Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-11-28
ECLI:NL:RBOBR:2017:6173
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Strafrecht Parketnummer: 01/997002-15 Datum uitspraak: 28 november 2017 Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] , wonende te [adres verdachte] Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting op 16 mei 2017 en 14 november 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht. De tenlastelegging. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2017. Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 16 mei 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat: 1. dat [bedrijfsnaam] op of omstreeks 4 oktober 2014, te Nistelrode in de gemeente Bernheze, in een inrichting aan de [adres bedrijf] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van 1 maart 2006, welk voorschrift betrekking had op: activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de WABO, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van de inrichting, immers werd in strijd met voorschrift 3.1.2 toen vanuit die inrichting bedrijfsafvalwater in een openbaar riool gebracht waardoor de doelmatige werking van het riool een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk of de bij dit riool of zuiveringstechnische werk behorende apparatuur werd belemmerd, de verwerking werd belemmerd van slib en/of de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet (zoveel mogelijk) werden beperkt, hebbende hij tot dat feit opdracht gegeven en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging; Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: [bedrijfsnaam] op of omstreeks 4 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting aan de [adres bedrijf] , zijnde een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, Categorie 28.1 en/of 7.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van dat besluit en/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit het niet uitsluitend lozen van afvalwater van huishoudelijk aard, maar tevens van proceswater, op het openbaar riool hebbende hij tot dat feit opdracht gegeven en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging; 2. [bedrijfsnaam] in of omstreeks de periode van 4 maart tot en met 1 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking, van een inrichting aan de [adres bedrijf] , zijnde een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, Categorie 28.1 en/of 7.4 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht, in elk geval als bedoeld in bijlage I van dat besluit en/of het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit de aanleg en/of het in werking hebben van een bassin voor opslag van digestaat en/of percolaat en/of ander (afval)water hebbende hij tot dat/die feit(en) opdracht gegeven e op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 december 2015 tot en met 17 december 2015 en/of op of omstreeks 28 december 2015 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, op een perceel gelegen aan de [adres bedrijf] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, op of in de bodem handelingen heeft verricht, te weten het (doen) uitstromen van digestaat en/of percolaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een silo en/of biovergister over de (onbeschermde) bodem en vervolgens deze aldaar gelaten, terwijl zij wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en al dan niet opzettelijk niet aan haar/hun verplichting(en) heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, deze en/of de directe gevolgen daarvan te beperken en/of zoveel mogelijk ongedaan te maken, hebbende hij opdracht gegeven tot dat feit en/of feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging(en); 7. hij in of omstreeks de periode van 4 december tot en met 17 december 2015 te Nistelrode, gemeente Bernheze, - nadat aan verdachte vanwege de Officier van Justitie van het Functioneel Parket, in deze handelend in het arrondissement Oost-Brabant, ingevolge artikel 28 van de Wet op de economische delicten, als voorlopige maatregel was bevolen zich te onthouden van het doen of laten
- (verder) uitstromen of afvloeien van digestaat op of in de bodem en
- uitstromen en afvloeien over het terrein of aangrenzende perce(e)l(en) en/of opeervlaktewater(en) van afvalstoffen, digestaat en/of andere schadelijke en/of verontreinigende stoffen en welke voorlopige maatregel verdachte op 4 december 2015 in persoon was betekend - meermalen, in elk geval eenmaal, tezamen en in vereniging met (een) ander(en) opzettelijk heeft gehandeld, en/of opzettelijk heeft nagelaten in strijd met die voorlopige maatregel, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) toen daar opzettelijk percolaat en/of digestaat en/of overige verontreinigende stoffen vanuit een silo en/of een biovergister over de bodem laten uitstromen en/of laten afvloeien over het terrein en/of aangrenzende perce(e)l(en). Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. De formele voorvragen. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging. Het ter zitting bij pleidooi herhaalde verzoek om schorsing van het onderzoek teneinde het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen de barcodes van de onderzochte monsters te overleggen wordt afgewezen. De noodzaak daartoe is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank verwijst daarvoor naar de ter zitting gegeven motivering van het eerste op de zitting gedane verzoek. Bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan. Het standpunt van de officier van justitie. De officier van justitie heeft, op de in het schriftelijk requisitoir genoemde gronden, geconcludeerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten. Van hetgeen onder 1. is ten laste gelegd kan de primaire variant bewezen worden verklaard. Het standpunt van de verdediging. De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Zakelijk weergegeven is daartoe onder meer het navolgende aangevoerd. Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde feit kan op grond van het dossier niet worden nagegaan op welke wijze de monsterneming heeft plaatsgevonden en welke routing de monsters hebben afgelegd. Aldus kan niet worden vastgesteld dat de l Verbalisant [verbalisant 1] heeft op 4 oktober 2014 geconstateerd dat er vanuit een op het bedrijfsterrein van [bedrijfsnaam] aanwezige container met een dompelpomp afvalwater werd geloosd op het openbaar riool. Door de verbalisant werd daarbij, zowel in de container als benedenstrooms in het riool, een sterke ammoniaklucht geroken. Procestechnoloog [technoloog] heeft de analyseresultaten van de monsterneming van 4 oktober 2014 bestudeerd en heeft verklaard dat het zeer geconcentreerd afvalwater betreft, waarvan de gehalten stikstof en chemisch zuurstofverbruik bijzonder hoog zijn. Bij dergelijke hoge ammoniumwaarden is de rioolwaterzuiveringsinstallatie (verder: RWZI) niet in staat om het ammonium volledig af te breken, zodat een gedeelte ervan via het effluent in de [naam waterloop] zal terechtkomen, aldus [naam procestechnoloog] Verder heeft [technoloog] nog verklaard dat uit de online-analyse van [naam rioolwaterzuiveringsinstallatie 2] blijkt dat het ammoniumgehalte in de periode van 18 september 2014 tot en met 5 oktober 2014 met pieken enorm hoog is geweest en vervolgens na 5 oktober 2014 (de rechtbank begrijpt: na de controle van verbalisant [verbalisant 1] ) is gezakt tot de waarden die normaal zijn voor de RWZI. De rechtbank concludeert op grond van het vorenstaande dat [bedrijfsnaam] op 4 oktober 2014 (en in daaraan voorafgaande periode) sterk verontreinigd afvalwater heeft geloosd op het riool en dat deze lozing gevolgen heeft gehad voor [naam rioolwaterzuiveringsinstallatie 2] . [naam rioolwaterzuiveringsinstallatie 2] betreft een zuiveringstechnisch werk dat onder meer tot doel heeft te voorkomen dat oppervlaktewater wordt verontreinigd. Door de lozing heeft [bedrijfsnaam] de werking van dat zuiveringstechnisch werk belemmerd en heeft het de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater in de [naam waterloop] niet (zoveel mogelijk) beperkt. Hiermee heeft [bedrijfsnaam] gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning. Door verdachte is onder meer aangevoerd dat het vanaf zijn perceel geloosde afvalwater niet kan hebben geleid tot de verhoogde waarden zoals die door de RWZI zijn gemeld. De rechtbank verwerpt dit verweer nu het onvoldoende is onderbouwd, temeer nu verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij niet weet wat de samenstelling is van het afvalwater dat vanaf zijn bedrijf op het riool werd geloosd. Het verweer van verdachte dat hij van ambtenaar [betrokkene 1] van de gemeente Bernheze toestemming had gekregen voor het (in deze omvang en in deze samenstelling) lozen van afvalwater op het riool acht de rechtbank niet aannemelijk. [naam ambtenaar] heeft nadrukkelijk kenbaar gemaakt - per e-mail op pagina 457 van het procesdossier alsook tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris - dat verdachte bij het lozen van afvalwater diende te voldoen aan alle daarvoor geldende normen. Dit verweer wordt daarom eveneens verworpen. Concluderend - en in aanmerking genomen hetgeen hieronder omtrent het feitelijk leidinggeven wordt overwogen - komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit, met dien verstande dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden bewezen dat als gevolg van de lozing de verwerking van slib werd belemmerd. Verdachte zal daarom ten aanzien van dit gedeelte van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken. M.b.t. het onder 2. ten laste gelegde: Aan de hand van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verbalisant [verbalisant 2] op 4 maart 2014 heeft geconstateerd dat op het terrein van [bedrijfsnaam] een niet-vergund opslagbassin was gesitueerd. Gesteld noch gebleken is dat het betreffende bassin aan [bedrijfsnaam] was vergund, waarbij wordt opgemerkt dat verdachte ter terechtzitting zelf heeft verklaard dat de vergunningverlening nog niet had plaatsgevonden. Het verweer van de raadsman dat de inhoud van het bassin niet kan worden vastgesteld wordt door de rechtbank verworpen, nu verdachte immers ter zitting zel Dit digestaat is - al dan niet via een onder het uitstroompunt geplaatste bak - op de onbeschermde bodem terechtgekomen en is tevens op het aangrenzende bosperceel gestroomd. Een en ander is door de verdediging in zoverre niet betwist. Voor wat betreft het verweer van de raadsman aangaande de betrouwbaarheid van de resultaten van de op 16 en 17 december 2015 genomen monsters, verwijst de rechtbank naar hetgeen daarover hierboven reeds is overwogen. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank dat buiten discussie staat dat de uit de vergister gestroomde substantie digestaat betrof. Daarvan mag worden aangenomen dat het, wanneer het in dergelijke hoeveelheden en op ongecontroleerde wijze over de onbeschermde bodem uitstroomt, verontreinigende en schadelijke gevolgen zal hebben. Voor zover door de verdediging is aangevoerd dat het verdachte was verboden om de motoren van de vergister aan te zetten c.q. om de vergister te voeden teneinde de uitstroom van digestaat tegen te gaan, overweegt de rechtbank het volgende. Bij aanvullend proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 1 juni 2017 zijn een aantal documenten gevoegd, waaruit blijkt van handhavend optreden door de [naam omgevingsdienst 2] met betrekking tot twee biogasmotoren binnen de inrichting. Het handhavend optreden was gericht op het voldoen aan de geldende veiligheidsvoorschriften en de verplichting tot keuren van de motoren. Daarbij is erop gewezen dat de motoren niet in werking mochten zijn wanneer deze niet waren gekeurd. Uit een brief van de [naam omgevingsdienst 2] gedateerd 19 november 2015 (pagina 173) volgt dat verdachte op dat moment is geïnformeerd dat de [naam dienst] “niet [zal] overgaan tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, strekkende tot het buiten gebruik stellen van de biogasmotor”. Wat er verder ook zij van het door verdachte gestelde conflict van met elkaar strijdige plichten, is de rechtbank van oordeel dat vanaf 19 november 2015 verdachte niet (langer) voor de keuze was gesteld om de motor buiten gebruik te stellen. Nu het verweer feitelijke grondslag mist, wordt het door de rechtbank verworpen. De bewering van verdachte dat hij deze aan hem gerichte brief niet heeft gelezen is een omstandigheid die bij hem ligt en voor zijn risico dient te blijven. Onder 6. is ten laste gelegd dat [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . artikel 13 van de Wet bodembescherming hebben overtreden. Hier geldt een dubbele zorgplicht (zoals hierboven bij feit 3 reeds omschreven). Uit het complex van bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende van het uitblijven van het treffen van maatregelen door [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . om te voorkomen dat de bodem kon worden verontreinigd of aangetast. Nadat voor de eerste keer op 2 december 2015 was geconstateerd dat er digestaat uit de vergister stroomde, zijn er door [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . geen adequate maatregelen getroffen om de gevolgen daarvan ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken. Weliswaar zijn op enig moment dammen opgeworpen op het terrein van de inrichting, maar naar het oordeel van de rechtbank is hiermee - mede gelet op de omvang van de verontreiniging en de omstandigheid dat het digestaat naar het naastgelegen bosperceel is doorgestroomd - niet aan de op de rechtspersonen rustende inspanningsverplichting voldaan. Gedurende de gehele periode zijn er door [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . onvoldoende maatregelen genomen om bodemverontreiniging te voorkomen en daarmee is - minst genomen - welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat door het handelen c.q. nalaten de bodem kon worden verontreinigd. Onder 5. is ten laste gelegd dat [bedrijfsnaam] en/of [bedrijfsnaam 2] . al dan niet opzettelijk hebben nagelaten een ongewoon voorval, als bedoeld in artikel 17.1 van de Wet Milieubeheer, aan het bevoegde bestuursorgaan te melden. Door de verdediging is betwist dat het hier een ongewo Daarmee passen de verboden gedragingen steeds binnen de normale bedrijfsvoering en taakuitoefening van de beide rechtspersonen. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtsperso(o)n(en), waardoor de verboden gedragingen redelijkerwijs aan de betreffende rechtspersoon kunnen worden toegerekend. De ten laste gelegde feiten zijn begaan door de rechtspers(o)n(en). Vervolgens dient te worden beoordeeld of verdachte als feitelijk leidinggever kan worden aangemerkt. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte directeur en enig bestuurder van [bedrijfsnaam 2] . is en dat [bedrijfsnaam 2] . eigenaar is van [bedrijfsnaam] Verdachte is exclusief bevoegd om namens [bedrijfsnaam] en [bedrijfsnaam 2] . beslissingen te nemen en opdrachten te vertrekken. Bovendien volgt uit de bewijsmiddelen dat verdachte steeds minst genomen op de hoogte is geweest van de betreffende verboden gedragingen. Voor zover deze verboden gedragingen niet reeds het gevolg zijn van actief handelen van verdachte zelf, heeft hij in ieder geval - hoewel hij daartoe vanuit zijn zowel formele als feitelijke functie als leidinggevende bevoegd en gehouden was - niet ingegrepen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen die zijn begaan door de genoemde rechtspersonen, als bedoeld in artikel 51, tweede lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht. M.b.t. het medeplegen: De rechtbank is van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde medeplegen niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat verdachte hiervan in zoverre wordt vrijgesproken. De bewezenverklaring. Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat 1. primair [bedrijfsnaam] op 4 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze, in een inrichting aan de [adres bedrijf] opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een voorschrift van de omgevingsvergunning van 1 maart 2006, welk voorschrift betrekking had op: activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e van de WABO, te weten het oprichten, veranderen of veranderen van de werking en/of het in werking hebben van de inrichting, immers werd in strijd met voorschrift 3.1.2 toen vanuit die inrichting bedrijfsafvalwater in een openbaar riool gebracht waardoor de doelmatige werking van een door een bestuursorgaan beheerd zuiveringstechnisch werk werd belemmerd en de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater niet (zoveel mogelijk) werden beperkt, hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedraging; 2. [bedrijfsnaam] in de periode van 4 maart tot en met 1 oktober 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze opzettelijk zonder omgevingsvergunning een project heeft uitgevoerd, dat geheel of gedeeltelijk bestond uit het veranderen en/of veranderen van de werking van een inrichting aan de [adres bedrijf] , zijnde een inrichting als bedoeld in Onderdeel C, Categorie 28.1 van bijlage I van het Besluit omgevingsrecht en het - na veranderingen te hebben aangebracht of de werking te hebben veranderd - in werking hebben van die inrichting ten aanzien van die veranderingen en/of die veranderde werking, bestaande die veranderingen en/of die veranderde werking uit de aanleg en/of het in werking hebben van een bassin voor opslag van afvalwater hebbende hij feitelijk leiding gegeven aan die verboden gedragingen; 3. [bedrijfsnaam] in de periode van 9 september tot en met 12 september 2014 te Nistelrode in de gemeente Bernheze op een perceel gelegen aan de [adres bedrijf] op de bodem handelingen heeft verricht, te weten het opslaan van verontreinigende stoffen, zodanig dat deze vanuit het bassin op de bodem daarbuiten terecht k Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard. Oplegging van straf en/of maatregel. De eis van de officier van justitie. De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen acht, gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. Het standpunt van de verdediging. De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft zich niet uitgelaten over de strafoplegging. Het oordeel van de rechtbank. Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van directeur (feitelijk leidinggever) van twee bedrijven verspreid over een lange periode en op verschillende manieren de milieuwetgeving overtreden. Op 4 oktober 2014 heeft het bedrijf van verdachte bedrijfsafvalwater op het openbaar riool geloosd, waardoor onder meer de werking van het aan dat riool verbonden zuiveringstechnisch werk werd belemmerd. Ten gevolge daarvan werden in het oppervlaktewater waarop dat riool via het zuiveringstechnisch werk uitkwam, onder meer verhoogde waarden ammonium gemeten. Dat is nadelig voor flora en fauna. Van maart tot en met september 2014 heeft het bedrijf van verdachte een bassin voor de opslag van afvalwater aanwezig gehad zonder te beschikken over de daartoe vereiste vergunning. Toen er in de maand september 2014 afvalwater uit dit bassin stroomde, heeft verdachte zijn bedrijf onvoldoende maatregelen laten treffen om te voorkomen dat hierdoor de bodem zou worden verontreinigd of aangetast. Vervolgens heeft verdachte op 2 december 2015, toen er binnen zijn bedrijf uit een mestvergistingsinstallatie grote hoeveelheden digestaat stroomden, nagelaten dit voorval bij de bevoegde autoriteiten te melden. De uitstroom van digestaat vanuit de mestvergister heeft vervolgens dagen voortgeduurd, waarbij door het bedrijf van verdachte andermaal onvoldoende maatregelen zijn getroffen om te voorkomen dat hierdoor de bodem zou worden verontreinigd of aangetast. Tot slot heeft verdachte, samen met de rechtspersonen die hij bestuurde, gehandeld in strijd met een bevel van de officier van justitie betreffende de uitstroom van het digestaat door die uitstroom niet tegen te gaan. Uit het bewezen verklaarde handelen van verdachte blijkt van een groot gebrek aan respect voor het milieu en de (gezondheids-)belangen van omwonenden. Daarnaast geven de bewezenverklaarde gedragingen - met name gelet op de structurele aard ervan - blijk van een groot gebrek aan respect voor geldende regelgeving en voor de aanwijzingen van autoriteiten. De biovergistingsinstallatie is over een lange periode intensief gecontroleerd door instanties. Daarbij zijn frequent overtredingen van voor de inrichting geldende milieuregels vastgesteld. Verdachte komt bij dit alles naar voren als iemand die, overtuigd van het eigen gelijk, doorlopend dergelijke constateringen en conclusies betwist en zich confronterend opstelt. Daarbij legt verdachte bij voortduring de verantwoordelijkheid bij controlerende of beslissingsbevoegde instanties onder het ontkennen van de eigen verantwoordelijkheid voor handelingen die leiden tot ongewenste gevolgen voor met name het milieu. Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat er, in verband met een juiste normhandhaving, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige