Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2017-10-25
ECLI:NL:RBOBR:2017:5624
vonnis RECHTBANK OOST-BRABANT Civiel Recht Zittingsplaats 's-Hertogenbosch zaaknummer / rolnummer: C/01/306534 / HA ZA 16-253 Vonnis van 25 oktober 2017 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam eiseres] HOLDING B.V. , gevestigd te Landhorst, gemeente St. Anthonis, eiseres, advocaat mr. I.J.A.J. Hanssen te Boxmeer, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEIJMANS WEGEN B.V. , gevestigd te Rosmalen, gedaagde, advocaat mr. M. Littooij te Breda. Partijen zullen hierna [naam eiseres] en Heijmans genoemd worden. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 2 november 2016 het proces-verbaal van comparitie van 8 juni 2017. 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1. [naam eiseres] Holding B.V. behoort samen met onder meer Bowie Recycling B.V. tot een groep van ondernemingen. [naam eiseres] Holding B.V. is de moedermaatschappij van Bowie Recycling B.V. (hierna: “Bowie”). 2.2. Heijmans heeft met Bowie diverse overeenkomsten gesloten met betrekking tot aanleg of onderhoud van wegen, in het kader waarvan Bowie onder meer asfaltpuin voor Heijmans afvoerde. 2.3. Heijmans pleegt bij het sluiten van overeenkomsten gebruik te maken van algemene inkoop- en onderaannemingsvoorwaarden. 2.4. Artikel 24 van de Algemene inkoop- en onderaannemingsvoorwaarden van Heijmans (hierna: “de algemene voorwaarden van Heijmans”) luidt: “Cessie en verpanding van vorderingen Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever is het de opdrachtnemer niet toegestaan vorderingen die de opdrachtnemer ingevolge een overeenkomst met de opdrachtgever heeft of zal verkrijgen (waaronder het eventueel in de prijs begrepen verschuldigde bedrag aan premies sociale verzekeringen en loonbelasting, waarvoor de opdrachtgever ingevolge de wet aansprakelijk is) aan derden te cederen, te verpanden of anderszins te bezwaren of over te dragen.” 2.5. Tussen [naam eiseres] en Bowie Recycling is op 31 december 2010 een akte ondertekend met opschrift “Pandakte bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen (in eerste respectievelijk tweede verband)” (hierna: “de stampandakte”) waarin onder anderen Bowie zich verbonden heeft om alle handelsvorderingen op derden, die zij had of (in de toekomst) zou hebben, aan [naam eiseres] te verpanden. In de stampandakte is dat verwoord als volgt: “Tevens verbindt de pandgever zich hierbij om aan de pandnemer alle vorderingen te verpanden die hij op derden heeft of zal hebben, uit hoofde van geleverde goederen, verrichte diensten, geleende gelden, provisies of uit welken hoofde ook, hierna te noemen: “de vorderingen ”. ” 2.6. Bowie verpandde vervolgens wekelijks haar vorderingen op derden aan [naam eiseres] , door een daartoe strekkende akte bij de Belastingdienst te laten registreren. Zo’n akte is ook op 20 januari 2014 opgemaakt (hierna: “de pandakte van 20 januari 2014”). 2.7. De pandakte van 20 januari 2014 luidde, voor zover hier relevant: “Geldend tot meerdere zekerheid voor al hetgeen: De […] besloten vennootschap [naam eiseres] Holding BV, […] en de […] besloten vennootschap [naam eiseres] Beheer BV […] hierna te noemen: “Pandnemer”, nu of in de toekomst heeft de vorderen van: De […] besloten vennootschap Bowie Recycling BV […] hierna te noemen: “pandgever” Geeft pandgever aan pandnemer in pand: De uitstaande vorderingen per 20 januari 2014 ad € 6.059.324,79. Naam Eerste debiteur: 247 Chauffeurs Diensten Naam Laatste debiteur: Zwinkels Uitvoering & Verhuur Deze vorderingen zijn vermeld op de hierbij gevoegde computerlijst(en)/specificaties bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s. De verpanding vindt plaats op de wijze onder voorwaarden zoals omschreven in de overeenkomst tot verpanding van bedrijfsuitrusting, voorraden en (handels)vorderingen zoals door u op 31 december 2010 is ondertekend. Aldus getekend te Landhorst op 20 januari 2014” 2.8. De pandakte van 20 januari 2014 is blijkens de daarop aangebrachte sticker va Heijmans stelt dat haar algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten waaruit de vorderingen waarvan [naam eiseres] betaling vordert, zijn voortgekomen. Zij onderbouwt haar stelling met overlegging van diverse zogeheten “inkoopopdrachten”, waarin – onder verwijzing naar offertes van Bowie – door Heijmans aan Bowie opdrachten worden verstrekt. Op pagina 3 van de inkoopopdrachten staat steeds vermeld: “Uitsluitend de Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden van Heijmans N.V., zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel Brabant op 1 november 2010, waarvan wij u reeds eerder een gedrukt exemplaar toezonden, zijn op deze overeenkomst van toepassing. (…) Eventueel door u van toepassing verklaarde algemene voorwaarden worden uitdrukkelijk door ons van de hand gewezen. Mocht u naar aanleiding van deze inkoopopdracht/overeenkomst op- of aanmerkingen hebben, dan verzoeken wij u zulks per omgaande schriftelijk aan ons kenbaar te maken. Kunt u zich verenigen met de inhoud, dan verzoeken wij u binnen 10 dagen een exemplaar door een daartoe bevoegd persoon voor akkoord te laten ondertekenen en met eventueel uw firmastempel binnen de genoemde tijd aan ons te retourneren. Voor de goede orde wijzen wij u erop; Indien binnen 14 dagen na dagtekening van deze Inkoopopdracht/overeenkomst geen getekende kopie is retour ontvangen, wordt u geacht met de opdracht/overeenkomst, alsmede met Algemene Inkoop- en Onderaannemingsvoorwaarden van Heijmans N.V. akkoord te zijn.” 5.3. Voorts heeft Heijmans verwezen naar een tussen haarzelf en Bowie gewezen vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 2 september 2015 (C/01/273034 HA ZA 14-17, niet gepubliceerd). Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat de algemene voorwaarden van Heijmans sinds juli 2012 te gelden hebben als tussen Heijmans en Bowie bestendig gebruikte algemene voorwaarden, aldus Heijmans. 5.4. [naam eiseres] heeft gesteld dat de offertes van Bowie [waarin de eigen algemene voorwaarden van Bowie Recycling van toepassing verklaard worden, rb.] al door Heijmans aanvaard waren voordat Heijmans haar inkoopopdrachten aan Bowie toezond, en dat Bowie op dat moment ook al aan de uitvoering van de opdrachten was begonnen. De inkoopopdrachten van Heijmans kwamen dus als “mosterd na de maaltijd” (nr. 40 conclusie van antwoord in het incident). Het feit dat Bowie al incidenteel met Heijmans zaken had gedaan, voorafgaand aan de projecten uit 2013 waarvoor [naam eiseres] nu de betaling opeist, maakt niet dat sprake is van een bestendige relatie. [naam eiseres] wijst erop dat zij tegen het vonnis van 2 september 2015 hoger beroep heeft ingesteld, waarop nog niet is beslist. 5.5. De rechtbank stelt vast dat [naam eiseres] haar stelling, inhoudende dat de offertes van Bowie al waren aanvaard en de overeenkomst(en) tussen Heijmans en Bowie derhalve al tot stand waren gekomen vóórdat een inkoopopdracht van Heijmans werd ontvangen, niet met enig stuk heeft onderbouwd. Nu [naam eiseres] geen onderbouwing voor haar stelling heeft gegeven, zodat uit niets blijkt van een eerder moment van aanvaarding, is de rechtbank van oordeel dat de in het geding gebrachte inkoopopdrachten van Heijmans moeten worden opgevat als de aanvaarding (van Bowies offertes), waarmee de overeenkomsten tussen Bowie en Heijmans tot stand gekomen zijn. In de inkoopopdrachten verklaart Heijmans haar eigen algemene voorwaarden van toepassing en wijst zij expliciet de toepassing van de algemene voorwaarden van Bowie van de hand. Door [naam eiseres] is niet gesteld dat door Bowie (ooit) tegen de toepassing van de algemene voorwaarden van Heijmans is geprotesteerd, terwijl zij wel stelt dat de opdrachten door Bowie zijn uitgevoerd. In het licht hiervan is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van de algemene voorwaarden van Heijmans door Bowie stilzwijgend is aanvaard, zodat de in het geding zijnde vorderingen onderworpen zijn aan de algemene voorwaarden van Heijmans. 5.6. Hetgeen de rechtbank Oost-Brabant in haar vonnis va Daartoe wijst Heijmans erop dat de algemene voorwaarden van Heijmans geen sanctie bevatten voor het geval het verpandingsverbod zou worden geschonden. Indien beoogd zou zijn dat een schending van artikel 24 slechts verbintenisrechtelijke gevolgen zou hebben, zou het voor de hand hebben gelegen om die verbintenisrechtelijke gevolgen in de algemene voorwaarden nader uit te werken, bijvoorbeeld met een boeteclausule of onmiddellijke opeisbaarheid van de ten onrechte verpande of overgedragen vordering. Het ontbreken van een sanctie is dus een aanwijzing dat goederenrechtelijke werking is beoogd. 5.12. [naam eiseres] betwist dat artikel 24 van de algemene voorwaarden van Heijmans een verpandingsverbod met goederenrechtelijke werking in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW is. Zij haalt de uitlegregel aan die de Hoge Raad in het arrest Coface/Intergamma heeft gegeven en wijst erop dat het verpandingsverbod van Heijmans zo is geformuleerd dat de opdrachtnemer van Heijmans haar vorderingen op Heijmans niet zonder toestemming van Heijmans mag verpanden. Artikel 24 zegt niet dat de opdrachtnemer de vorderingen niet kan verpanden. Het verpandingsverbod richt zich tot de wederpartij en zegt niets over de eigenschappen van de vorderingen op Heijmans zelf. Artikel 24 verwijst ook niet naar artikel 3:83 lid 2 BW. Kortom: de tekst van de bepaling bevat volgens [naam eiseres] geen aanwijzing dat met dit beding goederenrechtelijke werking beoogd werd. 5.13. Uit de afwezigheid van een sanctie op overtreding van artikel 24 blijkt volgens [naam eiseres] ook niet dat het een beding in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW is. Volgens de uitlegregel van Coface/Intergamma is de formulering van artikel 24 leidend, en de afwezigheid van een boeteclausule heeft daar niets mee te maken. Bovendien is het niet zo dat een verbintenisrechtelijk verpandingsverbod zinloos is zonder een contractueel bepaalde sanctie. Bij schending van een verbintenisrechtelijk verpandingsverbod kan Heijmans ook op grond van de wet aanspraak maken op vergoeding van eventuele schade, of andere maatregelen treffen, aldus [naam eiseres] . 5.14. De rechtbank zal bij het beoordelen van het verpandingsverbod in artikel 24 van de algemene voorwaarden van Heijmans uitgaan van de uitlegregel die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest Coface/Intergamma. Dat betekent niet dat de rechtbank met terugwerkende kracht een nieuwe rechtsregel toepast op een al eerder bestaande rechtsverhouding. Het arrest Coface/Intergamma vormt namelijk, zoals Heijmans ook opmerkt, geen breuk met het arrest Oryx/Van Eesteren. De Hoge Raad overweegt in r.o. 3.3.1 en 3.3.2 van het arrest Coface/Intergamma expliciet dat hij zijn beslissing in de zaak Oryx/Van Eesteren handhaaft. 5.15. Uit het arrest Oryx/Van Eesteren volgt evenwel niet dat ieder verpandingsverbod, of zelfs een beding dat qua formulering lijkt op de in Oryx/Van Eesteren voorliggende clausule, volgens de Hoge Raad opgevat moe(s)t worden als een verpandingsverbod met goederenrechtelijke werking. De Hoge Raad heeft in Oryx/Van Eesteren (slechts) beslist dat een cessieverbod dat kwalificeert als een beding in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW, niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de gerechtigde tot de vordering, maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf. Over de vraag of de concrete clausule die in het arrest Oryx/Van Eesteren voorlag, daadwerkelijk een beding in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW was , heeft de Hoge Raad geen eigen oordeel gegeven. De Hoge Raad was op dat punt gebonden aan de interpretatie van het hof, waartegen partijen in het cassatieberoep geen klacht hadden gericht (vgl. alinea 2.16 conclusie A-G bij Coface/Intergamma, ECLI:NL:PHR:2013:1380). In cassatie namen beide partijen reeds aan dat er sprake was van een verpandingsverbod dat het vestigen van een pandrecht in beginsel onmogelijk maakte (zij het, volgens partijen: wegens beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever) en lag aan de Hoge Raad slechts de vraag voor of de Slotsom is dat artikel 24 van de algemene voorwaarden van Heijmans geen goederenrechtelijke werking heeft en dus niet tot gevolg heeft dat geen van de vorderingen van Bowie op Heijmans aan [naam eiseres] verpand zijn. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan de verdere geschilpunten tussen [naam eiseres] en Heijmans. Verrekening 5.21. Voor zover de vorderingen van Bowie op Heijmans aan [naam eiseres] zouden zijn verpand, beroept Heijmans zich op verrekening van haar schulden aan Bowie met een vordering die zijzelf op Bowie heeft. Zij stelt daartoe het volgende: tussen Heijmans en Bowie bestond een overkoepelende overeenkomst (de “cyclusafspraak”) op basis waarvan Bowie bij verschillende projecten van Heijmans asfaltschollen (brokken gebruikt asfalt) zou innemen, breken, zeven en daarna het eindresultaat (asfaltgranulaat) zou afleveren bij de asfaltmolen van Heijmans in Venlo, voor een totaalprijs van € 4,60 per ton. Heijmans heeft uit hoofde van deze afspraak bij diverse van haar projecten een totaalbedrag van € 138.457,17 (inclusief btw) aan Bowie betaald op het moment van inname van de asfaltschollen, terwijl Bowie de verdere “cyclus” nog niet voltooid had toen zij failliet verklaard werd. Heijmans heeft bij brief van 8 mei 2014 aan de curator van Bowie een termijn gesteld om te verklaren of hij de verplichting tot het afleveren van het asfaltgranulaat (het eindresultaat van de cyclus) nog ging nakomen; de curator heeft zich echter niet binnen de termijn tot nakoming bereid verklaard en het asfaltgranulaat is ook nooit aangeleverd. Heijmans heeft daarom recht op terugbetaling van het bedrag van € 138.457,17. 5.22. [naam eiseres] stelt ten eerste dat de cyclusafspraak tussen Bowie en Heijmans inhield dat Bowie voor de prijs van € 4,60 per ton teervrije asfaltschollen alleen maar moest innemen. Voor het afleveren van gebroken en gezeefd asfaltgranulaat aan de asfaltmolen moest nog afzonderlijk worden betaald. [naam eiseres] wijst ter onderbouwing van deze stelling op een tweetal facturen van Bowie aan Heijmans waarin bedragen (€ 5,50 per ton) worden gefactureerd onder de omschrijving “asfaltgranulaat 0,11 naar VAF” (VAF= Venlose Asfalt Fabriek, zijnde de asfaltmolen van Heijmans in Venlo). 5.23. Ten tweede betwist [naam eiseres] het bedrag dat Heijmans tegoed stelt te hebben. Heijmans heeft in haar brief aan de curator gesteld dat er 26.972 ton van Heijmans ingenomen asfaltpuin bij Bowie zou liggen, dat nog verwerkt en als granulaat afgeleverd zou moeten worden, maar bewijs daarvan ontbreekt en [naam eiseres] betwist de gestelde hoeveelheid. 5.24. Ten derde stelt [naam eiseres] zich op het standpunt dat een beroep op verrekening tegenover de pandhouder van een vordering slechts mogelijk is indien de vordering waarmee de schuldenaar (in dit geval: Heijmans) wil verrekenen, uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeit als de vordering waarop het pandrecht rust, of als de vordering waarmee de schuldenaar wil verrekenen, reeds aan haar was opgekomen en opeisbaar was geworden voordat het pandrecht bekendgemaakt werd. Aan geen van beide criteria is in dit geval voldaan, stelt [naam eiseres] . Tussen Bowie en Heijmans werden per project afzonderlijke contracten gesloten. Onder de facturen waarvan [naam eiseres] nu als pandhouder betaling vordert, zijn (slechts) 17 facturen (totaalbedrag € 11.588,20) die betrekking hadden op de cyclusafspraak. Slechts één van die facturen, voor een bedrag van € 1.688,17, betreft een project waarvan Heijmans heeft laten zien dat zij voor de inname van teervrij asfaltpuin betaald heeft. Alle andere facturen waarvan [naam eiseres] betaling vordert hebben niets met de cyclusafspraak te maken. Met name voor de grootste factuur waarvan [naam eiseres] betaling vordert, een bedrag van € 49.255,25 voor het innemen van teerhoudend asfaltpuin in het kader van project “Tegelseweg”, geldt dat deze uit een andere rechtsverhouding voortvloeit dan de bedragen waarmee Heijmans wil verrekenen. De cyclusafspraak – voor zo De cijfers in deze spreadsheet zijn door Bowie nooit tegengesproken, aldus Heijmans. 5.31. Heijmans stelt dat haar vordering met betrekking tot de niet-voltooide cycluswerkzaamheden wel degelijk voortvloeit uit dezelfde rechtsverhouding als de facturen van Bowie waarvan [naam eiseres] betaling vordert. Zowel de facturen als de vordering van Heijmans vloeien voort uit de cyclusafspraak en de projecten waarvan de cyclusafspraak onderdeel uitmaakte. Het feit dat er naast de overkoepelende cyclusafspraak ook nog projectcontracten werden gemaakt, had een administratieve reden; zo kon Heijmans bijhouden welke kosten zij aan welk project moest toeschrijven. De daadwerkelijke cycluswerkzaamheden werden echter niet per project afzonderlijk uitgevoerd. Bowie spaarde de ingenomen asfaltschollen op. Eens in de zoveel tijd verwerkte Bowie in overleg met de (asfalt)molenbaas een bepaalde hoeveelheid asfaltschollen tot granulaat en leverde dat dan bij de asfaltmolen af. De facturen waarvan [naam eiseres] heeft aangevoerd dat die op andere onderwerpen zien dan de cyclusafspraak (zoals de factuur van € 49.225,50 voor project Tegelseweg) hebben betrekking op projecten waar het verwerken van asfaltschollen in het kader van de cyclusafspraak ook onderdeel van uitmaakte. De vordering van Heijmans uit hoofde van de niet (volledig) nagekomen cyclusafspraak heeft daarom een dusdanige samenhang met de projecten waarvoor [naam eiseres] nu betaling vordert, dat ontkoppeling daarvan niet gerechtvaardigd is, zo stelt Heijmans onder verwijzing naar de conclusie van A-G Bakels bij het arrest HR 21 januari 2000, NJ 2000, 237 (Stet/Braaksma). Er is een zeer nauwe samenhang tussen enerzijds het door Bowie in opdracht van Heijmans opbreken van bestaand wegdek, het afvoeren van de daarbij vrijkomende asfaltschollen en het vervolgens aanbrengen van een nieuwe asfaltlaag enerzijds en zeven van die vrijgekomen asfaltschollen anderzijds, aldus Heijmans. Tot slot heeft Heijmans betwist dat het vonnis van 21 september 2016 gezag van gewijsde heeft. 5.32. De rechtbank beoordeelt dit onderdeel van het geschil als volgt. Allereerst verdient opmerking dat door [naam eiseres] niet – althans niet gemotiveerd - is betwist dat Heijmans reeds bij het innemen van (teervrij) asfaltpuin een bedrag van € 4,60 per ton aan Bowie betaalde, althans verschuldigd werd. [naam eiseres] heeft wel opgemerkt dat Heijmans niet voor alle door haar gestelde tonnen de innamefacturen of betalingsbewijzen in het geding heeft gebracht, maar [naam eiseres] heeft niet weersproken dat Heijmans € 4,60 per ingenomen ton moest betalen en [naam eiseres] heeft ook niet aangevoerd dat nog niet al het ingenomen asfaltpuin aan Heijmans in rekening gebracht zou zijn. 5.33. Heijmans heeft met de verklaringen van de heer [naam] (productie 13 Heijmans) en mr. Stiekema (productie 15 Heijmans) voldoende onderbouwd dat voor de prijs van € 4,60 per ton niet alleen teervrij asfaltpuin van Heijmans moest worden ingenomen, maar dat er in ruil voor dat bedrag ook gebroken en gezeefd asfaltgranulaat bij de asfaltmolen moest worden afgeleverd. Uit de spreadsheet waarin stromen van ingenomen asfaltpuin en afgeleverd granulaat per project zijn weergegeven (productie 16 Heijmans), alsmede uit hetgeen de heer [naam medewerker Heijmans] ter comparitie heeft verklaard, blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook voldoende duidelijk dat de afspraken met betrekking tot het aanleveren van asfaltgranulaat “0,11” anders waren dan de cyclusafspraak, die alleen betrekking had op asfaltgranulaat “0,16”. Ter comparitie is dit door [naam eiseres] ook niet meer betwist, maar heeft mr. Hanssen juist ook aangegeven dat de hogere prijs voor het fijnere granulaat “buiten het cyclus-verhaal valt”. Uit de door [naam eiseres] in het geding gebrachte facturen waarop voor de levering van asfaltgranulaat 0,11 een andere prijs in rekening wordt gebracht, volgt dus niet dat er (binnen het kader van de cyclusafspraak) nog afzonderlijk voor het levere De rechtbank overweegt dat de cyclusafspraak, waar de vordering van Heijmans op stoelt, nooit geheel op zichzelf stond en naar zijn aard ook niet op zichzelf kon staan, maar altijd pas zijn praktische uitwerking vond in de projectcontracten die Heijmans met Bowie sloot. Pas in het kader van de uitvoering van de projecten kwam er immers asfaltpuin vrij. 5.38. Het asfaltgranulaat dat Heijmans nog van Bowie “tegoed had” is opgebouwd uit de cumulatie van opeenvolgende projectcontracten, waarin de cyclusafspraak tot uitvoer kwam. De vordering van Heijmans kan daarom niet worden beschouwd als zo zeer op zichzelf staand, dat deze niet kan worden aangemerkt als voortvloeiend uit dezelfde rechtsverhouding als de facturen van Bowie (vgl. HR 21 januari 2000, NJ 2000/237, r.o. 3.4.3). Reeds hieruit volgt dat Heijmans een beroep kan doen op verrekening van haar vordering op Bowie met de facturen waarvan [naam eiseres] betaling vordert, omdat deze uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien. 5.39. Het beroep van [naam eiseres] op het gezag van gewijsde van het vonnis van 21 september 2016 kan haar niet baten. De rechtbank heeft in dat vonnis de verrekening van de daar aan de orde zijnde vorderingen afgewezen op de grond dat de ongedaanmakingsverplichting niet is opgekomen en opeisbaar geworden vóór de mededeling van verpanding, zodat aan die eis van artikel 6:130 BW niet is voldaan. Van een debat of beslissing over de vraag of sprake was van vorderingen die voortvloeien uit een zelfde rechtsverhouding blijkt uit dat vonnis niet. 5.40. Ook [naam eiseres] stelling, dat Heijmans geen verrekeningsverklaring zou hebben uitgebracht, staat niet aan het beroep van Heijmans op verrekening in de weg. Het feit dat Heijmans zich in dit geding op verrekening beroept, heeft tegenover [naam eiseres] als een verrekeningsverklaring te gelden. Aannemend dat de verrekeningsverklaring in de onderhavige omstandigheden (in de eerste plaats) moest worden gedaan aan (de curator van) Bowie, oordeelt de rechtbank dat ook daaraan voldaan is, nu Heijmans onweersproken heeft gesteld dat zij zich ook reeds op verrekening heeft beroepen in het geding dat eerder tussen [naam eiseres] , Heijmans en de curator van Bowie is gevoerd (C/01/373034 / HA ZA 14-17). De raadsman van [naam eiseres] heeft ter comparitie wel gesteld dat een verwijzing naar het vonnis in die andere zaak Heijmans niet kan baten, maar de rechtbank gaat hieraan wegens gebrek aan onderbouwing voorbij. [naam eiseres] heeft geen enkele omstandigheid aangevoerd die in twijfel trekt of de curator van Bowie uit de stellingen van Heijmans in dat geding wel heeft begrepen dat Heijmans zich op verrekening beroept. 5.41. Het voorgaande betekent dat Heijmans haar vordering van € 138.703,51 op Bowie heeft verrekend (althans, zonder meer kan verrekenen) met de bedragen waarvan [naam eiseres] in dit geding betaling vordert. De door [naam eiseres] ingestelde vordering bedraagt € 92.235,33 in hoofdsom, te vermeerderen met kosten (€ 1.697,35) en wettelijke handelsrente. De verrekening waar Heijmans zich op beroept, werkt terug tot het moment waarop haar vordering jegens Bowie veranderde van een vordering tot levering van asfaltgranulaat in een vordering tot betaling van een geldsom, zijnde het moment waarop de door Heijmans aan de curator van Bowie gestelde termijn ex artikel 37 Fw afliep. Die termijn liep veertien dagen na 8 mei 2014, derhalve op 22 mei 2014, af (productie 11 Heijmans). De facturen waarvan [naam eiseres] betaling vordert, hebben voor het grootste gedeelte (op enkele kleinere facturen uit december 2013 na) een vervaldatum die gelegen is in het eerste kwartaal van 2014, zodat de periode waarover deze rente hebben vergaard, tamelijk beperkt is. Dit brengt met zich dat de vordering van [naam eiseres] tegenover Heijmans, ook indien daarover de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldata van de facturen tot 22 mei 2014 zou worden meegerekend, niet hoger is dan het door Heijmans in verrekening te brengen bedrag.