Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-11-10
ECLI:NL:RBOBR:2017:5889
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats 's-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 16/2127 en SHE 17/1507 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2017 in de zaken tussen Bibliotheek De Kempen, te Valkenswaard, eiser (gemachtigde: mr. C.P. Mesker), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze en Leende , verweerder (gemachtigden: H. van Heugten en R. Lavrijsen). Procesverloop In zaak met nummer 16/2127 Bij brief van 15 december 2015 heeft de burgemeester van Heeze-Leende eiseres meegedeeld dat verweerder op 15 december 2015 heeft besloten de zogenoemde ‘Bestuursovereenkomst tussen gemeenten en Bibliotheek De Kempen’ (de bestuursovereenkomst) per 1 januari 2016 te beëindigen. Bij besluit van 5 januari 2016 heeft verweerder voor het jaar 2016 aan eiseres een subsidiebedrag van € 199.667,– toegekend. Bij besluit van 21 januari 2016 heeft verweerder het bij besluit van 5 januari 2016 toegekende subsidiebedrag herzien naar een bedrag van € 198.667,–. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de brief van 15 december 2015 en de besluiten van 5 en 21 januari 2016. Bij besluit van 31 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar, voor zover gericht tegen de brief van 15 december 2015, niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de besluiten van 5 en 21 januari 2016 ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. in zaak met nummer 17/1507 Bij besluit van 9 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de subsidierelatie met eiseres per 15 november 2017 wordt beëindigd. Bij besluit van 28 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. in beide zaken De rechtbank heeft beide zaken ter behandeling gevoegd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2017. Namens eiseres is [directeur] , directeur, verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. 1.2. Op 30 september 2013 hebben een aantal Brabantse gemeenten en eiseres als partijen de bestuursovereenkomst gesloten. Bij besluit van 19 november 2013 heeft verweerder besloten dat de gemeente Heeze-Leende zou toetreden tot de bestuursovereenkomst. Begin 2014 is de gemeente Heeze-Leende onder dezelfde voorwaarden partij bij de bestuursovereenkomst geworden. 1.3. De bestuursovereenkomst luidt, voor zover hier van belang, als volgt: Artikel 2. De subsidie voor het basispakket 2.1. Gemeenten nemen jegens elkaar de verplichting op zich om de subsidie die door elke gemeente aan de bibliotheek wordt verstrekt ten aanzien van het basispakket te baseren op een bepaald bedrag per inwoner vermenigvuldigd met het aantal inwoners van betreffende gemeente. Hierbij wordt het bedrag per inwoner als volgt berekend: (…) 2.3. Gemeenten hebben jegens elkaar de verplichting op zich genomen dat, indien één der gemeenten voornemens is de subsidie aan de bibliotheek ten aanzien van het basispakket te beëindigen, de redelijke termijn ex. artikel 4:51 Awb vast te stellen op 2 (twee) kalenderjaren. Voorgaande houdt in dat betreffende gemeente na de aankondiging aan de bibliotheek dat de subsidie zal worden beëindigd, de 2 (twee) opvolgende kalenderjaren (1 januari -31 december) de volledige subsidie aan de bibliotheek zal voldoen, waardoor de overige gemeenten en de bibliotheek in die redelijke termijn de gevolgen kunnen verwerken. (…) Artikel 4. Beëindiging van deze overeenkomst 4.1. Indien een gemeente de subsidieverlening aan de bibliotheek beëindigt, is de betreffende partij daarmee van rechtswege en zonder dat opzegging vereist is, geen partij meer in onderhavige overeenkomst als aan de voorwaarden conform art. 2.3. is voldaan. 1.4. Het college heeft het voor het jaar 2016 toegekende subsidiebedrag van € 198.667, Hiermee brengt de bestuursovereenkomst naar het oordeel van de rechtbank een verplichting met zich om bepaalde publiekrechtelijke bevoegdheden op een bepaalde manier uit te voeren en heeft deze in zoverre het karakter van een bevoegdhedenovereenkomst. 3.5. In voornoemd arrest van 8 juli 2011 heeft de Hoge Raad ten aanzien van een bevoegdhedenovereenkomst bepaald dat de wederpartij van de gemeente die nakoming wenst van de uit een dergelijke overeenkomst voortvloeiende verplichting tot het nemen van een besluit, zich, na eventueel bezwaar, tot de bestuursrechter moet wenden als de rechter die bevoegd is ten aanzien van het besluit. Dat geldt zowel in het geval dat het toegezegde besluit niet genomen wordt (vergelijk art. 6:2 van de Awb), als in het geval dat de wederpartij van oordeel is dat het door het bestuursorgaan genomen besluit niet beantwoordt aan de overeenkomst. In beide gevallen kan de wederpartij door eventueel bezwaar en door beroep bij de bestuursrechter, bewerkstelligen dat het besluit waar de overeenkomst haars inziens recht op geeft, alsnog genomen wordt. 3.6. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de bestuursrechter bevoegd is als het geschil ziet op een uit de bevoegdhedenovereenkomst voortvloeiende verplichting tot het nemen van een besluit. In dat geval kan, als het toegezegde besluit is genomen, de rechtmatigheid van dat besluit worden voorgelegd aan de bestuursrechter. Indien het toegezegde besluit niet is genomen, kan het niet nemen (of het niet tijdig nemen), zo nodig na bezwaar, worden voorgelegd aan de bestuursrechter. In dit geval heeft verweerder op 5 en 21 januari 2016 een subsidiebesluit voor het jaar 2016 genomen. Uit voornoemd arrest volgt dat, als eiseres van mening is dat dit subsidiebesluit niet aan de bevoegdhedenovereenkomst beantwoordt, de rechtmatigheid van dit besluit aan de bestuursrechter kan worden voorgelegd. Bij de beoordeling van die besluiten behoort de bestuursovereenkomst, waaronder de uit artikel 2 en 4 voortvloeiende verplichtingen, een rol te spelen (zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1372 en 8 september 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ9924).Ten aanzien van de vraag of de opzegging van de bestuursovereenkomst, met gelijktijdige instandhouding van de subsidierelatie, als zodanig rechtmatig was, is de bestuursrechter niet bevoegd. Die opzegging betreft immers een privaatrechtelijke handeling en is daarmee geen besluit. Anders dan eiseres heeft betoogd, bevat de brief van 15 december 2015 geen aankondiging tot bezuiniging. Die bezuiniging heeft in 2016 ook nog niet plaatsgevonden. De beroepsgrond slaagt dus niet. 3.7. Dit betekent dat verweerder eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar bezwaar tegen de brief van 15 december 2015. Uit het voorgaande vloeit eveneens voort dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de opzegging van de bestuursovereenkomst evenmin in het kader van beoordeling van de subsidiebesluiten van 5 en 21 januari 2016 aan de orde kan worden gesteld, zoals eiseres beoogde. 3.8. De vraag of de besluiten van 5 en 21 januari 2016, mede gelet op de uit de bestuursovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, rechtmatig zijn, behoort wel tot de competentie van de bestuursrechter. Eiseres heeft echter in beroep niet gesteld dat de subsidiebesluiten van 5 en 21 januari 2016, gelet op de uit de bestuursovereenkomst voortvloeiende verplichtingen niet rechtmatig zijn, zodat de rechtbank hier niet over zal oordelen. 3.9. De conclusie uit het voorgaande is dat de beroepsgronden falen en dat het beroep in de zaak met nummer 16/2127 ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. in de zaak met nummer 17/1507 4.1. In deze zaak ligt de vraag voor of de door verweerder bij het bestreden besluit tot beëindiging van de subsidierelatie in acht genomen termijn van – per saldo – een jaar en zes weken (te weten van 9 november 2016 tot en met 31