(…) Hierbij verloor ik mijn evenwicht en viel achterover door ’t gat van de overkapping (…)”. In een situatieschets die zij bij deze verklaring heeft gemaakt heeft zij met een kruisje aangegeven waar zij stond en heeft zij met een stip de plaats van het gat aangegeven. Haar verklaring, waarin zij melding maakt van “het gat”, vormt een aanwijzing dat er al een gat was voordat zij door het dak viel. 3.20. De rechtbank oordeelt op basis van het voorgaande dat als vaststaand kan worden aangenomen dat verzoekster en haar zwager na het verwijderen van het dakleer van de overkapping een donkere vlek hebben gezien met een doorsnede van ongeveer 90 cm, dat verzoekster daar een klein gat in heeft gemaakt door daar voorzichtig met haar voet op te drukken, en dat verzoeksters zwager haar toen heeft gewaarschuwd uit de buurt van deze vlek te blijven, zoals verweersters stellen. Dit maakt de handelwijze van verzoekster eens te meer onvoorzichtig en vergroot haar mate van eigen schuld. 3.21. De rechtbank komt tot de slotsom dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van verzoekster, in verband waarmee 60% van haar schade voor haar eigen rekening dient te blijven. Een beroep op billijkheidsredenen op grond waarvan tot een andere verdeling zou moeten worden gekomen, is door verzoekster niet gedaan. De vergoedingsplicht van