Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-11-30
ECLI:NL:RBOBR:2017:6433
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 17/1492 T proces-verbaal van de mondelinge tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 november 2017 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en Belastingdienst/ Toeslagen, verweerder (gemachtigde: G.G. Heijhuis). Procesverloop Bij besluit van 6 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om een persoonlijke betalingsregeling toegewezen en het aflossingsbedrag op € 235 per maand vastgesteld. Bij besluit van 23 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk gedeeltelijk ongegrond verklaard en de betaaldatum van de eerste termijn op 31 maart 2017 vastgesteld. De laatste termijn moet voor 28 februari 2019 zijn betaald. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk een tussenuitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank: stelt verweerder in de gelegenheid om binnen twee maanden na verzending van het proces-verbaal van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak; bepaalt hiertoe dat eiser binnen twee weken na verzending van het proces-verbaal van deze tussenuitspraak alle relevante informatie met betrekking tot zijn inkomen en dat van zijn partner aan verweerder stuurt; schorst het bestreden besluit en het primaire besluit met terugwerkende kracht tot de uitspraak op het beroep; houdt iedere verdere beslissing aan. Overwegingen 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Verweerder heeft in verband met een terugvordering huurtoeslag van € 3.810 en een terugvordering zorgtoeslag van € 1.815 over het jaar 2015 het verzoek van eiser om een persoonlijke betalingsregeling toegewezen. Daaraan is de voorwaarde verbonden dat eiser € 235 per maand betaalt en dat het totale bedrag in 24 maanden moet zijn betaald. 2. Bij het bestreden besluit is de betalingsregeling gehandhaafd en de datum waarop de eerste termijn moet zijn betaald vastgesteld op uiterlijk 31 maart 2017. In het bestreden besluit stelt verweerder dat berekening van de betalingscapaciteit van eiser rekening is gehouden met de uitgaven die worden genoemd in artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (Uitvoeringsregeling) en dat andere uitgaven dan die in dit artikel worden genoemd niet mogen worden meegenomen. Verweerder heeft bij zijn berekening verder rekening gehouden met de kosten voor levensonderhoud waarbij wordt uitgegaan van normbedragen, namelijk 90% van de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in de Participatiewet. Dit staat in artikel 16 van de Uitvoeringsregeling en voor eiser is dat € 1.264 per maand. Uit de berekening volgt dat eiser een maandelijkse betalingscapaciteit van € 1.160 heeft. 3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij niet in staat is het bedrag van € 235 per maand te betalen. Hij heeft verweerder eerder een voorstel van € 135 gedaan en dit is het bedrag wat voor hem financieel haalbaar is. Verweerder gaat uit van een hoger inkomen van eiser en zijn partner dan feitelijk het geval is. Verder houdt verweerder niet met alle uitgaven van eiser rekening en ontvangt eiser geen kindgebonden budget meer terwijl daar wel rekening mee wordt gehouden. Eisers komt per maand € 30 te kort indien hij het termijnbedrag van € 235 per maand moet voldoen. Eiser blijft het niet eens met de terugvordering van de huurtoeslag en de zorgtoeslag 2015. 4. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 28 november 2016 het bezwaar van eiser tegen de beslissing tot terugvordering van de huurtoeslag en de zorgtoeslag 2015 ongegrond heeft verklaard. Hiertegen heeft eiser geen beroep ingesteld. De terugvordering van de huurtoeslag en de zorgt