Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-12-12
ECLI:NL:RBOBR:2017:6437
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 17/2063 uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2017 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] , eiseres (gemachtigde: mr. M. Yigitdol), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven , verweerder (gemachtigde: mr. P. Haeckx). Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van aanvulling levensonderhoud afgewezen. Bij besluit van 14 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2018. Eiseres is verschenen, vergezeld van haar moeder en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Feiten 1. Eiseres ontvangt sinds 1 september 2004 een uitkering op grond van de Pw. Eiseres is gehuwd met de heer [naam] , van Libische nationaliteit (hierna: de echtgenoot). Eiseres heeft vier minderjarige kinderen. 2. De echtgenoot is bij besluit van 4 november 2005 ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, onder c en e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze ongewenstverklaring is bij besluit van 24 december 2014 omgezet in een inreisverbod voor de duur van 20 jaar. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag, zitting houdende te ’s‑Hertogenbosch, van 4 december 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13909, is het besluit tot het opleggen van het inreisverbod vernietigd. De ongewenstverklaring is om die reden herleefd. De echtgenoot heeft op grond daarvan de verplichting Nederland en de Europese unie te verlaten. Hij wordt echter niet uitgezet naar Libië, omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) op 5 juli 2017 de Nederlandse staat bij wege van voorlopige voorziening ( interim measure ) heeft verboden de echtgenoot naar Libië te verwijderen zolang niet is beslist op de bij het EHRM ingediende klacht van de echtgenoot tegen Nederland. Dit uitzettingsverbod maakt echter niet dat de echtgenoot rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Het bepaalde in artikel 67, derde lid, van de Vw 2000 staat daaraan in de weg. De echtgenoot is daarom geen rechthebbende op bijstand in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de Pw. 3. Bij besluit van 30 december 2015 heeft verweerder, mede naar aanleiding van een aanvraag om bijzondere bijstand ter aanvulling levensonderhoud van 2 december 2015, de uitkering van eiseres bepaald naar de norm van alleenstaande (ouder). Tevens is de uitkering van eiseres voor de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016 op grond van artikel 18 van de Pw verhoogd met een bedrag van € 275,04 per maand, dit omdat eiseres bij de Belastingdienst geregistreerd staat met een toeslagpartner, zodat zij niet in aanmerking komt voor een verhoging van het Kindgebonden budget als alleenstaande ouder, en zij de registratie van de echtgenoot als toeslagpartner niet kan beëindigen. 4. Op 16 februari 2017 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van aanvulling levensonderhoud vanaf 1 januari 2017 in verband met het feit dat zij door de werking van de Toeslagenwet niet in aanmerking komt voor de zogenoemde alleenstaande ouderkop (ALO-kop) en ook niet voor zorgtoeslag. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat deze kosten noodzakelijk zijn in de zin van artikel 14 jo artikel 35, eerste lid, van de Pw. 5. Bij besluit van 10 maart 2017 heeft verweerder de samenstelling van de uitkering van eiseres gewijzigd met ingang van 1 januari 2017. Met ingang van die datum heeft eiseres – zo leest de rechtbank – op grond van het bepaalde in artikel 24 van de Pw recht op een uitkering naar de norm van een kostendeler, zijnde van 50% van de gehuwdennorm. Verweerd 7-8 en 26-27, heeft de regering onderkend dat de individuele situatie van gehuwden met een niet‑rechthebbende partner onderling sterk kan verschillen. Dit maakt dat bij toepassing van artikel 24 van de Pw altijd goed gekeken moet worden naar de individuele situatie. Indien nodig heeft het college op basis van artikel 18, eerste lid, van de Pw de mogelijkheid om in individuele gevallen de algemene bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. 12. In het geval van eiseres heeft verweerder blijkens het besluit van 10 maart 2017 wel degelijk onderzocht of in het individuele geval van eiseres een nadere afstemming op basis van artikel 18, eerste lid, van de Pw noodzakelijk was. Afstemming heeft ook daadwerkelijk plaatsgevonden, in die zin dat eiseres bovenop de kostendelersnorm een toeslag van 20% van de gehuwdennorm ontvangt ter compensatie van het feit dat eiseres niet in aanmerking komt voor de ALO-kop. De rechtbank wijst er nog op dat de wetgever met het vervallen van de alleenstaande oudernorm en de slechts beperkte compensatie daarvan door de invoering van de ALO-kop een welomschreven doel heeft willen dienen, het stimuleren van alleenstaande bijstandsgerechtigde ouders om werk te aanvaarden. 12. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder ten onrechte compensatie van het ontbreken van de ALO-kop achterwege heeft gelaten mist dus feitelijke grondslag. 14. Voorts heeft eiseres betoogd dat verweerder haar ten onrechte geen bijzondere bijstand op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft toegekend. Eiseres heeft met de verleende bijstand (overeenkomend met 70% van de gehuwdennorm) onvoldoende middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan van haar en haar gezin. Daarover overweegt de rechtbank als volgt. 15. Verweerder voert voor gevallen als dat van eiseres het volgende beleid. Bezien hogere uitkering Participatiewet in verband met geen recht op ALO kop via de belastingdienst. Artikel 18 van de Participatiewet geeft de mogelijkheid om te individualiseren. Dat artikel passen we ook toe voor de aanvulling ALO (dus geen beleid (meer) om dit via de bijzondere bijstand te doen). Je past artikel 18 voor de ALO toe indien de alleenstaande ouder: geen recht heeft op de verhoging van het Kindgebonden budget (ALO) bij de belastingdienst vanwege registratie AWIR-partner én de registratie van de AWIR-partner niet kan beëindigen én aannemelijk maakt dat hij hierdoor niet in zijn levensonderhoud van zichzelf en zijn kinderen kan voorzien Voor het beoordelen van het recht op deze aanvulling ALO geldt: De aanvulling op de ALO moet klant zelf aanvragen en moet individueel beoordeeld worden De aanvulling wordt toegekend voor bepaalde tijd. De aanvulling is onderdeel van de uitkering levensonderhoud De hoogte van de aanvulling ligt niet vast, maar is afhankelijk van de individuele situatie. Maximumbedrag is conform belastingdienst, afgerond op een hele euro. In 2016: € 256. 16. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om bijzondere bijstand beoordeeld en de resultaten daarvan neergelegd in het rapport bijzondere bijstand van 8 maart 2017. Ingevolge voornoemd beleid past verweerder in deze gevallen artikel 18 van de Pw toe en wordt niet los daarvan nog bijzondere bijstand verleend. De rechtbank acht dit beleid niet onredelijk, nu bij de toepassing van artikel 18 van de Pw afdoende rekening kan worden gehouden met bijzondere omstandigheden die zouden maken dat een belanghebbende na toepassing van de algemene normen van paragraaf 3.2 van de Pw onvoldoende bijstand zou ontvangen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van bestaan. 17. Verweerder heeft de vaste lasten vastgesteld op basis van de bankafschriften. Die zijn in totaal € 1049,49. Verder heeft eiseres per maand € 238,00 aan huurtoeslag, € 234,00 kindgebonden budget en € 319,78 kinderbijslag. Er blijft dan € 257,51 over aan vaste lasten. Vaste lasten voor de auto zijn nie