Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-11-28
ECLI:NL:RBOBR:2017:6174
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/995002-16 Datum uitspraak: 28 november 2017 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] gevestigd te [adres] Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 16 mei 2017 en 14 november 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2017. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 mei 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. zij op of omstreeks 31 maart 2015, te Nistelrode, gemeente Bernheze, op of aan een perceel [pleegadres] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk stoffen, te weten verontreinigd terreinwater en/of afvalwater, heeft gebracht in een perceelsloot, zijnde een oppervlaktewaterlichaam, terwijl: a. een daartoe strekkende vergunning niet was verleend door Onze Minister dan wel het bestuur van het betrokken waterschap en
b. daarvoor geen vrijstelling was verleend bij of krachtens algemene maatregel van bestuur en c. artikel 6.3 van de Waterwet niet van toepassing was; 2. zij op of omstreeks 2 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als degene die een inrichting, als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, dreef, waarin zich een voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een overstroming en/of een lekkage van digestaat en/of percolaat of een andere verontreinigende stof vanuit een (bio)vergister en/of een silo en/of een bak, op de onbeschermde bodem van het terrein en/of de daaraan grenzende percelen tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a van voornoemde wet, het orgaan was waaraan de melding werd gericht, dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders, heeft gemeld; 3. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en/of op of omstreeks 28 december 2015 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, op een perceel gelegen aan de [pleegadres] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het (doen) uitstromen van digestaat en/of percolaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een silo en/of biovergister over de (onbeschermde) bodem en vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting(en) heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken; 4. zij in of omstreeks de periode van 4 december tot en met 17 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie van het Functioneel Parket, in deze handelend in het arrondissement Oost-Brabant, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het doen of laten
- (verder) uitstromen of afvloeien van digestaat op of in de bodem en
- uitstromen en afvloeien over het terrein of aangrenzende perce(e)l(en) en/of opeervlaktewater(en) van afvalstoffen, digestaat en/of andere schadelijke en/of verontreinigende sto de monsternemingen: Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de verkregen onderzoeksresultaten niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd omdat de wijze van monsterneming en de verdere ‘routing’ van de monsters onvoldoende duidelijk uit het dossier volgt en niet-controleerbaar is, overweegt de rechtbank het navolgende. De rechtbank is van oordeel dat de plaats, tijd en wijze van monsterneming telkens voldoende duidelijk uit het dossier blijken. Datzelfde geldt ten aanzien van de uit de betreffende bemonstering verkregen onderzoeksresultaten (voor zover deze voor het bewijs worden gebezigd). Naar het oordeel van de rechtbank is de gang van zaken rond de bemonstering en het aan de monsters verrichtte onderzoek steeds op voldoende inzichtelijke en controleerbare wijze in het procesdossier weergegeven. De omstandigheid dat in het procesdossier de door de verdediging genoemde overdrachtsformulier en barcoderegistratie niet zijn vermeld, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. M.b.t. het onder 2. en 3. ten laste gelegde: Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat er in de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en op 28 december 2015, digestaat is gestroomd uit een op het perceel aan de [pleegadres] te Nistelrode aanwezige biovergister. Dit digestaat is - al dan niet via een onder het uitstroompunt geplaatste bak - op de onbeschermde bodem terechtgekomen en is tevens op het aangrenzende bosperceel gestroomd. Een en ander is door de verdediging in zoverre niet betwist. Voor wat betreft het verweer van de raadsman aangaande de betrouwbaarheid van de resultaten van de op 16 en 17 december 2015 genomen monsters, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover hierboven is overwogen. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat buiten discussie staat dat de uit de vergister gestroomde substantie digestaat betrof. Daarvan mag worden aangenomen dat het, wanneer het in dergelijke hoeveelheden en op ongecontroleerde wijze over de onbeschermde bodem uitstroomt, verontreinigende en schadelijke gevolgen zal hebben. Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat het verdachte was verboden om de motoren van de vergister aan te zetten c.q. om de vergister te voeden teneinde de uitstroom van digestaat tegen te gaan, overweegt de rechtbank het volgende. Bij aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant ] d.d. 1 juni 2017 zijn een aantal documenten gevoegd, waaruit blijkt van handhavend optreden door de [naam omgevingsdienst 2] met betrekking tot twee biogasmotoren binnen de inrichting. Het handhavend optreden was gericht op het voldoen aan de geldende veiligheidsvoorschriften en de verplichting tot keuren van de motoren. Daarbij is erop gewezen dat de motoren niet in werking mochten zijn wanneer deze niet waren gekeurd. Uit een brief van de [naam omgevingsdienst 2] gedateerd 19 november 2015 (pagina 173) volgt dat verdachte op dat moment is geïnformeerd dat de Omgevingsdienst “niet [zal] overgaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, strekkende tot het buiten gebruik stellen van de biogasmotor”. Wat er verder ook zij van het namens verdachte gestelde conflict van met elkaar strijdige plichten, is de rechtbank van oordeel dat vanaf 19 november 2015 verdachte niet (langer) voor de keuze was gesteld om de motor buiten gebruik te stellen. Nu het verweer feitelijke grondslag mist, wordt het door de rechtbank verworpen. De bewering van [medeverdachte] , zijnde de vertegenwoordiger van verdachte, dat hij de voormelde brief niet heeft gelezen, is een omstandigheid die voor risico van verdachte dient te blijven. Onder 3. is ten laste gelegd dat verdachte samen met een ander of anderen artikel 13 van de Wet bodembescherming heeft overtreden. Dit betreft een zorgplichtbepaling, bestaande uit het nemen van preventieve maatregelen om verontreiniging of aantasting van de bodem te voorkomen indien verdachte weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bodem zou kunnen worden vero om de vergister te voeden en het onomkeerbare proces van de uitstroom van digestaat niet kon verhelpen, overweegt de rechtbank conform hierboven bij feit 3 reeds vermeld. In aanvulling daarop is de rechtbank van oordeel dat verdachte en haar medeverdachten ter voorkoming van de verdere uitstroom van het digestaat over het terrein en de aangrenzende percelen, wel degelijk méér maatregelen hadden kunnen en moeten nemen. Zo had het uitgestroomde digestaat adequater kunnen worden opgevangen en afgevoerd en hadden er (extra) dammen en/of dijken kunnen worden aangelegd. Concluderend acht de rechtbank ook het onder 4. ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte 2. op 2 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, als degene die een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer dreef waarin zich een voorval als bedoeld in artikel 17.1 van voornoemde wet voordeed of had voorgedaan, te weten een overstroming en/of een lekkage van digestaat of een andere verontreinigende stof vanuit een biovergister en een bak op de onbeschermde bodem van het terrein en/of de daaraan grenzende percelen tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk dat voorval niet zo spoedig mogelijk aan het bestuursorgaan dat bevoegd was een vergunning krachtens artikel 8.1 van voornoemde wet voor een inrichting te verlenen, dan wel ingevolge artikel 8.41, tweede lid, onder a van voornoemde wet, het orgaan was waaraan de melding werd gericht, dan wel, in andere gevallen, aan burgemeester en wethouders heeft gemeld; 3. in de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en op 28 december 2015 te
Nistelrode in de gemeente Bernheze, op een perceel gelegen aan de [pleegadres] , tezamen en in vereniging met een ander, op de bodem handelingen hebben verricht, te weten het (doen) uitstromen van digestaat of overige verontreinigende stoffen vanuit een biovergister over de onbeschermde bodem en vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij wisten dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en opzettelijk niet aan hun verplichting hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hen konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken; 4. in de periode van 4 december tot en met 17 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie van het Functioneel Parket, in deze handelend in het arrondissement Oost-Brabant, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het doen of laten
- (verder) uitstromen of afvloeien van digestaat op of in de bodem en
- uitstromen en afvloeien over het terrein of aangrenzende perce(e)l(en) en/of oppervlaktewater(en) van afvalstoffen, digestaat en/of andere schadelijke en/of verontreinigende stoffen
en welke voorlopige maatregel verdachte op 4 december 2015 in persoon was betekend - tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft gehandeld in strijd met die voorlopige maatregel, immers hebben verdachte en haar mededaders toen daar opzettelijk digestaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een biovergister over de bodem laten uitstromen en laten afvloeien over het terrein en aangrenzende percelen. De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. De strafbaarheid va