ECLI:NL:RBOBR:2016:139
vonnis
RECHTBANK OOST-BRABANT
Strafrecht
Parketnummer: 01/889096-11
Datum uitspraak: 18 januari 2016
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [1958] ,
wonende te [woonplaats] , [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 en 21 oktober 2015, 1, 3, 4, 7, 8, 9 en 10 december 2015 en 4 januari 2016.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 september 2015.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing te verbergen en/of te
verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of een of meer van deze, voorwerp(en) voorhanden te hebben,
en/of door een of meer voorwerp(en) te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te
dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s),
a. in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 03 april 2012, (telkens) één of meer hierna te noemen geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer 1.403.911,79, in elk geval één of meer hierna te noemen geldbedragen, althans enig geldbedrag, in ontvangst genomen en/of (vervolgens) in giraal geld omgezet door contante stortingen op bankrekeningen ten name van (onder meer) [stichting 1] ( [bankrekeningnummer 1] ) en/of [verdachte] ( [bankrekeningnummer 2] ) en/of [medeverdachte 1] ( [bankrekeningnummer 3] en/of [bankrekeningnummer 4] ) en/of [medeverdachte 2] ( [bankrekeningnummer 5] ) en/of [medeverdachte 3] ( [bankrekeningnummer 6] ) en/of [medeverdachte 4] ( [bankrekeningnummer 7] en/of [bankrekeningnummer 8] ) en/of [medeverdachte 5] ( [bankrekeningnummer 9] ) en/of [medeverdachte 6] ( [bankrekeningnummer 10] ) en/of [medeverdachte 7] ( [bankrekeningnummer 11] en/of [bankrekeningnummer 12] ) en/of [medeverdachte 8] ( [bankrekeningnummer 13] ) en/of [medeverdachte 9] ( [bankrekeningnummer 14] ), te weten één of meer van de navolgende geldbedragen:
- 956.080,60 in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 1] ;
- 342.500,-- in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 2] ;
- 34.529,77 in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 3] ;
- 70.801,42 in totaal gestort op rekeningen aangehouden bij [bank 4] ;
b. in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, (telkens) één of meer hierna te noemen woningen en/of recht van erfpacht aangekocht en/of op naam verkregen, tot een totaal bedrag van ongeveer 2.524.000,-- , althans enig geldbedrag, te weten één of meer van de navolgende woningen en/of recht van erfpacht:
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 2] , aangekocht voor een geldbedrag van 880.000,-- en op 29 december 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 4] en op 26 mei 2010 notarieel overdragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 3] ;
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 3] , aangekocht voor een geldbedrag van 285.000,-- en op 30 november 2007 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 5] ;
-het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [naam 1] , staande en gelegen aan de [adres 4] , aangekocht voor een geldbedrag van 70.000,-- en op 12 april 2005 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 7] en op 20 april 2009 verkocht voor een geldbedrag van 70.000,-- en notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 6] ;
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 5] , aangekocht voor een geldbedrag van 179.000,-- en op 16 december 2005 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 4] ;
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 6] ,
aangekocht voor een geldbedrag van 470.000,-- en op 16 december 2003 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 8] ;
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 7] , aangekocht voor een geldbedrag van 640.000,-- en op 16 juni 2010 notarieel overdragen en geleverd aan en verkregen door [medeverdachte 9] ;
c. in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, (telkens) het gebruik genoten van een of meer hierna te noemen woningen en/of recht van erfpacht, te weten
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , en/of
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 2] , en/of
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 3] , en/of
-het recht van erfpacht betreffende een (camping) winkel op het recreatieterrein [naam 1] , staande en gelegen aan de [adres 4] , en/of
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 5] , en/of
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 6] , en/of
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 7] ,
zulks terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
art 420bis-ter Wetboek van Strafrecht
art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
2. De rechtspersoon [stichting 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing te verbergen en/of te verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of een of meer van deze, voorwerp(en) voorhanden te hebben, en/of door een of meer voorwerp(en) te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik te maken, immers heeft/hebben zij, [stichting 1] , en/of (een of meer van) haar mededader(s),
a. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 26 juni 2009 (telkens) één of meer geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer 366.975,-- , in elk geval één of meer geldbedragen, althans enig geldbedrag, in ontvangst genomen en/of (vervolgens) in giraal geld omgezet door contante stortingen op [bankrekeningnummer 15] t.n.v. [stichting 1] ten behoeve van de aankoop van het woonhuis staande en gelegen aan
[adres 8] ,
b.
in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 01 juli 2009, de hierna te noemen woning aangekocht en/of op naam verkregen:
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , aangekocht voor een geldbedrag van 345.000,-- en op 1 juli 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [stichting 1] ,
zulks terwijl zij, [stichting 1] en/of haar mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf, tot welke feiten hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;
art 420bis-ter j. 51 Wetboek van Strafrecht
art 420ter Wetboek van Strafrecht
art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt en/of zich schuldig heeft
gemaakt aan witwassen, door van een of meer voorwerp(en) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing te verbergen en/of te
verhullen, dan wel te verbergen en/of te verhullen wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren en/of een of meer van deze, voorwerp(en) voorhanden te hebben,
en/of door een of meer voorwerp(en) te verwerven, voorhanden te hebben en/of over te
dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s),
a. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 26 juni 2009 (telkens) één of meer geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer 366.975,-- , in elk geval één of meer geldbedragen, althans enig geldbedrag, in ontvangst genomen en/of (vervolgens) in giraal geld omgezet door contante stortingen op [bankrekeningnummer 15] t.n.v. [stichting 1] ten behoeve van de aankoop van het woonhuis staande en gelegen aan
[adres 8] ,
b. in of omstreeks de periode van 22 april 2009 tot en met 01 juli 2009, de hierna te noemen woning aangekocht en/of op naam verkregen:
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , aangekocht voor een geldbedrag van 345.000,-- en op 1 juli 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [stichting 1] ,
zulks terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht
3. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) een of meer geschriften dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te
dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) in strijd met de waarheid (onder meer) navolgende geschriften opgemaakt en/of doen opmaken:
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 6-11-2008, inhoudende een overeenkomst tussen de ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 4] inzake
- de vaststelling dat Rijkswaterstaat de woning aan de [adres 9] heeft gekocht en [vereniging 1] beschikt over 1.400.000,--;
- aan [medeverdachte 4] een lening verschaft van 950.000,--om de woning aan de [adres 2] te kopen;
- dat [medeverdachte 4] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben;
- de toestemming aan [medeverdachte 4] bij verkoop een andere woning te kopen; en
- indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben verstrekt.
Uitgevaardigd en ondertekend te Angered op 6 november 2008 door [getuige 1]
en [medeverdachte 4] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-5-2010, inhoudende dat ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 3]
zijn overeengekomen:
- dat [vereniging 1] de woning aan de [adres 2] ter
beschikking stelt aan [medeverdachte 3] in de vorm van een renteloze lening;
- dat daarmee [medeverdachte 3] alle schulden van [medeverdachte 4] overneemt;
- dat [medeverdachte 3] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben (in het bijzonder zijn zieke moeder);
- de toestemming aan [medeverdachte 3] bij verkoop een andere woning te kopen; en
- indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben uitgeleend.
Ondertekend te Angered op 14 mei 2010 door [getuige 1] en [medeverdachte 3] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 17-9-2007, inhoudende dat tussen [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap is overeengekomen
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden
geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 141.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de aankoop van het pand [adres 3] ;
- [medeverdachte 5] verplicht is om Roma die huisvesting nodig hebben toe te staan te gaan wonen in het pand;
- bij verkoop van het pand en geen nieuw pand wordt aangekocht, de opbrengst over te dragen aan [vereniging 2] .
Ondertekend te Helsingborg op 17 september 2007 door [getuige 2] en
[medeverdachte 5] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 11-12-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap zijn
overeengekomen:
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden
geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 140.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de bouw van het pand [adres 3] ;
- [medeverdachte 5] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 17-9-2007.
Ondertekend te Helsingborg op 11 december 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 5]
;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 10-9-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3]
- dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze
inzameling te organiseren;
- dat hij 141.000,-- heeft ingezameld;
- dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de aankoop van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 10 september 2007 door [getuige 3] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 3-12-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3]
- dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze
inzameling te organiseren;
- dat hij 140.000,-- heeft ingezameld;
- dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de bouw van een pand.
Ondertekend te Helsingborg op 3 december 2007 door [getuige 3] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 3-10-2005, inhoudende een overeenkomst tussen ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 3]
en [medeverdachte 7] , waarbij wordt overeengekomen:
- dat [vereniging 3] 25.000,-- heeft ingezameld en aan [medeverdachte 7]
renteloos uitleent;
- dat de lening gebruikt zal worden ter aflossing van een hypotheek op het vastgoed [adres 4] ; en
- dat hiermee [medeverdachte 7] in totaal 52.000,-- van [vereniging 3] heeft geleend.
Opgesteld en ondertekend te Angered op 3 oktober 2005 door [getuige 1] en
[medeverdachte 7] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 1-6-2007, inhoudende de
verklaring dat de schulden en verplichtingen van [medeverdachte 7] in verband met
het faillissement van [vereniging 3] (in de lente van 2007), aan [vereniging 1]
zijn overgedragen.
Op 1 juni 2007 te Göteborg ondertekend door [getuige 1] en [medeverdachte 7] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een verklaring dat tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] is overeengekomen
- dat [medeverdachte 7] de verplichtingen betreffende het pand aan de [adres 10] overdraagt aan [medeverdachte 6] ;
- en dat ondergetekende, [getuige 1] , verklaart dat [medeverdachte 7] aan haar verplichtingen betreffende het pand heeft voldaan, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4-4-2005.
Op 14 april 2009 te Angered ondertekend door [getuige 1] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een overeenkomst tussen [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3]
en [medeverdachte 6] waarbij wordt overeengekomen:
- dat [medeverdachte 6] de schulden van [medeverdachte 7] aan [vereniging 1]
overneemt in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] die zij middels een renteloze lening heeft gekocht;
- dat [medeverdachte 6] verplicht is het vastgoed [adres 4] te beheren, onderhouden en verzorgen;
- bij verkoop en geen aankoop van een nieuw vastgoed [medeverdachte 6] verplicht is alle inkomsten van de verkoop van het vastgoed over te maken aan de [vereniging 1] . Getekend op 14 april 2009 te Angered door [getuige 1] en [medeverdachte 6] ;
- een geschrift in de Zweedse taal gedateerd op 3-10-2005, inhoudende:
- dat [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 4] een overeenkomst hebben gesloten;
- dat in verband met de schadevergoeding door [bedrijf 1] betreffende de woning aan de [adres 11] , [vereniging 3] over 200.000,-- beschikt;
- [vereniging 3] aan [medeverdachte 4] een renteloze lening toekent van 125.000,--, waarvan 95.000,-- voor de aankoop van de woning aan de [adres 5] en 30.000,-- voor een aanbouw aan die woning;
- dat [medeverdachte 4] verplicht is om Roma, die huisvesting nodig hebben, huisvesting te verlenen in de betreffende woning; en
- verplicht is bij verkoop van de woning en geen andere aankoop plaatsvindt van een nieuw pand, de gehele opbrengst van de verkoop over te dragen aan [vereniging 3] . Overeenkomst opgemaakt en ondertekend te Angered op 3-10-2005 door [getuige 1] en [medeverdachte 4] ;
- een geschrift in de Zweedse taal, gedateerd 12-11-2003, inhoudende:
- dat [medeverdachte 8] , de Roma gemeenschap en [vereniging 4] partijen zijn die zijn overeengekomen:
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen dat de opbrengst van de verkoop van [adres 12] ter waarde van 413.280 een renteloze lening moet zijn aan [medeverdachte 8] ;
- dat de lening betreft de aankoop van pand aan de [adres 6] ;
- dat het pand zal worden beheerd en onderhouden door [vereniging 4] ;
- dat [medeverdachte 8] verplicht is Roma die behoefte aan een woning hebben, toe te laten in het pand te wonen;
- dat [medeverdachte 8] verplicht is bij verkoop van het pand zonder andere aankoop de opbrengst over te laten aan [vereniging 4] .
Ondertekening te Helsingborg op 12 november 2003 door [getuige 2] en [medeverdachte 8]
;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 7-8-2007, inhoudende dat
[vereniging 2] , [medeverdachte 8] en de Roma gemeenschap zijn
overeengekomen:
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden
zijn overeengekomen geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen van 65.000,-- aan [medeverdachte 8] ;
- de lening betreft de aanbouw van het pand [adres 6] ;
- [medeverdachte 8] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 12 november 2003.
Ondertekening te Helsingborg op 7 augustus 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 8]
;
zulks (telkens) met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
en/of
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of
opzettelijk voorhanden heeft gehad een of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware dit/deze geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, te weten (onder meer) de/het navolgende (telkens) in strijd met de waarheid opgemaakte geschrift(en):
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 6-11-2008, inhoudende een overeenkomst tussen de ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 4] inzake
- de vaststelling dat Rijkswaterstaat de woning aan de [adres 9] heeft gekocht en [vereniging 1] beschikt over 1.400.000,--;
- aan [medeverdachte 4] een lening verschaft van 950.000,--om de woning aan de [adres 2] te kopen;
- dat [medeverdachte 4] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben;
- de toestemming aan [medeverdachte 4] bij verkoop een andere woning te kopen; en
- indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben verstrekt.
Uitgevaardigd en ondertekend te Angered op 6 november 2008 door [getuige 1]
en [medeverdachte 4] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-5-2010, inhoudende dat ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 1] en [medeverdachte 3]
zijn overeengekomen:
- dat [vereniging 1] de woning aan de [adres 2] ter
beschikking stelt aan [medeverdachte 3] in de vorm van een renteloze lening;
- dat daarmee [medeverdachte 3] alle schulden van [medeverdachte 4] overneemt;
- dat [medeverdachte 3] zich verplicht huisvesting te verschaffen aan Roma die daar behoefte aan hebben (in het bijzonder zijn zieke moeder);
- de toestemming aan [medeverdachte 3] bij verkoop een andere woning te kopen; en
- indien geen andere woning wordt gekocht de verplichting de opbrengst over te dragen aan [vereniging 1] , die op haar beurt degene betaalt die de lening oorspronkelijk hebben uitgeleend.
Ondertekend te Angered op 14 mei 2010 door [getuige 1] en [medeverdachte 3] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 17-9-2007, inhoudende dat tussen [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap is overeengekomen
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden
geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 141.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de aankoop van het pand [adres 3] ;
- [medeverdachte 5] verplic
ht is om Roma die huisvesting nodig hebben toe te staan te gaan wonen in het pand;
- bij verkoop van het pand en geen nieuw pand wordt aangekocht, de opbrengst over te dragen aan [vereniging 2] .
Ondertekend te Helsingborg op 17 september 2007 door [getuige 2] en
[medeverdachte 5] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 11-12-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 5] en de Roma gemeenschap zijn
overeengekomen:
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden
geld inzamelen en een renteloze lening toekennen van 140.000,-- aan [medeverdachte 5] voor de bouw van het pand [adres 3] ;
- [medeverdachte 5] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 17-9-2007.
Ondertekend te Helsingborg op 11 december 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 5]
;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 10-9-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3]
- dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze
inzameling te organiseren;
- dat hij 141.000,-- heeft ingezameld;
- dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de aankoop van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 10 september 2007 door [getuige 3] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd op 3-12-2007, inhoudende een verklaring van [getuige 3]
- dat hij gevraagd was door de Roma gemeenschap om geld in te zamelen en deze
inzameling te organiseren;
- dat hij 140.000,-- heeft ingezameld;
- dat [medeverdachte 5] deze inzameling dient te gebruiken voor de bouw van een pand. Ondertekend te Helsingborg op 3 december 2007 door [getuige 3] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 3-10-2005, inhoudende een overeenkomst tussen ondergetekenden [getuige 1] namens [vereniging 3]
en [medeverdachte 7] , waarbij wordt overeengekomen:
- dat [vereniging 3] 25.000,-- heeft ingezameld en aan [medeverdachte 7]
renteloos uitleent;
- dat de lening gebruikt zal worden ter aflossing van een hypotheek op het vastgoed [adres 4] ; en
- dat hiermee [medeverdachte 7] in totaal 52.000,-- van [vereniging 3] heeft geleend.
Opgesteld en ondertekend te Angered op 3 oktober 2005 door [getuige 1] en
[medeverdachte 7] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 1-6-2007, inhoudende de
verklaring dat de schulden en verplichtingen van [medeverdachte 7] in verband met het faillissement van [vereniging 3] (in de lente van 2007), aan [vereniging 1] zijn overgedragen.
Op 1 juni 2007 te Göteborg ondertekend door [getuige 1] en [medeverdachte 7] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een verklaring dat tussen [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] is overeengekomen
- dat [medeverdachte 7] de verplichtingen betreffende het pand aan de [adres 10] overdraagt aan [medeverdachte 6] ;
- en dat ondergetekende, [getuige 1] , verklaart dat [medeverdachte 7] aan haar verplichtingen betreffende het pand heeft voldaan, onder verwijzing naar de overeenkomst van 4-4-2005.
Op 14 april 2009 te Angered ondertekend door [getuige 1] ;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende een overeenkomst tussen [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 6] waarbij wordt overeengekomen:
- dat [medeverdachte 6] de schulden van [medeverdachte 7] aan [vereniging 1]
overneemt in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] die zij middels een renteloze lening heeft gekocht;
- dat [medeverdachte 6] verplicht is het vastgoed [adres 4] te beheren, onderhouden en verzorgen;
- bij verkoop en geen aankoop van een nieuw vastgoed [medeverdachte 6] verplicht is alle inkomsten van de verkoop van het vastgoed over te maken aan de [vereniging 1] . Getekend op 14 april 2009 te Angered door [getuige 1] en [medeverdachte 6] ;
- een geschrift in de Zweedse taal gedateerd op 3-10-2005, inhoudende:
- dat [getuige 1] als voorzitter van [vereniging 3] en [medeverdachte 4] een overeenkomst hebben gesloten;
- dat in verband met de schadevergoeding door [bedrijf 1] betreffende de woning aan de [adres 11] , [vereniging 3] over 200.000,-- beschikt;
- [vereniging 3] aan [medeverdachte 4] een renteloze lening toekent van 125.000,--, waarvan 95.000,-- voor de aankoop van de woning aan de [adres 5] en 30.000,-- voor een aanbouw aan die woning;
- dat [medeverdachte 4] verplicht is om Roma, die huisvesting nodig hebben, huisvesting te verlenen in de betreffende woning; en
- verplicht is bij verkoop van de woning en geen andere aankoop plaatsvindt van een nieuw pand, de gehele opbrengst van de verkoop over te dragen aan [vereniging 3] . Overeenkomst opgemaakt en ondertekend te Angered op 3-10-2005 door [getuige 1] en [medeverdachte 4] ;
- een geschrift in de Zweedse taal, gedateerd 12-11-2003, inhoudende:
- dat [medeverdachte 8] , de Roma gemeenschap en [vereniging 4] partijen zijn die zijn overeengekomen:
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden zijn overeengekomen dat de opbrengst van de verkoop van [adres 12] ter waarde van 413.280 een renteloze lening moet zijn aan [medeverdachte 8] ;
- dat de lening betreft de aankoop van pand aan de [adres 6] ;
- dat het pand zal worden beheerd en onderhouden door [vereniging 4] ;
- dat [medeverdachte 8] verplicht is Roma die behoefte aan een woning hebben, toe te laten in het pand te wonen;
- dat [medeverdachte 8] verplicht is bij verkoop van het pand zonder andere aankoop de opbrengst over te laten aan [vereniging 4] .
Ondertekening te Helsingborg op 12 november 2003 door [getuige 2] en [medeverdachte 8]
;
- een geschrift opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 7-8-2007, inhoudende dat [vereniging 2] , [medeverdachte 8] en de Roma gemeenschap zijn
overeengekomen:
- dat [vereniging 2] en de Roma gemeenschap na samenkomst met de Roma in Zweden
zijn overeengekomen geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen van 65.000,-- aan [medeverdachte 8] ;
- de lening betreft de aanbouw van het pand [adres 6] ;
- [medeverdachte 8] verplicht is om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 12 november 2003.
Ondertekening te Helsingborg op 7 augustus 2007 door [getuige 2] en [medeverdachte 8]
;
bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die/dat geschrift(en) (telkens) heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de belastingdienst.
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans
redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) bestemd was/waren
voor zodanig gebruik;
art 225 lid 1 en/of 2 Wetboek van Strafrecht
art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht
4. De rechtspersoon [stichting 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben de [stichting 1] en/of haar mededader(s) in strijd met de waarheid navolgend geschrift
opgemaakt en/of doen opmaken:
- een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over:
- het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
- dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ;
- dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en
- bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan.
Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2]
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden
gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen feitelijke leiding heeft gegeven.
en/of
De rechtspersoon [stichting 1] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk voorhanden heeft gehad een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware dit geschrift (echt en onvervalst,
te weten het navolgende in strijd met de waarheid opgemaakte geschrift:
- een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over:
- het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
- dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ;
- dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en
- bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan.
Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte]
, [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2]
bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat de [stichting 1] en/of haar mededader(s) dat geschrift heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de belastingdienst. terwijl de [stichting 1] en/of haar mededader(s) wist(en),
althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik, tot welk feit hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging hij, verdachte, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen feitelijke leiding heeft gegeven;
art 225 lid 1 en/of lid 2 Wetboek van Strafrecht
art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) in strijd met de waarheid navolgend geschrift opgemaakt en/of doen opmaken:
- een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over:
- het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
- dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ;
- dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en
- bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan.
Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken;
en/of
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 03 april 2012, in de gemeente Rosmalen en/of de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk
voorhanden heeft gehad een vals of vervalst geschrift dat bestemd was om te dienen tot bewijs van enig feit, als ware dit geschrift (echt en onvervalst, te weten het navolgende in strijd met de waarheid opgemaakte geschrift:
- een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over:
- het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
- dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ;
- dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en
- bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan.
Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte]
, [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
bestaande dat gebruik maken hierin (onder meer) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) dat geschrift heeft/hebben verstrekt of doen toekomen aan de belastingdienst.
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat geschrift bestemd was voor zodanig gebruik;
art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht
5. hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2002 tot en met 31 maart 2012, in de gemeente 's-Hertogenbosch, althans in Nederland in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de verplichting ingevolge artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand om aan het college
van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch op verzoek en/of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten de hem, verdachte, verstrekte uitkering (bijstand) op grond van de Algemene
Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, op de hem verstrekte rechtmatigheids- en/of rechtmatigheidonderzoekformulieren Abw en/of
rechtmatigheidonderzoekformulieren WWB en/of formulieren Langdurigheidstoeslag en/of enig ander door of namens (een uitvoeringsorgaan van) voormeld college en/of de gemeente ’s-Hertogenbosch verstrekt formulier en/of anderszins onverwijld uit eigen beweging aan (een uitvoeringsorgaan van) voormeld college en/of de gemeente ’s-Hertogenbosch geen gegevens verstrekt omtrent het (al dan niet tezamen en in vereniging met de [stichting 1] en/of een of meer anderen) in bezit hebben van onroerend goed (waaronder de woningen [adres 1] en/of [adres 13] ) en/of het aankopen en/of financieren van onroerend goed (te weten de woning [adres 6] ) ten behoeve van [medeverdachte 8] , en/of het ontvangen van stortingen op rekening en/of uitkeringen uit (een) erfenis(sen) en/of (een) schadeuitkering(en) en/of het ontvangen en/of bezitten van andere vermogensbestanddelen;
art 227b Wetboek van Strafrecht
art 227b Wetboek van Strafrecht
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De formele voorvragen.
Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.
In het vervolg zullen de verdachte natuurlijke personen worden aangeduid met hun voornamen; de verdachte rechtspersoon, de [stichting 1] , zal aangeduid worden met de Stichting
De ontvankelijkheid van het OM.
1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.
2. Het standpunt van de verdediging
Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven, gronden aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Voor zover raadslieden een dergelijk verweer c.q. de daartoe aangevoerde gronden niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen hebben zij zich aangesloten bij hetgeen namens de medeverdachten ter zake is aangevoerd. De rechtbank beschouwt dit verweer en de daartoe aangevoerde gronden derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit de betreffende grond zelf blijkt dat deze uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin de grond is aangevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij bepaalde gronden in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten: er is doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten tekort gedaan aan hun recht op een eerlijk proces respectievelijk is er sprake van vormverzuimen die het wettelijke systeem waarop de strafrechtspleging is gestoeld in de kern hebben geraakt. De normschending heeft betrekking op verschillende aspecten, te weten:
2.1 Start van het onderzoek; startmoment, gegevensuitwisseling en verbaliseringsplicht
Onduidelijk is door wie, wanneer en op basis van welke informatie het onderzoek tegen de familie [achternaam] is aangevangen. Er hebben c.q. heeft al geruime tijd voor de formele start van het onderzoek in juni 2011 onderzoekshandelingen respectievelijk inzet van bob-middelen plaatsgevonden gericht op individuele leden van de familie [achternaam] zonder dat daar een rechtmatig onderbouwde verdenking aan ten grondslag lag. Er is in de fase voorafgaand aan de formele start van het onderzoek voorts sprake geweest van gegevensuitwisseling tussen de belastingdienst, de gemeente en de politie zonder dat daar een deugdelijke juridische basis aan ten grondslag heeft gelegen. Door de verdediging heeft geen controle plaats kunnen vinden op deze voorfase omdat de betrokken functionarissen van hun onderzoekshandelingen in deze voorfase geen proces-verbaal hebben opgemaakt en de rechtbank heeft geweigerd om het openbaar ministerie op te dragen het in deze voorfase aangelegde dossier “Fret” aan het strafdossier toe te voegen, ondanks het feit dat dit dossier van belang is voor de ingevolge de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden vragen. Onduidelijk is gebleven op welk moment en op welke basis een verdenking ex artikel 27 Sv is ontstaan. De vorderingen ex artikel 126nd Sv hebben louter gediend om de eerder van de belastingdienst - onrechtmatig - verkregen gegevens ‘wit te wassen’. Met name de forse en doelbewuste schending van de verbaliseringsplicht heeft het wettelijke systeem in de kern aangetast.
2.2 Schending nemo teneturbeginsel/fiscale geheimhoudingsplicht
Voorts is sprake van schending van het beginsel dat een verdachte niet verplicht is mee te werken aan zijn eigen veroordeling (nemo tenetur prodere se ipsum) doordat gebruik is gemaakt van gegevens die van de belastingdienst zijn verkregen en tot verstrekking waarvan verdachten op grond van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) gehouden waren. Deze door hen aan de belastingdienst verstrekte gegevens hebben te gelden als wilsafhankelijk materiaal, waarbij de inspecteur bovendien heeft verzuimd om verdachten de cautie te geven alvorens hen aan te sporen om nog meer gegevens te verstrekken.
Voor zover de belastingdienst gegevens aan politie en justitie heeft verstrekt zonder dat daar een vordering op grond van artikel 126nd Sv aan ten grondslag lag, heeft de belastingdienst gehandeld in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting ex artikel 67 AWR. Datzelfde geldt voor zover de belastingdienst op vordering van de officier van justitie gegevens heeft verstrekt, die ook betrekking hadden op andere leden van de familie [achternaam] die ten tijde van de vordering (nog) niet de status van verdachte hadden. Omdat het openbaar ministerie willens en wetens van deze schending van de geheimhoudingsplicht heeft geprofiteerd dienen de aldus verkregen gegevens van het bewijs te worden uitgesloten.
De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a Sv is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk - niet voor herstel vatbaar - vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, dan zal de rechter moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in lid 2 van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Daarbij moet worden aangetekend dat geen sprake is van een voor de toepassing van artikel 359a Sv in aanmerking te nemen nadeel indien de verdachte niet getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Verder is van belang vast te stellen dat schending van vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet in alle gevallen tot voordeel van verdachte moet leiden; de rechter kan volstaan met de feitelijke constatering dat vormvoorschriften zijn verzuimd. Indien de rechter meent dat daarmee echter niet kan worden volstaan, dan heeft hij de mogelijkheid om aan het vormverzuim een van de drie in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden: strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Het belang van verdachte dat het strafbare feit niet wordt ontdekt vormt rechtens geen beschermenswaardig belang, zodat de overtreding van een vormvoorschrift dat verdachte in dat belang raakt in beginsel zonder gevolg zal kunnen blijven.
Ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie verdient het navolgende aantekening. Niet-ontvankelijk verklaring komt, als een aan schending van een vormvoorschrift in het voorbereidend onderzoek te verbinden rechtsgevolg, in slechts zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde. Dit kan aan de orde zijn in geval sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien - ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden - sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het Openbaar Ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.
3.2 De rechtbank zal thans overgaan tot een beoordeling van de afzonderlijke gronden/aspecten, zoals hierboven weergegeven.
3.2.1 Ten aanzien van de start van het onderzoek
3.2.1.1 Algemeen
Uit het dossier komt naar voren dat zes meldingen van de [bank 1] inzake contante stortingen van (in totaal) ruim € 360.000,- in een tijdspanne van twee maanden (24 april 2009 tot en met 25 juni 2009) op de rekening van de Stichting de aanleiding hebben gevormd voor nader onderzoek. Deze meldingen zijn via het meldingssysteem ‘Intranet Verdachte Transacties’ (IVT) van de KLPD ter kennis gekomen van de regiopolitie Brabant Noord. [verbalisant 1] van de regiopolitie Brabant Noord, die in het kader van projectvoorbereiding in 2009 als financieel expert C periodiek het intranet diende te controleren en verdachte transacties diende te veredelen middels onderzoek in openbare bronnen en politiesystemen, heeft daarop het kadaster, de Kamer van Koophandel, het GBA, politiesystemen, het RDW en de Justitiele Documentatie geraadpleegd. Daaruit kwam naar voren dat de Stichting eigenaar was van het pand aan de [adres 13] (zonder hypotheek) en van het pand aan de [adres 1] (met een in verhouding tot de door haar betaalde koopsom slechts beperkte hypotheek). Verder bleek dat [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] bestuurders waren van de Stichting en dat een aantal personen dat stond ingeschreven op de [adres 1] (zijnde het GBA-adres van [verdachte] en [medeverdachte 2] ) en op de [adres 14] (zijnde het GBA-adres van [medeverdachte 10] ) in politiesystemen veelvuldig voorkwam ter zake vermogensdelicten. [verbalisant 1] heeft daarop de Financial Intelligence Unit (FIU) van de KLPD gevraagd om een proces-verbaal bevindingen op te maken van de bij hen voorhanden informatie om te kunnen beoordelen of sprake was van verdenking van een strafbaar feit. Uit het hierop volgende proces-verbaal van de FIU van 20 oktober 2009 volgt onder meer dat sprake is geweest van 48 stortingen die hebben geleid tot eerdergenoemd bedrag van ruim € 360.000,- en dat deze stortingen met de bankpas van [verdachte] zijn gedaan. Ook volgt uit dit proces-verbaal dat in die periode twee girale overboekingen van (in totaal) € 81.000,- van de rekening van de Stichting naar [notaris 2] hadden plaatsgevonden. Gezien de aard en omvang van de transacties, achtte de FIU de verdenking van witwassen jegens [verdachte] gerechtvaardigd, waarna onder meer de FIOD/ECD door de FIU werd geraadpleegd. Hieruit volgde dat [verdachte] over de jaren 2005 tot en met 2008 totaal een netto inkomen had van € 46.162,- (het hoogste netto jaarinkomen genoot hij in 2007, te weten € 12.093,-).
Uit raadpleging van open bronnen en politiesystemen inzake de Stichting en haar bestuurders [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] door de regiopolitie Brabant Noord is verder gebleken dat op 8 december 2010 een onderzoek van de belastingdienst heeft plaats gevonden, waarbij in de woning aan de [adres 2] wapens zijn aangetroffen. [medeverdachte 3] heeft in zijn verhoor ter zake bij de politie aangegeven dat de woning is gekocht door een organisatie uit Zweden en op zijn naam staat. Voorts is in een MMA-melding d.d. 15 december 2010 (kort samengevat) vermeld dat [persoon 1] uit Zweden voor de familie [achternaam] geld, afkomstig van winkeldiefstal, inbraken en pinpasfraude witwast. Uit raadpleging van intranet en Facebook bleek dat [getuige 2] voorzitter was van [vereniging 4] en [vereniging 2] .
Vervolgens heeft de regiopolitie Brabant Noord in verband met een gebrek aan opsporings-capaciteit in de regio het Bovenregionaal Recherche Overleg (hierna: het BRO) verzocht een strafrechtelijk onderzoek op te starten. Op 12 mei 2011 heeft het BRO naar aanleiding van een projectvoorstel het besluit ter zake genomen, waarna op 1 juli 2011 onder leiding van de officier van justitie een onderzoek is gestart.
Op 19 juli 2011 heeft de CIE aan de regiopolitie als betrouwbaar aangemerkte informatie verstrekt inhoudende dat, kort samengevat, [verdachte] de organisator is van dagelijkse strooptochten (diefstallen en/of insluipingen vanuit winkels of woningen) waar onder andere zijn kinderen aan deelnemen, dat hij met deze praktijken tussen de € 15.000,- en € 20.000,- euro per week verdient en dat hij veel zwart geld in huis heeft liggen.
Vervolgens zijn per verdachte zogenaamde processen-verbaal van verdenking opgemaakt.
Dienaangaande wordt het volgende opgemerkt.
Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 3] d.d. 26 juli 2011
De verdenking jegens [medeverdachte 3] is onder meer gebaseerd op voornoemde verklaring van 8 december 2010, inhoudende dat het pand aan de [adres 2] op zijn naam staat terwijl hij geen werk of uitkering heeft - volgens [medeverdachte 3] zou de woning zijn gekocht door een organisatie uit Zweden -, zijn verklaring van 12 mei 2010, afgelegd in het kader van een verdenking ter zake winkeldiefstal, dat zijn vader [medeverdachte 4] is, en de naar aanleiding van deze verklaringen ingewonnen informatie bij het kadaster dat de koopsom € 880.000,- bedroeg en het pand op 26 mei 2010 door verkoper [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 3] - dan net 18 jaar - is geleverd.
De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 3] rechtvaardigt.
Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 4] d.d. 26 juli 2011
De verdenking jegens [medeverdachte 4] is met name gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking jegens [medeverdachte 3] en eerdergenoemde MMA-melding van 15 december 2010, waarbij door verbalisanten is gewezen op de verkoop binnen de familierechtelijke relatie en is opgemerkt dat [medeverdachte 4] wist of kon weten dat [medeverdachte 3] geen werk of andere legale bron van inkomsten had.
De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 4] rechtvaardigt.
Uit het BOB-dossier betreffende [medeverdachte 4] volgt dat ter zake die verdenking vervolgens diverse vorderingen ex artikel 126nd Sv zijn gedaan en dat daarbij ook informatie met betrekking tot [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] is opgevraagd. De rechtbank stelt vast dat deze personen destijds woonachtig waren op het adres van [medeverdachte 4] , te weten de [adres 14] en/of nadien de [adres 7] . Gelet daarop acht de rechtbank het opvragen van die informatie gerechtvaardigd.
Ad proces-verbaal verdenking inzake de Stichting, [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] d.d. 15 augustus 2011
Uit het betreffende proces-verbaal volgt dat de verdenking met name is gebaseerd op genoemde meldingen van de [bank 1] , het proces-verbaal van de FIU d.d. 20 oktober 2009, informatie uit GBA en kadaster, de MMA-melding van 15 december 2010 en de CIE-informatie d.d. 19 juli 2011. De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens genoemde (rechts-) personen rechtvaardigt.
Uit het BOB-dossier blijkt dat ter zake die verdenking vervolgens diverse vorderingen ex artikel 126nd Sv zijn gedaan en dat daarbij ook informatie met betrekking tot [medeverdachte 8] is opgevraagd. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 8] destijds woonachtig was op het adres van bestuurslid [medeverdachte 1] , te weten de [adres 6] . Gelet daarop acht de rechtbank het opvragen van die informatie gerechtvaardigd.
Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 8] d.d.
3.1 Geen bewijsuitsluiting
De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen zij hiervoor, in het kader van de beoordeling van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft overwogen. Meer in het bijzonder geldt daarbij voor het rechtsgevolg bewijsuitsluiting het volgende.
Bewijsuitsluiting – als sanctie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek - is uitsluitend aan de orde indien en voor zover het geconstateerde vormverzuim niet reeds de betrouwbaarheid van de bewijsgaring heeft aangetast. Het is aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het dient verkregen te zijn als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan. Het kan aan de orde zijn ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen dan wel in gevallen waarbij uit objectieve gegevens valt af te leiden dat het desbetreffende vormverzuim structureel en bij herhaling voorkomt, de betrokken autoriteiten daarmee bekend zijn maar sedertdien onvoldoende hebben ondernomen om overtredingen van het betreffende voorschrift in de toekomst te voorkomen.
Gelet hierop en in aanmerking nemende hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de afzonderlijk aangevoerde gronden/aspecten heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van vormverzuimen dan wel dat kan worden volstaan met de constatering daarvan, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting. De rechtbank ziet in dat licht evenmin grond voor heropening van het onderzoek met het oog op nader onderzoek op dit punt.
3.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat het onderzoek in de onderhavige zaak geen direct bewijs heeft opgeleverd van het uit enig misdrijf afkomstig zijn van het geld. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de hierna te noemen feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Kort samengevat betreft dit:
- het door tien verdachten, behorende tot één en dezelfde familie, en een Stichting, bestuurd door drie leden van die familie, aanschaffen van een groot aantal panden
- vanaf 1984 zeventien stuks - terwijl niemand van de familie een betaalde baan heeft;
- de door een aantal van de familieleden genoten uitkering welke niet in verhouding staat tot het benodigde vermogen voor de aankoop van die panden;
- het grote aantal panden dat (grotendeels) contant is betaald;
- dat sprake is van geen dan wel een relatief beperkte hypothecaire lening en
- dat de contante betalingen telkens onder de grens van € 10.000,- liggen.
De rechtbank betrekt daarbij ook dat blijkens het rapport kasopstelling er een verschil van (afgerond) € 2.002.168,- is geconstateerd tussen de contante uitgaven en de legale contante inkomsten van de familie over de periode van 1 januari 2005 tot 3 april 2012. Geconfronteerd met dit verschil hebben alle verdachten zich op hun zwijgrecht beroepen. Dat in de kasopstelling sprake zou zijn van apert onjuiste taxaties en dat uitgegaan zou zijn van te hoge verbouwingskosten, onder meer omdat de werkzaamheden door de familie zelf zouden zijn uitgevoerd en materialen tweedehands zouden zijn gekocht, zoals door de verdediging is aangevoerd, betreffen slechts niet nader onderbouwde stellingen, die reeds om die reden terzijde dienen te worden geschoven.
Nu sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen mag van de verdachten worden verlangd dat zij een verklaring geven voor de herkomst van het geld. De verdachten hebben in casu verklaard dat het geld afkomstig is van renteloze leningen van Zweedse Roma-organisaties en de [vereniging 5] , waartoe inzamelingsacties zijn gehouden. In dat kader zijn kwitanties en verklaringen/overeenkomsten voorhanden. Aldus hebben zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst benoemd, zij het dat niet alle verdachten even uitgebreid hebben verklaard en er met name over de invulling van de ten behoeve van die leningen gehouden inzamelingsacties onder de Roma weinig concreet is verklaard.
Gelet op de verklaringen van de verdachten diende het openbaar ministerie nader onderzoek te verrichten naar genoemde leningen, nu die herkomst een alternatief zou kunnen zijn. Dit nader onderzoek is ook verricht: zo zijn een groot aantal getuigen gehoord in Nederland en Zweden en is nader onderzoek verricht naar de overeenkomsten. Dat dit onderzoek mede is verricht op verzoek van de verdediging is daarbij niet relevant .
De rechtbank is op grond van de resultaten van dat onderzoek, in samenhang beschouwd met de rest van het dossier, van oordeel dat voor wat betreft het pand aan de [adres 7] (op naam van [medeverdachte 9] ) en de aankoop van het pand aan de [adres 6] (op naam van [medeverdachte 8] ) niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. Ten aanzien van de verbouwing van het pand aan de [adres 6] en de overige in de tenlastelegging genoemde panden kan die conclusie naar het oordeel van de rechtbank wel worden getrokken.
De rechtbank zal thans overgaan tot een bespreking van de afzonderlijke panden. Daarbij zal tevens worden ingegaan op de op het betreffende pand betrekking hebbende overeenkomsten en verklaringen, voor zover deze als vals dan wel als valselijk opgemaakt zijn tenlastegelegd. De rechtbank zal per pand c.q. overeenkomst of verklaring cursief aangeven op welke verdachten het betrekking heeft.
3.3 De afzonderlijke panden en overeenkomsten
3.3.1 [adres 7] (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting)
Door de verdediging wordt gesteld dat dit pand is gefinancierd middels de verkoop van het pand aan de [adres 14] aan Rijkswaterstaat in 2008, waarbij de verkoopopbrengst in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 9] ter beschikking is gesteld.
Het pand aan de [adres 14] zou in 1984 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna het ingezamelde bedrag ad fl. 321.000,- door de [vereniging 5] als renteloze lening aan koper [medeverdachte 11] ter beschikking is gesteld.
De bronfinanciering van de [adres 7] is derhalve gelegen in de inzameling ten behoeve van de [adres 14] .
De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 14] op 13 november 1984 door [medeverdachte 11] is gekocht voor een bedrag van fl. 300.000,-. Op 27 november 1995 respectievelijk 29 januari 2007 zijn aan [medeverdachte 9] bouwvergunningen verleend voor de bouw van een garage respectievelijk aanbouw bij dit pand. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 3 oktober 2008 gekocht van de erven van [medeverdachte 11] voor een bedrag van € 1.689.600,-.
Het pand aan de [adres 7] is op 27 april 2010 door [medeverdachte 9] gekocht voor een bedrag van € 640.000,- en op 16 juni 2010 aan hem geleverd.
De rechtbank is van oordeel dat in het nadere onderzoek onvoldoende is ingegaan op de gestelde bronfinanciering, te weten de aankoop van de [adres 14] in 1984. Gelet hierop is de rechtbank niet in staat om met voldoende mate van zekerheid uit te sluiten dat de gelden een legale herkomst hebben en aan te nemen dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden geldt. Het enkele feit dat mogelijk sprake is van een (overigens niet ten laste gelegde) valselijk opgemaakte depotakte d.d. 21 oktober 2010, notariële schuldbekentenis d.d. 24 oktober 2008 en leenovereenkomst d.d. [adres 15] oktober 2010 leidt niet reeds tot het oordeel dat voldaan is aan voornoemd criterium.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gedurende een aanzienlijke periode medeplegen van gewoontewitwassen, het feitelijk leiding geven daaraan alsook het medeplegen en feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift. Daarnaast heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude gedurende een groot aantal jaren.
Door zijn gedragingen heeft verdachte bijgedragen aan het verhullen en daarmee aan het zicht onttrekken van de opsporingsautoriteiten van verdiensten uit criminele activiteiten. Dit opsporingsbelang is tevens een breed gedragen maatschappelijk belang en raakt daarmee de samenleving als zodanig. Dit verhullen vindt plaats op zodanige wijze dat daar een corrumperende en mede daardoor maatschappij-ontwrichtende werking van uit gaat die er voor zorgt dat de vastgoedsector, waarbinnen de verboden gedragingen zich hebben afgespeeld, in een kwalijk daglicht komt te staan. Vanwege het feit dat verdachte voor zijn witwaspraktijken aangewezen is op de diensten van derden, zoals notarissen, accountants, banken en adviseurs, hebben de verboden gedragingen tevens een corrumperende, ontwrichtende invloed op de sectoren waarin dergelijke dienstverleners werkzaam zijn. Deze corrumperende invloed van verdachtes handelen komt ten slotte tot uiting in het geschonden vertrouwen dat in het handelsverkeer c.q. de samenleving moet kunnen worden gesteld in de juistheid en volledigheid van contracten en verklaringen die de strekking hebben om tot bewijs van enig feit te dienen. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten niet alleen gehandeld maar dit gedaan met een of meer mededaders, hetgeen zijn gedragingen in zekere zin een georganiseerd karakter geven. Verdachte vervulde bij dit alles, zo blijkt uit de hiervoor aangehaalde verklaringen van mede-verdachten en getuigen een leidinggevende en bepalende rol.
Verdachte heeft daarnaast gedurende een groot aantal jaren ook nog profijt getrokken van de samenleving door het genieten van een bijstandsuitkering waarop hij, gezien de bewezenverklaringen ter zake het witwassen, geen recht kon doen gelden.
Alles overziend lijkt verdachte uitsluitend en ongeremd gedreven door eigen materieel gewin, zonder zich te bekommeren om de gevolgen van zijn gedragingen voor de samenleving waar hij deel van uitmaakt. Verdachte lijkt zich daarbij niet te realiseren dat de ten laste van hem bewezenverklaarde feiten bijdragen aan de instandhouding en versterking van vooroordelen ten aanzien van de etnische groepering waartoe hij zichzelf rekent, van welke vooroordelen verdachte stelt dat hij en zijn familie in het verleden stelselmatig het slachtoffer te zijn geweest.
Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat dat verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking is gekomen.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank ziet geen aanleiding rekening te houden met de – vooralsnog louter in speculatieve zin geponeerde – detentieongeschiktheid van verdachte. De omstandigheid dat verdachte in het verleden te kampen heeft (gehad) met een tumor brengt nog niet mee dat verdachte als detentieongeschikt moet worden aangemerkt. De rechtbank tekent daarbij aan dat het gevangeniswezen is toegerust om rekening te houden met eventuele beperkingen zoals beschreven in de medische verklaring van verdachtes huisarts.
Nu de rechtbank in de betreffende zaken van de medeverdachten niet over zal gaan tot verbeurdverklaring hoeft reeds om die reden geen acht te worden geslagen op eventuele gevolgen hiervan voor verdachte.
Beslag.
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte, behoudens voor zover op die voorwerpen conservatoir beslag rust, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen.
Toepasselijke wetsartikelen.
29 februari 2012
De verdenking jegens [medeverdachte 8] is met name gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting, meer in het bijzonder de daarin genoemde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] en de CIE-infomatie d.d. 19 juli 2011, en de uit eerdergenoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van (onder andere) de belastingdienst en de gemeente waaruit onder meer het volgende bleek:
- dat aan [medeverdachte 8] het pand aan de [adres 6] op 16 december 2003 is geleverd en dat de koopsom € 470.000,- bedroeg;
- dat aan [medeverdachte 8] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van dit pand renteloze leningen waren verstrekt door Zweedse Roma-organisaties, waarvan [getuige 2] de voorzitter was en
- dat van [medeverdachte 8] over de periode 2005 tot en met 2009 geen inkomsten bekend zijn.
De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 8] rechtvaardigt.
Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 5] d.d. 1 maart 2012
De verdenking jegens [medeverdachte 5] is met name gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting en haar bestuursleden, meer in het bijzonder de daarin genoemde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] , en de uit eerdergenoemde 126nd-vordering verkregen informatie van de belastingdienst en gemeente, waaruit onder meer het volgende naar voren komt:
- dat van [medeverdachte 5] over de jaren 2005-2009 geen inkomsten bekend zijn;
- dat aan [medeverdachte 5] op 30 november 2007 het pand aan de [adres 3] (met een koopsom van € 285.000,- en een hypothecaire geldlening van € 186.000,-) is geleverd, welk pand in 2008 zou zijn verbouwd, waarbij blijkens de aanvraag bouwvergunning de bouwkosten zijn geschat op € 228.855,-;
- dat aan [medeverdachte 5] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van dit pand renteloze leningen waren verstrekt door een Zweedse Roma-organisatie, waarvan [getuige 2] de voorzitter was en
- dat de bankrekening van [medeverdachte 5] vanaf 2008 periodiek werd gevoed middels contante stortingen van onbekende herkomst, waarmee aflossingen op de hypothecaire geldlening, Essent en de bancaire kosten werden betaald.
De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang bezien, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 5] rechtvaardigt.
Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] d.d. 8 maart 2012
De verdenking jegens [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] is onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake [medeverdachte 4] , meer in het bijzonder de daarin vermelde MMA-melding van 15 december 2010, en op de middels voornoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van de belastingdienst en de gemeente over [medeverdachte 6] , waaruit onder meer het volgende bleek:
- dat van [medeverdachte 6] over de jaren 2005 tot en met 2009 geen inkomensgegevens bekend zijn;
- dat [medeverdachte 6] op 20 april 2009 van zijn zus [medeverdachte 7] het recht van erfpacht betreffende het pand aan de [adres 4] heeft gekocht voor € 70.000,-, van welk pand de WOZ-waarde in twee jaar tijd om onbekende redenen is gestegen naar € 159.000,- (2011);
- dat [medeverdachte 6] in verband met de aankoop van de zaak van [medeverdachte 7] , de schulden van [medeverdachte 7] aan de Zweedse Roma vereniging [vereniging 1] heeft overgenomen en
- dat [medeverdachte 7] diverse antecedenten terzake vermogensdelicten heeft.
De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang gezien, in combinatie ook met de informatie uit de hiervoor vermelde processen-verbaal van verdenking jegens diverse andere leden van de familie, met name voor wat betreft het veelvoud aan Zweedse renteloze leningen ten behoeve van de financiering van alle panden, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] rechtvaardigt.
De rechtbank merkt daarbij nog op dat zij de informatie van de belastingdienst betreffende [medeverdachte 7] bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing laat, nu de betreffende 126nd-vordering op dat moment nog niet was gedaan.
Ad proces-verbaal verdenking inzake [medeverdachte 9] d.d. 1 mei 2012
De verdenking jegens [medeverdachte 9] is onder meer gebaseerd op het proces-verbaal van verdenking inzake de Stichting en haar bestuursleden, meer in het bijzonder de daarin vermelde MMA-melding van 15 december 2010 inzake [persoon 1] , het tijdens de doorzoeking van het pand aan de [adres 7] op 3 april 2012 aangetroffen geldbedrag ad € 5.500,- en de vier Mercedessen op naam van [medeverdachte 9] en de middels voornoemde 126nd-vorderingen verkregen informatie van de belastingdienst, waaruit onder meer het volgende bleek:
- dat van [medeverdachte 9] over de jaren 2005 tot en met 2010 geen inkomsten bekend zijn en hij tot aan de datum van het proces-verbaal geen uitkering ontvangt;
- dat aan [medeverdachte 9] ten behoeve van de aankoop en verbouwing van het pand aan de [adres 7] een renteloze lening is verstrekt door de Zweedse organisatie [vereniging 2] , waarvan [getuige 2] de voorzitter is;
- dat de bankrekening van [medeverdachte 9] vanaf 2005 met grote regelmaat wordt gevoed middels contante stortingen van onbekende herkomst waarmee de aflossingen op de hypothecaire geldlening, Essent en de bancaire kosten worden betaald.
Voorts wordt [medeverdachte 9] door diverse medeverdachten aangemerkt als de ‘boekhouder’ van de familie.
De rechtbank is van oordeel dat deze informatie, in onderling verband en samenhang beschouwd, de verdenking van witwassen jegens [medeverdachte 9] rechtvaardigt.
Uit het vorenoverwogene volgt dat de processen-verbaal van verdenking de toets kunnen doorstaan en dat de daarin gebruikte informatie - met uitzondering van de informatie van de belastingdienst inzake [medeverdachte 7] , welke informatie evenwel door de rechtbank bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing is gelaten - is verkregen middels voorafgaande vorderingen ex artikel 126nd Sv.
3.2.1.2 Gegevensuitwisseling
Dat in de aanloop naar de start van het onderzoek sprake is geweest van (mondelinge) gegevensuitwisseling tussen politie, belastingdienst en gemeente zonder dat daaraan een 126nd-vordering aan ten grondslag heeft gelegen, neemt de rechtbank op grond van het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] en de diverse bij de rechter-commissaris gehoorde getuigen als vaststaand aan. Dat voor deze informatie-uitwisseling een wettelijke basis voorhanden was, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken. Het in het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] genoemde convenant is volgens mededeling van de officier van justitie ter terechtzitting in ieder geval niet als basis gehanteerd omdat de rechtbank Utrecht destijds had geoordeeld dat een convenant niet als basis kon dienen . In zoverre is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een vormverzuim.
Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het daardoor mogelijk veroorzaakte nadeel, overweegt de rechtbank evenwel het volgende.
Vooropgesteld moet worden dat zorgvuldig met persoonsgegevens dient te worden omgegaan; de bescherming van persoonsgegevens en daarmee het recht op privacy vormt een groot goed. Het schenden daarvan, zeker indien, zoals in casu, geen vastlegging plaats vindt van de uitgewisselde informatie, vormt een ernstig verzuim.
Uit de hierboven chronologisch weergegeven processen-verbaal van verdenking volgt evenwel dat die informatie niet is gebruikt bij het construeren van de verdenking. De verdenking jegens [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] is immers gebaseerd op informatie uit openbare bronnen en politiesystemen en naar aanleiding van die - op openbare bronnen en politiesystemen gebaseerde - verdenking zijn vorderingen ex artikel 126nd Sv gedaan, waarbij ook andere personen in beeld kwamen. Zo is in het kader van de verdenking jegens [medeverdachte 4] informatie opgevraagd betreffende de op hetzelfde adres woonachtige [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 9] . Dat geldt ook voor de in het kader van de verdenking jegens de Stichting en haar bestuurders opgevraagde informatie betreffende de op hetzelfde adres als een van de bestuurders woonachtige [medeverdachte 8] . Een uitzondering hierop vormt de informatie van de belastingdienst jegens [medeverdachte 7] , welke informatie de rechtbank evenwel, zoals hiervoor reeds is vermeld, bij de beoordeling van de verdenking buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat blijkens het aanvullend proces-verbaal van [verbalisant 1] en zijn verklaring bij de rechter-commissaris het onderlinge contact in eerste instantie zag op het verkennen van de mogelijkheden van een gezamenlijk handhavend optreden en dat uiteindelijk het Regionaal Informatie- en Expertisecentrum (RIEC) erbij is betrokken, welke instantie een voorstel heeft gedaan om overlap tussen de onderzoeken door politie, belastingdienst en de gemeente te voorkomen; van een willekeurige verstrekking aan onbekende derden is derhalve geen sprake geweest.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat met het constateren van het vormverzuim kan worden volstaan.
3.2.1.3 Eerder startmoment?
Een aantal raadslieden heeft informatie opgevraagd middels een verzoek ex artikel 25 van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg). Voorts hebben de raadslieden (een)
inzage(mogelijkheid) gehad in dossier Fret.
De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen zijdens de verdediging is aangevoerd niet blijkt dat sprake is geweest van een eerdere start van het onderzoek. De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) ter terechtzitting overgelegde pagina uit dossier Fret betreffende onderzoek ‘Hosta’ enkel van betrokkenheid van [medeverdachte 7] in een winkeldiefstallenonderzoek blijkt, gevolgd door een veroordeling van [medeverdachte 7] ter zake, welke de rechtbank ook aantreft in de justitiële documentatie betreffende [medeverdachte 7] . Ook het door raadsman Jansen ( [medeverdachte 7] ) in dat kader genoemde aantreffen van documenten achter het tabblad ‘Hosta’ in dossier Fret, te weten brieven en bewijzen van lening met betrekking tot de schadevergoeding van [bedrijf 1] en de [adres 4] uit 2005 en 2007, leidt niet reeds tot het oordeel dat sprake is geweest van een eerder startmoment. Dat geldt eveneens voor de door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) in het kader van zijn verzoek ex artikel 25 Wpg verkregen informatie, dat in 2007 sprake is geweest van een observatie.
De rechtbank neemt daarbij met name in aanmerking dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, er een concrete aanleiding was voor onderhavig onderzoek, te weten de zes meldingen van de [bank 1] inzake contante stortingen, welke meldingen via het IVT ter kennis zijn gekomen van [verbalisant 1] , die op zijn beurt vanuit zijn functie periodiek het IVT diende te controleren en verdachte transacties diende te veredelen middels onderzoek in openbare bronnen en politiesystemen. Deze, naar het oordeel van de rechtbank beperkte, bevraging van openbare bronnen en politiesystemen viel binnen de normale taakuitoefening van [verbalisant 1] en kan worden gebaseerd op artikel 3 van de Politiewet en artikel 15 van de Wet politiegegevens.
Het door raadsman Van der Biezen ( [medeverdachte 2] ) in dat verband genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam d.d. 18 oktober 2010 (LJN: BO6031) mist mitsdien relevantie.
3.2.1.4 Verbaliseringsplicht
De verdediging meent dat voorafgaand aan de (formele) start van het onderzoek in juni 2011 sprake is geweest van een voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 132 Sv. De officier van justitie heeft ook met zoveel woorden toegegeven dat de ‘Fret-activiteiten’ kunnen worden geschaard onder artikel 132 Sv. Er bestond ter zake derhalve volgens de verdediging een verbaliseringsplicht, die echter niet is nagekomen en waardoor de rechtmatigheid van
- bijvoorbeeld - de actiedag op 8 december 2010 niet kan worden gecontroleerd. Het is daardoor eveneens onmogelijk geworden om inzicht te krijgen in de informatie die in deze fase voorafgaand aan de opsporing is uitgewisseld, terwijl wel vast staat dat die uitwisseling heeft plaatsgevonden.
Anders dan door mr. Baggen ( [medeverdachte 4] ) is aangevoerd geldt de verbaliseringsplicht uitsluitend ten aanzien van het voorbereidend onderzoek voor zover sprake is van opsporing: in artikel 152 Sv is immers bepaald dat de in dit artikel genoemde opsporingsambtenaren gehouden zijn proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden, terwijl artikel 132a Sv opsporing definieert als het onderzoek dat in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie wordt verricht met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Dat betekent echter niet, zo blijkt ook uit de door de verdediging aangehaalde rechtspraak, dat in de fase die aan het opsporingsonderzoek voorafgaat, al naar gelang de aard en omvang van het in die fase verrichte onderzoek, mag worden afgezien van verslaglegging in enigerlei vorm, aangezien immers - zo nodig - moet kunnen worden teruggegrepen op hetgeen in die voorfase is bevonden in het geval die voorfase wordt gevolgd door een opsporingsonderzoek.
De rechtbank is echter van oordeel dat, gelet op de verantwoording van de (wijze van ontstaan van de) verdenking, zoals neergelegd in de hiervoor reeds geanalyseerde processen-verbaal van verdenking tegen de verdachten en het - op verzoek van de rechter-commissaris opgestelde - aanvullend proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] ter zake de fase voorafgaand aan het opsporingsonderzoek, een toereikende verantwoording van die voorfase voorligt, te meer nu de verdediging de gelegenheid heeft benut om alle bij de start van het onderzoek relevante actoren daarover te bevragen. Weliswaar heeft de verdediging aangevoerd dat in het kader van het verkennend vooronderzoek onder de naam “Fret” informatie is vergaard die gebruikt is ten behoeve van het onderhavige onderzoek zonder dat zulks adequaat in processen-verbaal is verantwoord, maar de verdediging heeft die stelling niet nader onderbouwd, ondanks het feit dat de officier van justitie de raadslieden gelegenheid heeft geboden om inzage te nemen in dit dossier, van welke gelegenheid door de verdediging ook gebruik is gemaakt. De enkele passages die de verdediging uit dit dossier heeft aangehaald leveren geen aanwijzingen op dat - andere dan de reeds verantwoorde - bevindingen uit die voorfase aan de basis hebben gestaan van het daarop volgende opsporingsonderzoek.
3.2.2 Ten aanzien van het nemo tenetur-beginsel
Naar de rechtbank begrijpt stelt de verdediging dat verdachten in de loop der jaren een groot aantal gegevens aan de belastingdienst hebben verstrekt, onder meer met betrekking tot de verantwoording van de financiering van de onroerende bezittingen die verdachten op hun naam hadden staan. Verdachten zouden, aldus de verdediging, op grond van de wet (artikel 47 AWR) telkens ook verplicht zijn om deze informatie - op verzoek van de belastingdienst - te verstrekken.
Omdat verdachten, vanwege hun culturele achtergrond, niet beschikten over schriftelijke stukken waaruit kon blijken van de herkomst van de gelden waarmee in de loop van de tijd de verschillende panden waren aangekocht (in de cultuur van verdachten zou mondelinge vaststelling gebruikelijk zijn en ook volstaan), zouden verdachten, mede op aangeven van de belastingdienst, er toe zijn overgegaan om de herkomst van deze gelden achteraf schriftelijk vast te leggen in overeenkomsten en verklaringen, teneinde op die manier te kunnen voldoen aan het verzoek van de belastingdienst om gegevens te verstrekken. Gelet hierop dienen deze door verdachten op verzoek van de belastingdienst opgestelde en aan laatstgenoemde ter beschikking gestelde stukken te worden aangemerkt als wilsafhankelijk bewijsmateriaal, zoals bedoeld in de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Saunders v VK. Het betreft hier bewijsmateriaal dat onder dwang is verkregen, waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van verdachte en dat om die reden niet voor het bewijs in de onderhavige strafzaak mag worden gebruikt, omdat dat in strijd zou komen met het beginsel dat een verdachte niet gedwongen kan worden om aan zijn eigen veroordeling mee te werken.
De rechtbank overweegt naar aanleiding van dit verweer als volgt.
Opgemerkt wordt dat de verdediging niet erg nauwgezet is in het benoemen van de gegevens die verdachten op voet van artikel 47 AWR hebben verstrekt en waar het beroep op het nemo tenetur-beginsel betrekking op heeft. Naar de rechtbank begrijpt worden daar in ieder geval mee bedoeld de bescheiden waar de aan verdachten verweten valsheidsdelicten betrekking op hebben. In de pleitnota’s van mrs. Van Rooijen ( [medeverdachte 6] ) en Jansen ( [medeverdachte 7] ) lijkt het verweer echter mede gericht te zijn op andere gegevens die verdachten naar aanleiding van de brieven van de belastingdienst van 21 februari 2011 en 25 november 2011 aan de belastingdienst hebben verstrekt. Nu echter niet nader is toegelicht of gespecificeerd welke concrete invloed laatstbedoelde informatie heeft uitgeoefend op (de aanvang c.q. de loop van) het onderzoek (zo al kan worden aangenomen dat de belastingdienst die informatie met de politie heeft gedeeld) acht de rechtbank het verweer in zoverre ontoereikend onderbouwd.
Voor zover het verweer betrekking heeft op de (veertien) schriftelijke stukken die blijkens de onderscheidenlijke tenlasteleggingen valselijk zouden zijn opgemaakt overweegt de rechtbank het navolgende.
Om te beginnen wijst de rechtbank er op dat, voor zover verdachten stukken spontaan aan de belastingdienst hebben verstrekt ter onderbouwing van door hen ingediende bezwaar-schriften tegen opgelegde belastingaanslagen, geen sprake kan zijn van schending van het verbod op zelfincriminatie, nu immers in zoverre niet gesproken kan worden van afgedwongen afgifte. De rechtbank verwijst naar de verklaring van [getuige 5] ten overstaan van de rechter-commissaris op 17 september 2014 op p. 5: ‘ik wil nog wel opmerken dat de eerste informatieverstrekking door de familie [achternaam] spontaan en niet op vragen van de Belastingdienst plaatsvond. Zij deden dit ter onderbouwing van het bezwaar tegen de reeds opgelegde aanslagen. Ze brachten toen een stapel met daarin een grotendeels soortgelijk pakketje per subject waaronder leningsovereenkomsten’.
Door de verdediging is betoogd dat de veertien overeenkomsten moeten worden beschouwd als wilsafhankelijk materiaal, reeds nu de betreffende documenten immers door verdachten zelf zijn opgesteld en derhalve afhankelijk van hun wil tot stand zijn gekomen.
De rechtbank verwerpt deze uitleg, omdat de omstandigheid dat de verdachte het document zelf heeft vervaardigd niet beslissend is bij de beoordeling of sprake is van wilsafhankelijk materiaal. Beslissend voor het antwoord op de vraag of het nemo tenetur-beginsel is geschonden, is of het gebruik tot het bewijs van een - al dan niet in een document vervatte - verklaring van de verdachte in een strafzaak zijn recht om te zwijgen en daarmee zijn recht om zichzelf niet te belasten van zijn betekenis zou ontdoen. De beantwoording van deze vraag hangt af van de aard van de in het document vervatte verklaring. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de inhoud en het karakter van de documenten, deze documenten geen (afgedwongen) verklaringen inhouden van verdachten waarvan het gebruik in de onderhavige strafprocedure het recht van de verdachten om niet aan hun eigen veroordeling mee te werken zinledig zou maken.
Een aantal van de ten laste gelegde documenten betreffen immers verklaringen die, blijkens de inhoud, kennelijk zijn afgelegd door [getuige 3] (twee keer) en [getuige 1] ; deze kunnen reeds uit dien hoofde niet (tevens) inhouden een verklaring van verdachten.
Voor wat betreft de overige documenten stelt de rechtbank vast dat het overeenkomsten betreft waarbij behalve (één of meer van de) verdachten telkens ook een derde partij als contractant betrokken is. Ook indien [medeverdachte 4] wordt gevolgd in zijn verklaring ter terechtzitting dat de overeenkomsten zijn opgesteld nadat de Belastingdienst de familie had gevraagd om schriftelijke stukken met betrekking tot de verschillende leningen, dan betekent dit nog niet dat de naar aanleiding daarvan opgestelde overeenkomsten daardoor het karakter hebben gekregen van een verklaring van verdachten, te meer nu niet gezegd kan worden dat verdachten verplicht waren om dergelijke stukken (al dan niet achteraf) op te stellen teneinde deze ter beschikking van de belastingdienst te stellen. Voor zover het beroep op het nemo tenetur-beginsel er toe strekt bezwaar te maken tegen het gebruik van genoemde veertien documenten (als wilsafhankelijk materiaal) in het kader van de aan verdachten verweten betrokkenheid bij het valselijk opmaken ervan wordt daarbij miskend dat het ingeroepen beginsel geen excuus vormt om onjuiste c.q. valse informatie te verstrekken. ‘Het recht “to remain silent” omvat niet het recht onwaarheid te spreken of valse verklaringen af te geven en het recht “not to contribute to incriminating himself” omvat niet het recht alles te doen wat ertoe kan bijdragen een verdenking te vermijden of af te wenden”. Anders gezegd; het nemo tenetur-beginsel vormt geen vrijbrief om onwaarheid te verkondigen of documenten met een bewijsbestemming valselijk op te maken en het staat niet aan een vervolging van verdachten in de weg ingeval er aanwijzingen bestaan dat zij daar op enigerlei strafbare wijze bij betrokken zijn (geweest).
Gezien hetgeen hiervoor is overwogen wordt het verweer verworpen.
3.2.3 Ten aanzien van de fiscale geheimhoudingsplicht
De verdediging, meer in het bijzonder mr. Zilver ( [medeverdachte 5] ), heeft zich voorts beklaagd over het feit dat de fiscale autoriteiten de ingevolge artikel 67 AWR op hen rustende geheimhoudingsplicht hebben geschonden:
- door reeds vóórdat er vorderingen ex artikel 126nd Sv waren gedaan onder de fiscale geheimhoudingsplicht vallende informatie uit te wisselen en
- door bij het verstrekken van informatie naar aanleiding van de successievelijke 126nd vorderingen ook gegevens te verstrekken met betrekking tot andere belastingplichtigen dan degene op wie de vordering betrekking heeft.
Wat dit laatste aangaat is de rechtbank – onder verwijzing naar hetgeen zij omtrent de start van het onderzoek en naar aanleiding van de analyse van de successievelijke processen-verbaal van verdenking en de BOB-stukken heeft overwogen – van oordeel dat het verweer feitelijke grondslag ontbeert en in zoverre moet worden verworpen.
Voor wat betreft de uitwisseling van fiscale gegevens voorafgaand aan formele vorderingen ex artikel 126nd Sv moet het verweer worden verworpen bij gebreke van nadere toelichting waarom de gestelde schending van de geheimhoudingsplicht door de fiscale autoriteiten een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert met alle (eventueel) daaraan te verbinden rechtsgevolgen van dien, in aanmerking nemende dat de gewraakte gedragingen niet zijn verricht door de officier van justitie noch door opsporingsambtenaren die onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Door de verdediging wordt wel gesteld dat, maar niet toegelicht waarom, het gebruik maken van deze (door het onrechtmatig handelen van anderen) verkregen gegevens een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv oplevert en dient te leiden tot bewijsuitsluiting. De officier van justitie is niet verantwoordelijk voor de eventuele schending van geheimhoudingsverplichtingen van medewerkers van de belastingdienst in het kader van de uitwisseling van fiscale gegevens en het staat hem in beginsel vrij om gebruik te maken van de gegevens die door de fiscale autoriteiten zijn verstrekt. Door de verdediging zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd welke kunnen leiden tot een ander oordeel, terwijl de rechtbank van het bestaan van dergelijke feiten en omstandigheden bij kennisneming van het dossier ook niet is gebleken.
3.2.4 Ten aanzien van het beginsel van zuiverheid van oogmerk/othering
De rechtbank zal nu ingaan op het verweer van de verdediging dat sprake is van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, daarin bestaande dat bij het onderzoek niet de materiële waarheidsvinding voorop heeft gestaan. Uit de (wijze van) verhoren van
[notaris 1] respectievelijk het aanvankelijk afzien van een verhoor van [notaris 3] zou volgens de verdediging blijken dat de opsporingsambtenaren er slechts op uit waren om belastend bewijsmateriaal tegen verdachten te vergaren. Dit werd verder versterkt door het fenomeen “othering’, waarbij de (van verbalisanten) afwijkende cultuur, afkomst en achtergrond van verdachten een negatieve invloed uitoefende op het onderzoek en de bejegening van verdachten.
De rechtbank verwerpt dit verweer reeds vanwege het feit dat – zo al sprake is geweest van vooringenomenheid bij het verhoor van [notaris 1] c.q. bij de beslissing om af te zien van verhoor van [notaris 3] – dit geen onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a Sv, nu de verdediging de gelegenheid heeft gehad de betrokken personen (nader) te doen horen bij de rechter-commissaris, en daarmee in zoverre eventuele gebreken c.q. tekortkomingen in het onderzoek heeft kunnen corrigeren. Naar mag worden aangenomen heeft bij die gelegenheid het fenomeen ‘othering’(daargelaten de verdere merites van dit fenomeen voor de onderhavige zaak) geen verstorende invloed uitgeoefend, althans de verdediging maakt daarvan geen melding.
3.2.5 Ten aanzien van de redelijke termijn
De verdediging heeft zich beklaagd over de termijn, gelegen tussen het eerste verhoor van verdachten en het moment waarop de zaak inhoudelijk op zitting behandeld wordt en uitspraak volgt. De verdediging meent dat, gezien dit tijdverloop van circa 42 maanden, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en dat dit, zo niet zelfstandig, dan toch in ieder geval in combinatie met de overige vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, dient te leiden tot de niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Subsidiair wordt bepleit dat het tijdverloop tot strafvermindering dient te leiden.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van dit verweer voorop dat - daargelaten de vraag of de door de verdediging genoemde termijn op zichzelf onredelijk lang is - niet kan worden geoordeeld dat die termijn zo lang is dat het Openbaar Ministerie reeds om die reden niet meer kan worden ontvangen in de strafvervolging. Overschrijding van de redelijke termijn leidt immers in beginsel niet tot niet-ontvankelijkverklaring, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De strekking van het in artikel 6 van het EVRM neergelegde vereiste van behandeling binnen een redelijke termijn is dat de verdachte niet te lang in onzekerheid verkeert omtrent de uitkomst van zijn zaak. Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat politie of justitie doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte hebben aangestuurd op een lang tijdsverloop is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard, ernst en omvang van de feiten, de lange periode waarop de verdenking betrekking heeft, het aantal (mogelijk) daarbij betrokken verdachten, de processuele opstelling van een aantal van hen alsook de uitvoerige, op verzoek van de verdediging, verrichte nadere onderzoekshandelingen, het tijdverloop tussen de eerste inzet van dwangmiddelen jegens verdachten (april 2012) en het moment waarop in eerste aanleg een beslissing omtrent de feiten wordt gegeven (18 januari 2016) niet zodanig is dat daarmee het ingevolge artikel 6 EVRM gewaarborgde recht van verdachten op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden. Het verweer wordt derhalve verworpen.
3.3 Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 51, 57, 225, 227b, 420bis, 420ter.
DE UITSPRAAK
T.a.v. feit 3 en feit 4 tweede cumulatief ten laste gelegd:
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
T.a.v. feit 1, feit 2 primair, feit 4 eerste cumulatief ten laste gelegd, feit 5:
Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
T.a.v. feit 1:
medeplegen van een gewoonte maken van witwassen
T.a.v. feit 2 primair:
medeplegen van een gewoonte maken van witwassen, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging
T.a.v. feit 4 eerste cumulatief ten laste gelegd:
medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging
T.a.v. feit 5:
in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
Legt op de volgende straf.
T.a.v. feit 1, feit 2 primair, feit 4 eerste cumulatief ten laste gelegd, feit 5:
Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Teruggave inbeslaggenomen goederen aan verdachte voor zover op de betrokken voorwerpen geen conservatoir beslag rust.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M. Senden, voorzitter,
mr. W. Schoorlemmer en mr. E. Boersma, leden,
in tegenwoordigheid van mr. E. de Dooij, griffier,
en is uitgesproken op 18 januari 2016.
Othering (van het Engelse "other") is een concept dat het definiëren en verzekeren omvat van iemands eigen "normale" positieve sociale identiteit door het distantiëren van een other ("ander"), vaak een groep, en het gebruik hiervan. Kortgezegd wordt de eigen positie bepaald door te definiëren wat deze niet is. Othering beschrijft hiermee een proces waarbij deze "other" negatief wordt neergezet en als anders; "vreemd" wordt geclassificeerd. Bron: Wikipedia
zie p. 1, 5, 9, 11, 13, 15 en 21 van het BOB-dossier betreffende [medeverdachte 4] ; deze vorderingen zijn gedaan in de periode van 25 augustus 2011 tot en met 1 december 2011
Zie de betreffende ID-staat SKDB in de persoonsdossiers van verdachten
zie p. 25 van het BOB-dossier betreffende de Stichting en p. 1, 3, 9 en 13 van het BOB-dossier inzake [medeverdachte 10] ; deze vorderingen zijn gedaan in de periode van 18 oktober 2011 tot en met 1 december 2011
Zie de betreffende ID-staat SKDB in de persoonsdossiers van verdachten
zie rechtbank Utrecht d.d. 26 augustus 2011, LJN BR5923
HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629
EHRM 17 december 1996, NJ 1997, 699 met nt. Kn
Vide HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0666
Aldus het hof Arnhem op 18 september 1997, kenbaar uit HR 30 november 1999, NJ 2000, 216, waarbij het cassatieberoep werd verworpen. Zie in dit verband ook EHRM 10 september 2002, nr 76574/01 (Allen v VK)
HR 17 juni 2008, NJ 2008, 358
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Bovenregionale Recherche Zuid Nederland, met dossiernummer 228D110191, afgesloten d.d. 20 december 2012, 38 ordners, aantal doorgenummerde bladzijden: 16039 ( [naam onderzoek] ).
Proces-verbaal van bevindingen witwassen, p. 7486-7491, en proces-verbaal van bevindingen werkwijze aankoop panden, p. 461-463
Rapport kasopstelling, p. 7971-7991
Koopcontract d.d.13/11/1984, p. 1055-1057
Bouwvergunning garage d.d. 27.11.1995, p. 1077, en Bouwvergunning aanbouw d.d. 29/01/1997, p. 1093-1094
Declaratie koopsom d.d. 03/10/2008, p. 1108
Akte van levering d.d. 16/06/2010, p. 1507-1511
depotakte d.d. 21 oktober 2010, p. 1550-1552, schuldbekentenis d.d. 24 oktober 2008, p. 1547-1549, en leenovereenkomst d.d. 28 oktober 2010, p. 1556
Akte van levering d.d. 16/12/2005, p. 6428-6436
Hypotheekakte d.d. 16/12/2005, p. 6437-6443
Notariële afrekening d.d. 16/12/2005, p. 6444
Maandrekeninginformatie [bankrekeningnummer 7] o.n.v. [medeverdachte 4] d.d. 01/12/2005 en 01/01/2006, p. 6445-6446
Akte van levering d.d. 20/07/1995, p. 1574-1579
Bouwvergunning d.d. 25 juni 1997, p. 1582-1588, aanvraag bouwvergunning d.d. 06/06/1997, p.1585-1588
Koopovereenkomst d.d. 21/08/08, p. 1612-1622
Proces-verbaal aan- en verkoop [adres 9] , p. 4292 en proces-verbaal inzake [adres 4] , p. 5612 ( [medeverdachte 7] ); proces-verbaal inzake [adres 5] , p. 6422 ( [medeverdachte 4] )
Proces-verbaal van bevindingen witwassen, p. 7486-7491; proces-verbaal van bevindingen werkwijze aankoop panden, p. 461-463; rapport kasopstelling, p. 7971-7991
Kwitanties ten behoeve van de aankoop respectievelijk de aannemer, p. 1627-1635 en p. 1668-1693
Zie verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15711, inzake de kwitantie ad fl. 13.000,- d.d. 03/07/1995,
p. 1627 en de verklaring van [getuige 7] d.d. 03/04/2012, p. 15759, inzake de kwitantie ad fl. 7.500,- d.d. 26 juni 1995, p. 1627
zie de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] d.d. 25 november 2014 en de kwitantie t.b.v. de aannemer d.d. 25/03/1998 ad fl. 12.000,- , p. 1684
Zie de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [notaris 3] d.d. 11/09/2014 en [persoon 10] d.d. 11/09/2014
Zie de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen van [notaris 1] en [persoon 11] d.d. 08/09/2014
Verklaring [getuige 12] d.d. 27/07/1995 (inclusief vertaling), p. 13029-13032; proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13223-13242, m.n. p. 13229; conceptverklaring [getuige 12] d.d. 06/03/1995, opgemaakt op 23/01/2012, p. 13558-13559; verklaring [getuige 2] d.d. 11/10/2012, p. 15824
Zie brief [bedrijf 1] d.d. 5 september 2005, p. 6451
Proces-verbaal aan- en verkoop [adres 9] , p. 4292 en proces-verbaal inzake [adres 4] , p. 5612 ( [medeverdachte 7] ); proces-verbaal inzake [adres 5] , p. 6422 ( [medeverdachte 4] )
Verklaring van [medeverdachte 4] d.d.07/04/2012, p. 2968
Proces-verbaal van bevindingen [vertaalbureau] , p. 12861 t/m 12865.Van de 22 in dit proces-verbaal genoemde facturen zijn 18 facturen gericht aan [medeverdachte 9] , te weten de facturen d.d. 20/12/2007
(p. 12882), 31/10/2008 (p. 12891), 06/11/2008 (p. 12911), 14/11/2008 (p. 12916), 05/12/2008 (p. 12917), 05/12/2008 (p. 12918), 24/01/2011 (p. 12927), 18/05/2011 (p. 12947), 22/06/2011 (p. 12978), 24/06/2011
(p. 12983), 20/09/2011 (p. 12987), 29/10/2011 (p. 12990), 12/01/2012 (p. 12999), 20/01/2012 (p. 13012), 07/02/2012, (p. 13015), 22/02/2012 (p. 13022), 25/02/2012 (p. 13043), 29/02/2012 (p. 13054); De factuur d.d. 31/10/2008 ziet op de vertaling Nederlands-Zweeds van de conceptversie van de overeenkomst van 03/10/2005 (concept 3, p. 12892-12893).
Verklaring [getuige 13] d.d.
6 augustus 2012, p. 7636 t/m 7640; i.h.b. p. 7639 met betrekking tot de conceptversie van de overeenkomst van 3 oktober 2005
Verklaring [verdachte] d.d. 5 april 2012, p. 2094. Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 5 april 2012, p. 2876 en d.d. 08/04/2012, p. 2998.
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 8 april 2012, p. 2739.
Verklaring [medeverdachte 2] , d.d. 7 april 2012, p. 2448. Verklaring [medeverdachte 3] d.d. 4 april 2012, p. 3121.
Overeenkomst d.d. 03/10/2005, p. 12945 + vertaling p. 12946;
Verklaring [getuige 1] d.d. 02/04/2012, p. 15588
Verklaring [getuige 1] d.d. 02/04/2012, p. 15592
Verklaring [getuige 1] d.d. 02/04/2012, p. 15587
Verklaring [persoon 2] d.d. 02/04/2012, p. 15639
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 05/04/2012, p. 2879
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 08/04/2012, p. 3004
Verklaring [medeverdachte 4] d.d.04/04/2012, p. 2816
Proces-verbaal bevindingen inzake aantreffen conceptdocumenten, p. 12719-12729
Proces-verbaal inzake [adres 5] , p. 6419; Stamkaart [makelaar] , p. 6874; Overzicht agenda [makelaar] , p. 6875
Proces-verbaal bevindingen inzake aantreffen concept documenten, p. 12720-12729.
Factuur [vertaalbureau] d.d. 31 oktober 2008 met conceptovereenkomst 3, p. 12891-12893.
Verklaring [getuige 13] d.d. 6 augustus 2012, p. 7638 t/m 7639.
Akte van levering d.d. 29/12/2009, p. 4319-4325
Akte van levering d.d. 26/05/2010, p. 4340-4347
Proces-verbaal aan- en verkoop [adres 9] , p. 4292 en proces-verbaal inzake [adres 4] , p. 5612 ( [medeverdachte 7] ); proces-verbaal inzake [adres 5] , p. 6422 ( [medeverdachte 4] ); verklaring [medeverdachte 3] d.d. 12/05/2010, p. 3085 en d.d. 08/12/2010, p. 3077 ( [medeverdachte 3] )
Verklaring van [medeverdachte 4] d.d.07/04/2012, p. 2968
Proces-verbaal van bevindingen [vertaalbureau] , p. 12861 t/m 12865. Van de 22 in dit proces-verbaal genoemde facturen zijn 18 facturen gericht aan [medeverdachte 9] , te weten de facturen d.d. 20/12/2007
(p. 12882), 31/10/2008 (p. 12891), 06/11/2008 (p. 12911), 14/11/2008 (p. 12916), 05/12/2008 (p. 12917), 05/12/2008 (p. 12918), 24/01/2011 (p. 12927), 18/05/2011 (p. 12947), 22/06/2011 (p. 12978), 24/06/2011
(p. 12983), 20/09/2011 (p. 12987), 29/10/2011 (p. 12990), 12/01/2012 (p. 12999), 20/01/2012 (p. 13012), 07/02/2012, (p. 13015), 22/02/2012 (p. 13022), 25/02/2012 (p. 13043), 29/02/2012 (p. 13054); de factuur d.d. 31/10/2008 ziet op de vertaling Nederlands-Zweeds van de conceptversie van de overeenkomst van 14/05/2010 (concept 1, p. 12892) en van 06/11/2008 (p. 12906); de aan [medeverdachte 9] gerichte facturen d.d. 05/12/2008 en 29/10/2011 zien op de vertaling Zweeds-Nederlands van de overeenkomst d.d. 06/11/2008 (p. 12919-12920) en de overeenkomst d.d. 14/05/2010 (p. 12997-12998).
Overeenkomst d.d. 06/11/2008, p. 4329-4330
Overeenkomst d.d. 14/05/2010, p. 4356-4357
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 05/04/2012, p. 2879
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 08/04/2012, p. 3004
Verklaring [medeverdachte 4] d.d.04/04/2012, p. 2816
Proces-verbaal bevindingen inzake de Zweedse verenigingen gevestigd (geweest) in de regio Gothenburg, p. 13151-13153
Proces-verbaal bevindingen inzake aantreffen concept documenten, p. 12719-12729.
Factuur [vertaalbureau] d.d. 31 oktober 2008, p. 12891 met conceptovereenkomst d.d. 14/05/2010, p. 12892 en conceptovereenkomst d.d. 06/11/2008, p. 12906.
Verklaring [getuige 13] d.d. 6 augustus 2012, p. 7638 t/m 7639.
Akte van levering d.d. 06/09/1999, p. 7163-7169
Akte van levering d.d. 01/12/2003, p. 7191-7197 respectievelijk 09/12/2003, p. 7198-7204
Akte van levering d.d. 16/12/2003, p. 7269-7275
Overeenkomst d.d. 12/11/2003, p. 7290 + vertaling, p. 7291
Verklaring [medeverdachte 8] d.d. 08/05/2012, p. 3590
Verklaring [medeverdachte 4] d.d.04/04/2012, p. 2816
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13223-13242 + bijlage 33, p. 13472-13475
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 13258, 13265
Proces-verbaal bevindingen verenigingen Helsingborg, p. 13243-13246 + bewijs toekenning organisatienummer, p. 13277
Verklaring S. [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 13255/15696.
Verklaring S. [getuige 2] d.d. 3 april 2012, p. 13265/15706.
Verklaring S. [getuige 2] d.d. 3 april 2012, p. 13257/15698.
Factuur [vertaalbureau] d.d. 24 januari 2011, p. 12927, 12936 en 12937
Bouwvergunning d.d. 17/07/2007, p. 7303-7304
Aanvraag bouwvergunning d.d. 18/11/2006, p. 7298-7302
Proces-verbaal bevindingen inzake de verbouwing van de [adres 6] , p. 7293-7296
Verstrekking informatie n.a.v. vordering 126nd Sv, p. 7422
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15707-15708
Verklaring [getuige 7] d.d. 03/04/2012, p. 15757-15758; verklaring [getuige 7] bij de rechter-commissaris d.d. 03/12/2014
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13223-13242 met bijlage 29 (betreft overeenkomst d.d. 07/08/2007, p. 13450-13456), bijlage 54 (betreft overeenkomst d.d. 20/02/2006 ,
p. 13566-13574 en bijlage 55 (betreft verklaring d.d. 01/08/2007, p. 13575-13580)
Proces-verbaal van bevindingen witwassen, p. 7486-7491, proces-verbaal van bevindingen werkwijze aankoop panden, p. 461-463 en rapport kasopstelling, p. 7971- 7991
Proces-verbaal van bevindingen [vertaalbureau] , p. 12861 t/m 12865. Factuur [vertaalbureau] d.d. 24 januari 2011 (vertaling Zweeds-Nederlands), p. 12918 en overeenkomst d.d. 07/08/2007, p. 12940-12941.
Verklaring [getuige 2] d.d. 3 april 2012, p. 15696.
Verklaring [getuige 2] d.d. 3 april 2012, p. 15706-15707; afspraak d.d. 07/08/2007 is immers op dezelfde wijze tot stand gekomen als afspraak d.d. 12/11/2003
Overeenkomst d.d. 07/08/2007, p. 7358 + vertaling, p. 7359
Verklaring [medeverdachte 8] d.d. 08/05/2012, p. 3592
Verklaring [medeverdachte 4] d.d.04/04/2012, p. 2816
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15707
Akte van levering d.d. 12/04/2005, p. 5620-5638
Hypotheekakte d.d. 11/04/2005, p. 5640-5644
Nota van afrekening d.d. 08/04/2005, p. 5639
Proces-verbaal inzake verdachte transacties ( [medeverdachte 4] ) d.d. [adres 15] /02/2012, p. 5652-5653
Hoofdambtelijk verslag d.d. 20/12/2012, p. 24-25
Bankafschrift Postbankrekening [nummer 1] [medeverdachte 7] d.d. 17/01/2006, p. 5661
Verklaring M. [persoon 3] d.d. 06/08/2012, p. 7655
Akte van levering d.d. 20/04/2009, p. 5669-5682
Hypotheekakte d.d. 20/04/2009, p. 5684-5688
Nota van afrekening 20/04/2009, p. 5689-5690
Zie aantekening op nota van afrekening p. 12044
Proces-verbaal aankoop [adres 4] , p. 5611-5612
Proces-verbaal van bevindingen witwassen, p. 7486-7491, proces-verbaal van bevindingen werkwijze aankoop panden, p. 461-463 en rapport kasopstelling, p. 7971-7991
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 08/04/2012, p. 3013-3014
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 08/04/2012, p. 3013-3014
Bewijzen van lening [medeverdachte 4] d.d. 11/04/2005 en [getuige 14] d.d. 11/04/2005, p. 5654-5655
Bewijzen van lening [persoon 5] d.d. 19/12/2005, [naam 4] (12/02/1969) d.d. 20/12/2005 en [naam 4] (04/03/1950) d.d. 20/12/2005, p. 5656-5658
Zie beslaglijst bij proces-verbaal doorzoeking [adres 2] d.d. 3 april 2012
Zweedstalige overeenkomsten [getuige 1] d.d. 04/04/2005, p. 5664 – 5665 en 5667-5668
Zweedstalige overeenkomst [getuige 1] d.d. 03/10/2005, p. 5662 + vertaling op p. 5663
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 08/04/2012, p. 3005
Verklaring N.
[getuige 1] d.d. 02/04/2012, p.15590
Verklaring [medeverdachte 4] , o.m. p. 2826, 2836, 2959-2962, 2968, 3001
Verklaring [medeverdachte 4] , p. 2996
Brief [bedrijf 1] Supermarkten d.d. 05/09/2005, p. 6451
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 07/04/2012, o.m. p. 2967-2969
Proces-verbaal van bevindingen [vertaalbureau] , p. 12861 t/m 12865. Van de 22 in dit proces-verbaal genoemde facturen zijn 18 facturen gericht aan [medeverdachte 9] , te weten de facturen d.d. 20/12/2007
(p. 12882), 31/10/2008 (p. 12891), 06/11/2008 (p. 12911), 14/11/2008 (p. 12916), 05/12/2008 (p. 12917), 05/12/2008 (p. 12918), 24/01/2011 (p. 12927), 18/05/2011 (p. 12947), 22/06/2011 (p. 12978), 24/06/2011
(p. 12983), 20/09/2011 (p. 12987), 29/10/2011 (p. 12990), 12/01/2012 (p. 12999), 20/01/2012 (p. 13012), 07/02/2012, (p. 13015), 22/02/2012 (p. 13022), 25/02/2012 (p. 13043), 29/02/2012 (p. 13054); de factuur d.d. 31/10/2008 ziet op de vertaling Nederlands-Zweeds van conceptversies betreffende de [adres 4] (concept 4 en 5, p. 12893)
Overeenkomst [getuige 1] en [medeverdachte 7] d.d. 03/10/2005, p. 5662 + vertaling p. 5663
Verklaring [getuige 1] en [medeverdachte 7] d.d. 01/06/2007, p. 5708 + vertaling, p. 5709
Verklaring [getuige 1] d.d. 14/04/2009, p. 5694 + vertaling, p. 5695
Overeenkomst [getuige 1] en [medeverdachte 6] d.d. 14/04/2009, p. 5692 + vertaling, p. 5693
Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek documenten [adres 2] , p. 12842-12860
Conceptdocumenten, p. 12731-12737
Zie pv bevindingen [vertaalbureau] d.d. 7 augustus 2012 (p. 12861 -12865) alsmede de als bijlage opgenomen factuur van het vertaalbureau van 31 oktober 2008 met bijlagen, gericht aan [medeverdachte 9] (p. 12891-12910)
Verklaring [getuige 13] d.d. 06/08/2012, p. 7639
Verklaring [medeverdachte 4] d.d. 07/04/2012 resp. 08/04/2012, p. 2970 + 3007
Proces-verbaal bevindingen inzake aantreffen concept documenten, p. 12719-12729.
Factuur [vertaalbureau] d.d. 31/10/2008, p. 12891-12910.
Verklaring [getuige 13] d.d. 06/08/2012, p. 7638-7639.
Brief [notaris 2] d.d. 16/04/2009, p. 5697.
Koopovereenkomst d.d. 05/09/2007, p. 5045-5057
Akte van levering d.d. 30/11/2007, p. 5040-5044
Opgave [bedrijf 3] aan notaris d.d. 26/11/2007, p. 5356; hypotheekakte d.d. 30/11/2007, p. 5358 -5361; bankafschriften [bankrekeningnummer 9] [medeverdachte 5] , p. 5060-5068
Proces-verbaal verdachte transacties ( [medeverdachte 5] ) d.d. 24 februari 2012, p. 5473-5474
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 04/04/2012, p. 5504
Aanvraag sloopvergunning d.d. 14/01/2008, p. 5072-5074; Aanvraag bouwvergunning d.d. 29/03/2008, p 5085-5088
Sloopvergunning d.d. 07/02/2008, p. 5100; bouwvergunning d.d. 28/05/2008, p. 5113-5115
Aanvraag bouwvergunning d.d. 29/03/2008, p. 5087
Kennisgeving aanvang werk d.d. 30/05/2008, p. 5094
Offerte [bedrijf 7] d.d. 06/02/2008, p. 5272-5277
Proces-verbaal van bevindingen witwassen, p. 7486-7491, proces-verbaal van bevindingen werkwijze aankoop panden, p. 461-463 en rapport kasopstelling, p. 7971-7991
Overeenkomst [getuige 2] en [medeverdachte 5] d.d. 17/09/2007, p. 5387 + vertaling, p. 5386
Factuur [vertaalbureau] d.d. 21-5-2008 met bijlagen, p. 1288-12890
Overeenkomst [getuige 2] en [medeverdachte 5] d.d. 11/12/2007, p 5392 + vertaling, p. 5391
Factuur [vertaalbureau] met bijlagen d.d. 24/01/2011, p. 12927 en 12930-12931
Notariële schuldbekentenis [medeverdachte 5] d.d. 30/11/2007, p. 5531-5533
Nota van afrekening 30/11/2007, p. 5058-5059
Verklaring [getuige 3] d.d. 10/09/2007, p. 5542 + vertaling, p. 5543
Factuur [bedrijf 6] d.d. 22/02/2012 met als bijlage de betreffende stukken, p. 13022 en 13033-13034
Verklaring [getuige 3] d.d. 03/12/2007, p. 5541 + vertaling, p. 5544
Factuur [bedrijf 6] d.d. 22/02/2012 met als bijlage de betreffende stukken, p. 13022 en 13035-13036
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15697
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15697 en 15703
Verklaring R. [getuige 3] d.d. 03/12/2014 (afgelegd i.h.k.v. rechtshulpverzoek rc)
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15697
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15698 en d.d. 10/10/2012, p. 15819 en 15822
Verklaring [getuige 2] d.d. 11/10/2012, p. 15823, 15824, 15826
Verklaring R. [getuige 3] d.d. 04/04/2012, p. 15743 e.v.
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 05/04/2012, p. 5516
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 07/04/2012 , p. 5569
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 08/04/2012 , p. 5575-5576
MvT TK, 1999-2000, 27 159, nr. 3, p. 14
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 04/04/2012 , p. 5504
Opmerking in pv verhoor [medeverdachte 5] d.d. 04/04/2012, p. 5500
Verklaring [medeverdachte 5] d.d. 4 april 2012, p. 5498 en 5499
Proces-verbaal van bevindingen [vertaalbureau] , p. 12861 t/m 12865. Van de 22 in dit proces-verbaal genoemde facturen zijn 18 facturen gericht aan [medeverdachte 9] , te weten de facturen d.d. 20/12/2007
(p. 12882), 31/10/2008 (p. 12891), 06/11/2008 (p. 12911), 14/11/2008 (p. 12916), 05/12/2008 (p. 12917), 05/12/2008 (p. 12918), 24/01/2011 (p. 12927), 18/05/2011 (p. 12947), 22/06/2011 (p. 12978), 24/06/2011
(p. 12983), 20/09/2011 (p. 12987), 29/10/2011 (p. 12990), 12/01/2012 (p. 12999), 20/01/2012 (p. 13012), 07/02/2012, (p. 13015), 22/02/2012 (p. 13022), 25/02/2012 (p. 13043), 29/02/2012 (p. 13054); relevant is hier de factuur d.d. 22/02/2012.
Verklaring [getuige 2] d.d. 3 april 2012, p. 15696.
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13223-13242
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13229-13230; proces-verbaal van bevindingen inzake bezoeken Zweden, p. 13581-13621
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15703
Verklaring [getuige 2] d.d. 11/10/2012, p. 15823
Uittreksel kamer van koophandel p. 1989
Akte van levering d.d. 01/07/2009, p. 3667-3671
Kadastraal-hypothecair uittreksel d.d. 18 juli 2011 betreffende de toestandsdatum 15/07/2011, p. 3672
Proces-verbaal van bevindingen FIU d.d. 20/10/2009, p. 3688-3689 + bijlage 1, p. 3695
Het vestigingsadres van [stichting 1] en het GBA-adres van [verdachte] en [medeverdachte 2] ; zie p. 1989
Proces-verbaal inzake [adres 13] , p. 3634; stortingsbewijzen p. 3821-3832
Verklaring [persoon 12] d.d. 13/08/2012, p. 3835
Overboekingsformulieren, p. 3842-3849
Proces-verbaal inzake [adres 13] , p. 3636
Zie de terzake opgemaakte processen-verbaal van bevindingen van 4 november 2011, p. 4199 - 4234
Proces-verbaal van bevindingen witwassen, p. 7486-7491, proces-verbaal van bevindingen werkwijze aankoop panden, p. 461-463 en rapport kasopstelling, p. 7971-7991
Overeenkomst d.d. 14/04/2009, p. 3686 + vertaling p. 3687
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15697-15699
Verklaring [getuige 2] d.d. 11/10/2012, p. 15823
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15711
Verklaring [getuige 2] d.d. 11/10/2012, p. 15823-15824
Zie omschrijving van het gekochte en het beoogde gebruik in de akte van levering d.d. 01/07/2009, p. 3667
Zie hierna, onderdeel 3.4
[medeverdachte 1] : verklaringen d.d. 04/04/2012, p. 4084-4085, 4090-4091; [medeverdachte 2] : verklaringen d.d. 05/04/2012, p. 4141-4142, p. 4165, 4168-4170; 07/04/2012, 4189
Overeenkomst d.d. 14/04/2009, p. 3864-3865
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13223 – 13242 met bijlage 24, p.
13418-13421; proces-verbaal van bevindingen inzake bezoeken Zweden, p. 13581-13621
Proces-verbaal bevindingen familieleden [verdachte] , p. 4246-4254
Proces-verbaal bevindingen familieleden [medeverdachte 4] , p. 4953-4956
Zie bijvoorbeeld het proces-verbaal inzake [adres 2] , p. 4271 en 4275
Zie bijvoorbeeld p. 5594
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 20, p. 8410-8413 ( [verdachte] ) en bijlage 28, p. 8457-8461 (Stichting)
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 19, p. 8404-8409
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 4] , p. 8530-8532; bijlage 2 betreffende [medeverdachte 9] p. 8536-8537
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 14, p. 8385-8389 en bijlage 15, p. 8390-8394
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 2] , p. 8497-8499; bijlage 3 p. 8503-8504
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 4] , p. 8530-8532; bijlage 2 betreffende [medeverdachte 5] p. 8535-8536
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 29, p. 8462-8471
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 4] , p. 8530-8532; bijlage 2 betreffende [medeverdachte 10] , p. 8534
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 11, p. 8377-8380
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 23, p. 8427-8428
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 3] , p. 8524-8525; bijlage 3, p. 8528
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 2] , p. 8497-8499; bijlage 2, p. 8501-8502
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 2] , p. 8497-8499; bijlage 10, p. 8518-8521
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 3] , p. 8524-8525; bijlage 2, p. 8527
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8318-8321; bijlage 12, p. 8381
De bankafschriften zijn onderzocht over de periode 2005 tot en met 3 april 2012, zie de hiervoor aangehaalde processen-verbaal contante opnamen en stortingen [bank 1] , [bank 2] , [bank 3] en [bank 4] ; zie voor [medeverdachte 6] het proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 2] , p. 8497-8499, meer in het bijzonder bijlage 2, p. 8501-8502
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld, te weten middels de aanduiding ‘ [naam onderzoek] ’ naar het hiervoor reeds genoemde hoofddossier – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij de afzonderlijk, per verdachte, opgemaakte processen-verbaal van de Afdeling Sociale Recherche te [naam 3] , inzake:
- [verdachte] , proces-verbaalnummer 201303/13, aantal doorgenummerde bladzijden: 797 (hierna: [verdachte] );
- [medeverdachte 1] , proces-verbaalnummer 201304/13, aantal doorgenummerde bladzijden: 599 (hierna: [medeverdachte 10] );
- [medeverdachte 2] , proces-verbaalnummer 201305/13, aantal doorgenummerde bladzijden: 496 (hierna: [medeverdachte 2] );
Uitkeringsgegevens verdachten: p. 501-507 ( [verdachte] ); p. 62-78 ( [medeverdachte 10] ); p. 58-64 ( [medeverdachte 2] , met een korte onderbreking in 2007)
Akte van levering d.d. 15/11/1988, p. 558-565 ( [verdachte] )
Ontleend aan de historische GBA-gegevens van verdachten
Akte van levering d.d. 12/12/2001, p. 541-546 ( [verdachte] ); p. 471-476 ( [medeverdachte 10] ); p. 422-426 ( [medeverdachte 2] )
Overeenkomst d.d. 10/01/2000 + vertaling, p. 1946-1947 [naam onderzoek] )
Overeenkomst d.d. 27/11/2001 + vertaling, p. 1948-1949 [naam onderzoek] )
Verklaring [getuige 2] d.d. 06/12/2006 + vertaling, p. 1952-1955 ( [naam onderzoek] )
Proces-verbaal van bevindingen onderzoek documenten (digitaal beslag Zweden), p. 13223 – 13242 +
p. 13346-13358 (BRZ 191); proces-verbaal bevindingen inzake bezoeken Zweden, p. 13581-13621
Verklaring [getuige 2] d.d. 03/04/2012, p. 15699, 15713-15714 en d.d. 11/10/2012, p. 15823-15824 ( [naam onderzoek] )
Formulieren p. 91-350, 426-437 ( [verdachte] ); p. 79-308, 329-349, 373-375 ( [medeverdachte 10] ); p. 65-266, 296-298, 302-313, 331-341 ( [medeverdachte 2] )
Brief [naam 3] VOF d.d. 05/11/2004, p. 672-674 ( [verdachte] ); bankafschriften [bank 1] 144512378 p. 675 + 677 ( [verdachte] )
Bankafschrift [bank 1] 144512378, p. 634 ( [verdachte] )
Bewijs van kwijting [bedrijf 8] d.d. 17/11/2004, p. 462 ( [medeverdachte 2] )
P. 635 ( [verdachte] )
Proces-verbaal bevindingen contante opnamen en stortingen [bank 1] , p. 8319-8320
De aanvraag financiering particulieren [bank 1] [medeverdachte 8] , p. 615-621 ( [verdachte] )
Gelet op het vorenoverwogene dient het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de daartoe aangevoerde gronden, zowel op zichzelf beschouwd als cumulatief en in onderling verband en samenhang bezien, te worden verworpen.
Gelet op het vorenoverwogene ziet de rechtbank geen aanleiding voor heropening van het onderzoek en inwilliging van de (herhaalde) onderzoekswensen van de verdediging met het oog op de controle van de rechtmatigheid (van de start) van het onderzoek.
Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.
Bespreking van de feiten
1. Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie kunnen feit 1, onderdeel a (storting € 366.975 op [bank 1] ), feit 2 primair, onderdelen a en b (gewoontewitwassen), feit 4 primair en feit 5 wettig en overtuigend worden bewezen.
2. Het standpunt van de verdediging
Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven gronden betoogd dat verdachten dienen te worden vrijgesproken van de verschillende tenlastegelegde feiten. Voor zover raadslieden dergelijke verweren niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, hebben zij zich aangesloten bij de namens de medeverdachten gevoerde (materiële) verweren. De rechtbank beschouwt de gevoerde materiële verweren derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit het betreffende verweer zelf blijkt dat het uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin het is gevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij de verweren in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. De rechtbank merkt voor de goede orde op dat dit kan betekenen dat niet per definitie de door de raadslieden gehanteerde volgorde wordt gevolgd.
Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten, waarbij namens alle verdachten is betoogd dat een en ander moet worden bezien tegen de achtergrond van de sociologische, historische en culturele dimensie van het familieleven van de verdachten; de verdachten hebben deze dimensies, die tezamen met het ‘sociale voorzieningenaspect’ de grondslag vormde voor de geldstromen, ‘omgezet’ naar de Nederlandse rechtsstaat, waarbij zij zich te goeder trouw lieten leiden door de autoriteiten in Nederland.
2.1 Bewijsuitsluiting
Namens de verdediging is allereerst op de hiervoor, in het kader van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie weergegeven gronden betoogd, dat bewijsuitsluiting dient te volgen.
2.2 Witwassen – specifieke verweren
2.2.1 Legale herkomst
Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de Roma gemeenschap zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [vereniging 5] en diverse Zweedse Roma-verenigingen in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden en kan van witwassen geen sprake zijn.
2.2.2 Gronddelict ( [adres 9] ) is niet ten laste gelegd
Nu het witwassen dan wel de heling (periode vóór 1995) met betrekking tot het pand [adres 9] niet ten laste is gelegd, moet worden geconcludeerd dat de verkoopopbrengst van dat pand als legaal kan worden aangemerkt. De aankopen die vervolgens (deels) met die opbrengst zijn gedaan ( [adres 2] , [adres 5] en [adres 4] ) kunnen derhalve niet worden gekwalificeerd als witwassen.
2.2.3 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen
Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake.
2.2.4 Geen opzet
Gesteld wordt dat geen sprake is van opzet, meer in het bijzonder niet ten aanzien van [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] , omdat zij vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de herkomst van het geld.
2.2.5 Geen verbergen of verhullen
Er is geen sprake geweest van een gedraging die is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. Het enkele storten van geld is immers niet als zodanig aan te merken.
2.2.6 Geen gebruik
Er is geen sprake van gebruik in de zin van artikel 420bis Sr nu volgens de wetsgeschiedenis slechts het gebruik van met crimineel geld gefinancierd onroerend goed voor een
(schijn-)onderneming als zodanig gebruik kan worden aangemerkt.
2.2.7 Geen gewoontewitwassen
Nu geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de verschillende verdachten niet allemaal bij alle verschillende tenlastegelegde panden een rol hebben gespeeld, kan niet worden bewezen dat sprake is van gewoontewitwassen.
2.3 Valsheid in geschrifte – specifieke verweren
2.3.1 Legale herkomst
Betoogd is dat de panden zijn aangeschaft met gelden, die door de Roma gemeenschap zijn ingezameld en die vervolgens door tussenkomst van de [vereniging 5] en diverse Zweedse Roma-verenigingen in de vorm van renteloze leningen aan verdachten ter beschikking zijn gesteld. Aldus is sprake van een legale herkomst van de gelden. Van valsheid in geschrifte is dan geen sprake. In essentie kloppen de overeenkomsten immers wel degelijk. Er was hooguit sprake van een formele en geen materiële valsheid; het enkele antedateren leidt immers niet reeds tot het oordeel dat sprake is van valsheid.
2.3.2 Geen opzet c.q. oogmerk tot misleiding
Bij verdachten was geen oogmerk tot misleiding aanwezig. De familie heeft de schriftelijke bescheiden juist opgemaakt om te voldoen aan de Nederlandse wetgeving. Hiertoe werd zij van verschillende kanten geadviseerd. Van belang is tevens dat voorwaardelijk opzet op dit punt ontoereikend is.
Gesteld wordt voorts dat [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] vanuit hun positie als kind en/of vrouw geen wetenschap hadden van de valse inhoud van de documenten. Van een oogmerk tot misleiding is derhalve geen sprake.
Voorts is geen sprake van oogmerk tot misleiding, nu de Belastingdienst bekend was met de veronderstelde valsheid van de in de tenlastelegging genoemde geschriften, zodat zij niet misleid kon worden.
2.3.3 Geen gebruik
Namens enkele verdachten is aangegeven dat zij de betreffende documenten niet aan de Belastingdienst hebben verstrekt, zodat er geen sprake is geweest van gebruik in de zin van artikel 225 lid 2 Sr.
2.3.4 Geen betrokkenheid, laat staan medeplegen
Zo al sprake is van enige (relevante) betrokkenheid bij de feiten, is van een nauwe en bewuste samenwerking volgens de verdediging geen sprake.
Het voorgaande brengt met zich dat verdachten van dit onderdeel van de tenlastelegging dienen te worden vrijgesproken.
3.3.2 [adres 5]
Witwassen (tenlastegelegd aan alle verdachten uitgezonderd de Stichting)
Door de verdediging wordt gesteld dat de aankoop van het pand mede is gefinancierd middels een bedrag van € 125.000,-, afkomstig van de schadevergoeding ad € 200.000,- die [bedrijf 1] in 2005 heeft betaald inzake het pand aan de [adres 9] , waarbij eerstgenoemd bedrag in de vorm van een renteloze lening aan [medeverdachte 4] ter beschikking is gesteld. Het pand [adres 9] zou in 1995 zijn gefinancierd middels een inzameling onder de Roma, waarna de ingezamelde bedragen ad fl. 550.000,- (voor de aankoop) en fl 35.000,- (voor de verbouwing) in de vorm van renteloze leningen aan [medeverdachte 7] ter beschikking zijn gesteld.
De bronfinanciering voor de [adres 5] is derhalve gelegen in de [adres 9] .
De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 5] op 26 oktober 2005 door [medeverdachte 4] is gekocht voor een bedrag van € 197.000,- en op 16 december 2005 aan hem is geleverd. Er is een hypothecaire lening verstrekt door [bedrijf 2] ad € 85.000,-. Blijkens de notariële afrekening d.d. 16 december 2005 was de waarborgsom ad € 17.9000,- reeds betaald en resteerde een te betalen bedrag ad
€ 77.686,30. Blijkens informatie van de [bank 1] betreffende de bankrekening van [medeverdachte 4] hebben in de periode 2 november 2005 tot en met 13 december 2005 contante stortingen van (in totaal) € 101.950,- plaatsgevonden en twee overboekingen aan de notaris van (in totaal) 95.586,30 (€ 17.900,- en € 77.686,30).
Ten aanzien van de gestelde bronfinanciering van deze contante stortingen overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 7] op 8 juni 1995 voor een bedrag van fl. 227.000,- een perceel bouwgrond, gelegen tussen de [adres 9] en [adres 15] heeft gekocht, welk perceel op 20 juli 1995 aan haar is geleverd. Op dit perceel is een woning gebouwd, waartoe op 10 juni 1997 door [medeverdachte 4] een bouwvergunning is aangevraagd en op 25 juni 1997 aan hem is verleend; de geschatte bouwkosten bedroegen blijkens de aanvraag fl. 289.130,-. Rijkswaterstaat heeft het pand vanwege de omlegging van de Zuid Willemsvaart op 21 augustus 2008 van [medeverdachte 7] gekocht voor een bedrag van € 1.400.000,-.
[medeverdachte 7] beschikte ten tijde van de aankoop van het perceel in 1995 niet over inkomen; zij ontving vanaf 11 maart 2009 een uitkering. [medeverdachte 4] beschikte in de periode van 1 augustus 1994 tot 1 januari 2006 over een uitkering.
De rechtbank is mede op grond van het nadere onderzoek van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden. De rechtbank neemt daarbij, naast de hiervoor met betrekking tot het vermoeden vermelde feiten en omstandigheden, het volgende in aanmerking.
In het dossier bevinden zich kwitanties ten behoeve van de aankoop van het perceel aan de [adres 9] en ten behoeve van het daarop te bouwen pand door de aannemer. Twee getuigen, [getuige 6] en [getuige 7] , hebben verklaard geen lening te hebben verstrekt dan wel niet bekend te zijn met de lening die zij volgens de kwitanties ten behoeve van de aankoop van het perceel [adres 9] zouden hebben verstrekt. Een andere getuige, [getuige 1] , verklaart eerst dat hij zich de kwitantie c.q. betaling niet herinnert, op welke verklaring hij later weer terugkomt. De getuigen [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 10] en [getuige 11] verklaren weliswaar deel te hebben genomen aan een inzamelingsactie rond die periode, maar zijn vaag in hun verklaringen. Ofschoon dit wellicht deels kan worden toegeschreven aan het tijdsverloop, acht de rechtbank het opvallend dat, daar waar volgens getuige [getuige 11] en [getuige 10] de Roma in een rij hebben gestaan, waarbij volgens [getuige 10] zelfs sprake was van een gezelschap van 50 mensen en getuige [getuige 9] spreekt over een groep van 30 tot 40 Roma, de notaris(medewerkers) zich een dergelijk grootschalig bezoek van Zweedse Roma dan wel contant betalende mensen aan hun kantoor niet kunnen herinneren, terwijl dit geen dagelijks voorkomende situatie moet zijn geweest; aangegeven wordt ook dat het aantal van 22 kwitanties toch wel uitzonderlijk is c.q. dat sprake is van een vreemd geval. De rechtbank acht de middels kwitanties vastgelegde betalingen mitsdien niet betrouwbaar. Ook de schriftelijke verklaring van [getuige 12] d.d. 27 juli 1995, inhoudende dat hij ( [getuige 12] ) voor [medeverdachte 7] fl. 550.000,- heeft ingezameld ten behoeve van de aankoop van een pand, acht de rechtbank geenszins betrouwbaar, nu bij digitaal onderzoek op de werkplek van [getuige 2] een bestand is aangetroffen met datum 6 maart 1995, waarvan de tekst grotendeels overeenkomt met voornoemde verklaring, welk bestand evenwel eerst op 23 januari 2012 is opgemaakt, op welke datum [getuige 12] al was overleden. [getuige 2] verklaart dienaangaande ook dat hij de verklaring op verzoek van [medeverdachte 7] in januari 2012 heeft opgesteld. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van verdachten omtrent de herkomst van de gelden als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven. Dit leidt ertoe dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Nu ten aanzien van de bronfinanciering met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, dient die conclusie ook te worden getrokken ten aanzien van het pand aan de [adres 5] daar dit pand is gefinancierd middels de van die bronfinanciering afkomstige schadevergoeding. Omdat de schadevergoeding van de [bedrijf 1] aan de eigenaar van de [adres 9] ertoe strekt de eigenaar schadeloos te stellen voor de waardevermindering van haar pand vanwege de door [bedrijf 1] veroorzaakte parkeeroverlast dient deze schadevergoeding als product van een met crimineel geld witgewassen pand te worden gezien en is het daarmee middellijk van misdrijf afkomstig in de zin van art. 420 bis Sr.
Verweren witwassen
Dat in 1995 geen apart witwasartikel in het Wetboek van Strafvordering was opgenomen doet niet ter zake, nu destijds witwassen middels de helingbepalingen werd bestreden. Evenmin is tenlastelegging van de bronfinanciering - de aankoop van de [adres 9] - voor een bewezenverklaring vereist. Een beoordeling van die bronfinanciering is immers tevens mogelijk (en bovendien vereist, gelet op de verklaring van verdachten die getoetst moet worden) zonder dat dit op enigerlei wijze is tenlastegelegd.
De rechtbank is op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat zowel [medeverdachte 4] als [medeverdachte 7] bij onderhavig feit zijn betrokken, en wel in de vorm van medeplegen. Dienaangaande wordt, ook voor wat betreft het gestelde ontbreken van (voorwaardelijk) opzet, het volgende overwogen.
Zoals hiervoor is overwogen, is wat betreft de financiering van de [adres 9] en daarmee de [adres 5] sprake van een criminele herkomst van de gelden. [medeverdachte 7] heeft in 1995 het bouwperceel aan de [adres 9] gekocht en daar een woning op laten bouwen. [medeverdachte 4] heeft vervolgens het pand aan de [adres 5] gekocht met geld dat afkomstig was van de [adres 9] , dat met geld met een criminele herkomst was aangekocht.
De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging derhalve ten aanzien van [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] bewezen.
De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid ter zake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
Valsheid in geschrifte (tenlastegelegd bij [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] )
Betreffende het pand [adres 5] is ten laste gelegd als zijnde vals dan wel valselijk opgemaakt, de door [medeverdachte 4] en door [getuige 1] , als voorzitter van [vereniging 3] [afkorting] , ondertekende overeenkomst d.d. 3 oktober 2005, kort samengevat inhoudende dat [afkorting] over de schadevergoeding van [bedrijf 1] van € 200.000,- beschikt, van welk bedrag € 125.000,- in de vorm van een renteloze lening ten behoeve van de aankoop en aanbouw van het pand aan de [adres 5] aan [medeverdachte 4] ter beschikking wordt gesteld.
[getuige 1] heeft verklaard dat de vereniging niets met de leningen van doen heeft en dat deze enkel als een soort notaris fungeert. De betreffende overeenkomst is op instructie van [getuige 1] door secretaris [persoon 2] opgemaakt. Dat [getuige 1] zelf alle inzamelingen heeft geregeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig, niet alleen gezien de hoeveelheid leningen en het daarmee gemoeide geld, maar ook gezien het ontbreken van enige administratie ter zake; concrete namen van geldleners worden ook door [getuige 1] niet genoemd. Secretaris [persoon 2] verklaart ook geen van de uitleners te hebben ontmoet.
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat, indien het om een huis gaat, dit wordt besproken bij [getuige 1] , die het dan op papier zet; er is altijd door [getuige 1] ondertekend. [medeverdachte 4] geeft ook aan dat [getuige 1] hetzelfde doet als [getuige 6] , dat wil zeggen het op papier zetten van hetgeen de familie vraagt, als bewijs voor de Gajo’s (= niet-zigeuners, opmerking rechtbank).
Nu naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van verdachten omtrent de herkomst van de gelden als ongeloofwaardig terzijde dienen te worden geschoven, dient de op die verklaringen gebaseerde overeenkomst d.d. 3 oktober 2005 te worden aangemerkt als valselijk opgemaakt. De rechtbank overweegt ten overvloede nog dat deze valsheid wordt ondersteund door het gegeven dat bij de doorzoeking van het pand aan de [adres 2] een stapel conceptteksten is aangetroffen, doorgenummerd 1 tot en met 7, derhalve kennelijk één geheel vormend, welke conceptteksten zien op de aankoop van diverse panden over de periode 1995 tot en met 2010, waaronder het pand aan de [adres 5] . Naar de rechtbank uit dit geheel afleidt, zijn de concepten derhalve, ofschoon zij zien op aankopen over een periode van vijftien jaar, op een gelijktijdig moment opgesteld. Voorts is de datum van 3 oktober 2005 opmerkelijk te noemen, nu uit onderzoek bij de makelaar, bij wie het pand in de verkoop is gebracht, is gebleken dat het pand eerst vanaf 11 oktober 2005 zichtbaar is geweest voor het publiek en dat bezichtiging eerst op 13 oktober 2005 heeft plaatsgevonden, terwijl de overeenkomst bovendien nadrukkelijk al spreekt over een renteloze lening ten behoeve van de aankoop ‘van de woning in sector E n2. 2879 aan de [adres 5]’.
Verweren valsheid in geschrifte
Naar het oordeel van de rechtbank kan [medeverdachte 4] , als partij bij de overeenkomst, aan dit feit worden gekoppeld. Nu de inhoud van die overeenkomst als ongeloofwaardig terzijde moet worden geschoven, het niet anders kan zijn dan dat [medeverdachte 4] op de hoogte is geweest van de criminele herkomst en het de bedoeling is geweest die overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken respectievelijk door anderen (de Gajo’s) te doen gebruiken, is sprake geweest van het oogmerk tot misleiding. Gelet op de betrokkenheid van [getuige 1] bij de totstandkoming van de overeenkomst, is sprake van medeplegen.
Rol [medeverdachte 9]
Naar het oordeel van de rechtbank was [medeverdachte 9] ook betrokken bij dit onderdeel. De conceptdocumenten die tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] zijn aangetroffen, waaronder document nummer 3 dat betrekking heeft op de [adres 5] , zaten ook bij een factuur van [vertaalbureau] d.d. 31 oktober 2008. Uit de factuur van [vertaalbureau] van 31 oktober 2008 blijkt dat [medeverdachte 9] op 27 oktober 2008 opdracht heeft gegeven om overeenkomsten van de Roma-gemeenschap van het Nederlands naar het Zweeds te vertalen. Volgens [getuige 13] heeft hij van [medeverdachte 9] begrepen dat de familie ook zelf de overeenkomsten opstelde en is op verzoek van [medeverdachte 9] de betreffende Nederlandse tekst op dezelfde bladzijde als de Zweedse vertaling opgenomen. Nu [medeverdachte 9] verantwoordelijk was voor de vertaling van de conceptovereenkomst van het Nederlands naar het Zweeds en, zoals hiervoor reeds is overwogen, wordt aangemerkt als de boekhouder van de familie die weet hoe alles gaat binnen de familie en één van de personen is die de beslissingen neemt binnen de familie, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking met betrekking tot het valselijk opmaken van de overeenkomst van 3 oktober 2005. De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 9] dit onderdeel mede heeft gepleegd.
De rechtbank acht dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen ten aanzien van:
- [medeverdachte 4] en [medeverdachte 9] , voor wat betreft alle vier de documenten;
- [medeverdachte 7] , voor wat betreft de onder 1 en 2 genoemde documenten en
- [medeverdachte 6] , voor wat betreft het onder 4 genoemde document.
De overige verdachten dienen, bij gebreke van wettig en overtuigend bewijs van hun betrokkenheid terzake, van dit onderdeel te worden vrijgesproken.
3.3.7 [adres 3]
Witwassen (alle verdachten uitgezonderd SHR)
Door de verdediging is aangevoerd dat de aankoop van het pand aan de [adres 3] is gefinancierd middels een hypothecaire lening van [bedrijf 3]
€ 180.000,- alsmede een lening van [vereniging 2] ad € 141.000,-.
De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 5] bij schriftelijke koopovereenkomst d.d. 5 september 2007 het pand aan de [adres 3] voor € 285.000,- heeft gekocht. Hij diende uiterlijk op 1 oktober 2007 een waarborgsom ad € 28.500,- onder de notaris te storten. Levering vond plaats op 30 november 2007. De koopsom is deels (€ 164.233,-) gefinancierd via een hypothecaire geldlening van [bedrijf 3] en is deels (€ 140.200,-) voldaan door stortingen onder de notaris vanaf de bankrekening van [medeverdachte 5] in de periode september – november 2007. In diezelfde periode heeft [medeverdachte 5] contante stortingen op zijn eigen bankrekening verricht tot een beloop van € 140.550,-. Deze stortingen werden door de betrokken bankinstelling als verdachte transacties aangemerkt. [medeverdachte 5] verklaarde zelf dat hij sedert de dood van zijn vader, zo’n acht tot tien jaar geleden, geen uitkering meer ontvangt en dat hij leeft van giften van de familie, waarmee hij de hele Roma-gemeenschap uit [plaatsnaam] en [plaatsnaam] bedoelt.
Uit het gemeentelijke bouwdossier met betrekking tot de woning blijkt dat [medeverdachte 5] voor de woning zowel een sloop- als een bouwvergunning heeft aangevraagd en verkregen. Op de bouwaanvraag wordt een geraamde bouwsom opgegeven van € 211.700,- exclusief BTW. Op 30 mei 2008 wordt door [medeverdachte 5] melding gemaakt van de start van de bouw. In een offerte van bouwmaterialenhandel [bedrijf 4] te [plaatsnaam] wordt prijsopgave gedaan voor de levering van (bouw)materialen voor een bedrag van € 41.259,42.
Mede op grond van de bevindingen uit het nadere onderzoek is de rechtbank van oordeel dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de onder de notaris gestorte gelden een legale herkomst hebben, zodat moet worden aangenomen dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden van de waargenomen feiten en omstandigheden. De rechtbank neemt daarbij, naast de hiervoor met betrekking tot het vermoeden van witwassen vermelde feiten en omstandigheden, het volgende in aanmerking
Op vordering werden van de belastingdienst de navolgende stukken ontvangen:
1. een overeenkomst tussen [getuige 2] (namens [vereniging 2] ) en [medeverdachte 5] van 17 september 2007, waarin wordt vermeld dat [vereniging 2] en de Romagemeenschap in Zweden zijn overeengekomen om geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen aan [medeverdachte 5] ten bedrage van € 141.000,- ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 3] . De overeenkomst is opgemaakt in het Zweeds en ondertekend door [getuige 2] en [medeverdachte 5] en was voorzien van een Nederlandse vertaling. Uit de op vordering van [vertaalbureau] verkregen gegevens blijkt dat [medeverdachte 5] op 17 april 2008 opdracht heeft gegeven om de overeenkomst van het Zweeds naar het Nederlands te vertalen.
2. een overeenkomst tussen [getuige 2] (namens [vereniging 2] ) en [medeverdachte 5] van 11 december 2007, waarin wordt vermeld dat [vereniging 2] en de Romagemeenschap in Zweden zijn overeengekomen om geld in te zamelen en een renteloze lening toe te kennen aan [medeverdachte 5] ten bedrage van € 140.000,- ten behoeve van de bouw van het pand aan de [adres 3] . [medeverdachte 5] is verplicht om de huidige overeenkomst met eerdere overeenkomsten inzake leningen samen te brengen en zich te houden aan alle verplichtingen en afspraken uit de overeenkomst van 17 september 2007. De overeenkomst is opgemaakt in het Zweeds en ondertekend door [getuige 2] en [medeverdachte 5] en was voorzien van een Nederlandse vertaling. Uit de op vordering van [vertaalbureau] verkregen gegevens blijkt dat [medeverdachte 9] op 18 januari 2011 opdracht heeft gegeven om de overeenkomst van het Zweeds naar het Nederlands te vertalen.
3. een notariële schuldbekentenis d.d. 30 november 2007, waarin [medeverdachte 5] verklaart dat hij van [vereniging 2] een bedrag van € 140.200,- heeft geleend. De lening is voor onbepaalde tijd, renteloos en aflossingsvrij tenzij de woning wordt verkocht en met de opbrengst geen nieuwe woning wordt gekocht. De schuldbekentenis is eenzijdig getekend door [medeverdachte 5] en niet voorzien van een goedschrift. Dit bedrag sluit exact aan op het bedrag dat [medeverdachte 5] volgens de nota van afrekening zelf diende te betalen (€ 28.500,- + € 111.700,-) , bovenop de door [bedrijf 3] gefourneerde hypothecaire geldlening.
4. De beëdigde vertaling van een in de Zweedse taal gestelde verklaring van [getuige 3] van 10 september 2007, waarin deze verklaart dat hij op verzoek van de Roma-gemeenschap € 141.000,- heeft ingezameld, door [medeverdachte 5] te gebruiken voor de aankoop van een pand. Uit de van [vertaalbureau] verkregen gegevens blijkt dat [medeverdachte 9] op 17 februari 2012 opdracht heeft gegeven tot vertaling van deze verklaring van het Zweeds naar het Nederlands.
5. De beëdigde vertaling van een in de Zweedse taal gestelde verklaring van [getuige 3] van 3 december 2007, waarin deze verklaart dat hij op verzoek van de Roma-gemeenschap € 140.000,- heeft ingezameld, door [medeverdachte 5] te gebruiken voor de bouw van een pand. Uit de van [vertaalbureau] verkregen gegevens blijkt dat [medeverdachte 9] op 17 februari 2012 opdracht heeft gegeven tot vertaling van deze verklaring van het Zweeds naar het Nederlands.
De rechtbank stelt vast dat de aangevoerde verklaring omtrent de herkomst van de gelden waarmee de woning aan de [adres 3] is gekocht geen zelfstandige steun vindt in de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] en dat deze verklaringen, ook gezien de hierna te noemen tegenstrijdigheden, ongerijmdheden en ontbrekende details, geen geloof verdienen.
[getuige 2] verklaart immers dat [vereniging 4] nimmer geld heeft uitgeleend aan de familie, maar dat zij slechts betrokken is bij de vastlegging ervan. Hij verklaart verder dat hij op papier zette en ondertekende wat hem werd opgedragen. [getuige 3] verklaart dat hij niet zelfstandig geld heeft ingezameld maar dat hij behulpzaam is geweest bij inzamelingen van zijn vader via de kerk. Tijdens de collecte wordt verteld voor welke familie de opbrengst bestemd is. [getuige 3] heeft de verklaringen op verzoek van [medeverdachte 5] ondertekend nadat [medeverdachte 5] hem eerst de situatie had uitgelegd.
Desgevraagd kon [getuige 2] geen specifieke details geven met betrekking tot de wijze van inzamelen of de personen die daarbij betrokken waren. Hij gaf aan dat hij heeft vertrouwd op de juistheid van de informatie die hem door de familie [achternaam] werd verstrekt.
Gelet op al het vorenoverwogene acht de rechtbank dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen voor wat betreft:
- de stortingen door [verdachte] /de Stichting op [bankrekeningnummer 1] van de Stichting en wel tot het ten laste gelegde bedrag van in totaal € 366.975, waarbij sprake is van medeplegen met [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2]
- de stortingen van in totaal € 88.889,78 door [medeverdachte 9] op [bankrekeningnummer 14] en op [bankrekeningnummer 16] ;
- de stortingen van in totaal € 217.797,34 door [medeverdachte 4] op [bankrekeningnummer 7] en op [bankrekeningnummer 8] ;
- de stortingen van in totaal € 193.691,14 door [medeverdachte 5] op [bankrekeningnummer 9] en op [bankrekeningnummer 16] ;
- de stortingen van in totaal € 107.050,- door [medeverdachte 8] op [bankrekeningnummer 18] en op [bankrekeningnummer 13] ;
- de stortingen van in totaal € 17.610,- door [medeverdachte 6] op [bankrekeningnummer 10] ;
- de stortingen van in totaal € 33.695,- door [medeverdachte 7] op [bankrekeningnummer 11] en op [bankrekeningnummer 12] .
Ten aanzien van de overige verdachten c.q. stortingen - te weten wat betreft [medeverdachte 3] , de stortingen op de eigen rekening van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] en de stortingen op de en/of-rekening van [verdachte] - dient, zoals hiervoor reeds is overwogen, vrijspraak te volgen.
Voor betrokkenheid in de vorm van medeplegen anders dan hiervoor overwogen acht de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden.
3.7 Context sociaal-culturele achtergrond
De verdediging heeft aangevoerd dat de in dit dossier waargenomen feiten en omstandigheden dienen te worden bezien tegen de sociaal-culturele achtergrond en historie van de familie en de etnische groep waartoe zij zich rekenen.
De rechtbank wil zonder meer aannemen dat het binnen de Roma-gemeenschap goed gebruik is om elkaars noden te lenigen, zoals bij ziekte, ongeval, overlijden of andere in het persoonlijke leven ingrijpende gebeurtenissen die iemand hulpbehoevend achter kunnen laten. Deze cultuur van onderlinge steun en hulp is daarin ook niet uniek te noemen en kan ook bij andere (etnische of anderszins in sociaal-cultureel of religieus opzicht afgebakende) groepen worden aangetroffen. De rechtbank is echter van oordeel dat de in de onderhavige zaak beweerdelijk verleende ‘bijstand’ voornoemd bestek van ‘lenigen van noden’ verre te buiten gaat, in aanmerking nemende enerzijds de omvang van de verleende ‘bijstand’ en anderzijds de besteding van de – beweerdelijk aldus verkregen – middelen. De bevindingen uit het onderzoek [naam onderzoek] hebben ook op geen enkele wijze steun opgeleverd voor deze door verdachten aangedragen verklaring omtrent de herkomst van de middelen.
3.8 Bijstandsfraude
[verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2]
Verdachten hebben ieder voor zich gedurende de in de tenlastelegging genoemde periode een uitkering genoten ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW) respectievelijk de Wet Werk en Bijstand (WWB). Verdachten wordt onder meer verweten dat zij in de tenlastegelegde periode opzettelijk hebben nagelaten om de gemeente op de hoogte te stellen van het feit dat zij, al dan niet samen met de Stichting, onroerend goed in bezit hebben gehad. Daarbij gaat het om de panden aan de [adres 1] en [adres 13] . [verdachte] wordt verweten dat hij ook het aankopen en/of financieren van de [adres 6] heeft verzwegen, terwijl [medeverdachte 10] ook wordt verweten dat hij het bezit van de woning aan de [adres 16] heeft verzwegen. Daarnaast wordt [verdachte] en [medeverdachte 2] verweten dat zij de ontvangst van schade-uitkeringen hebben verzwegen; [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] zouden ook hebben verzwegen dat zij stortingen op bankrekening hebben ontvangen.
Met betrekking tot de [adres 1] overweegt de rechtbank als volgt.
Vast staat dat [persoon 8] de woning aan de [adres 1] gekocht heeft op 15 november 1988 voor fl. 500.000,-. [verdachte] staat vanaf 22 augustus 1989 op dit adres ingeschreven. [medeverdachte 10] staat eveneens sedert deze datum op dit adres ingeschreven tot 25 juni 1997. [medeverdachte 2] is op het adres ingeschreven geweest van 13 december 1994 tot 22 mei 1995 en vervolgens sedert 13 juli 2001.
Op 1 september 2001 is de Stichting opgericht met [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] als bestuurders. Op 12 december 2001 verkrijgt de Stichting (vertegenwoordigd door [verdachte] ) door levering de woning aan de [adres 1] van [persoon 8] in eigendom voor een koopsom van fl. 1.250.000,-welke koopprijs tussen koper en verkoper is verrekend.
In het kader van het opsporingsonderzoek [naam onderzoek] , betrekking hebbend op vermeende witwasfeiten waarbij (leden van) de familie [achternaam] betrokken zouden zijn is specifiek onderzoek gedaan naar de woning [adres 1] . In dat verband zijn in beslag genomen een overeenkomst tussen [getuige 2] namens [vereniging 4] en [persoon 8] van 10 januari 2000 en een overeenkomst tussen [getuige 2] namens [vereniging 4] en de Stichting, vertegenwoordigd door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] van 27 november 2001. Voorts is in beslag genomen een verklaring van [getuige 2] van 6 december 2006. Volgens deze laatste verklaring zou de woning aan de [adres 1] gekocht zijn door [persoon 8] met geld van de leden van de Romagemeenschap, terug te betalen bij verkoop. Sinds het vertrek van [persoon 8] in 1989 zouden andere Roma het pand hebben bewoond. De woning is in 2001 verkocht aan de Stichting. Daarbij werd de koopsom verrekend met de verplichting om bij doorverkoop van het pand de opbrengst af te dragen aan [vereniging 2] . Dit zou zijn goedgekeurd door de Roma die het geld hadden verstrekt.
Uit de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek naar de onder [getuige 2] te Zweden in beslag genomen digitale bestanden blijkt:
- dat de op deze overeenkomsten betrekking hebbende tekstbestanden zijn gemaakt (‘createdOn’) op 6 december 2006;
- dat deze datum samenvalt met een reis van (leden van) de familie [achternaam] naar Zweden;
- dat de overeenkomsten zijn gesteld op naam van ‘ [vereniging 4] ’, maar in de voettekst de naam ‘ [vereniging 2] ’ wordt vermeld, terwijl [vereniging 4] haar naam pas in 2005 wijzigde in [vereniging 2] ;
- dat bij de organisatiegegevens van [vereniging 4] verwezen wordt naar een organisatienummer dat pas in 2004 aan [vereniging 4] werd toegekend.
Uit de verklaringen van [getuige 2] blijkt dat deze voornoemde stukken heeft opgesteld op verzoek van [persoon 8] respectievelijk [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] en dat zij eenzijdig de inhoud ervan hebben bepaald. Dat gold ook voor de datum die onder de stukken moest komen te staan. [getuige 2] ging af op de juistheid van de informatie die hem werd verstrekt maar controleerde dat niet. [getuige 2] weet niet waar het geld vandaan komt waarover in de stukken wordt gesproken en wie dat geld heeft verstrekt. [getuige 2] is niet bekend met het bestaan van een administratie dienaangaande; hij gaat er van uit dat de ‘leners’ daar voor zorgen. [getuige 2] verklaarde verder dat weliswaar op papier was gezet dat [vereniging 4] het beheer van het pand aan de [adres 1] zou overnemen, maar dat dat feitelijk nooit gebeurde. Hij wist ook niet waar de betreffende overeenkomst voor werd gebruikt.
Samengevat levert dit het volgende beeld op:
Beschikbaar: hypothecaire geldlening [persoon 3] € 50.000,-
Geldlening/overboeking [getuige 14] € 8.999,-
Geldlening/overboeking [medeverdachte 4] € 9.000,-
Overboeking [persoon 4] € 7.680,65
Geldlening [persoon 5] € 9.000,-
Geldlening [persoon 6] € 4.000,-
Geldlening [persoon 7] € 4.000,-
Geldlening [vereniging 3]
€ 52.000,- (25.000,- + 27.000,-)
€ 144.679,65
Weliswaar is de eenzijdig door [getuige 1] ondertekende overeenkomst van 4 april 2005 ter zake een geldlening van € 27.000,- niet door [medeverdachte 7] ondertekend (en valt in zoverre niet met zekerheid te zeggen dat deze ook betrekking heeft op daadwerkelijk uit dien hoofde verstrekte gelden) doch komt deze overeenkomst wel terug in de hiervoor genoemde overeenkomst van 3 oktober 2005, waarbij [vereniging 3] € 25.000,- leent ter aflossing van de hypothecaire schuld aan [persoon 3] . Aan het slot van deze overeenkomst wordt immers vastgesteld dat de totale schuld van [medeverdachte 7] ter zake de [adres 4] daarmee uitkwam op € 52.000,-, daarmee impliciet verwijzend naar de overeenkomst van 4 april 2005.
Uit de verklaring van [medeverdachte 4] zou kunnen worden afgeleid dat de door hem, [medeverdachte 3] en [getuige 14] gestorte bedragen via de stichting (naar de rechtbank begrijpt: [vereniging 3] ) zijn uitgeleend, maar dan blijft het (aldus) verantwoorde bedrag in verband met de leningen van [persoon 5] en [persoon 6] nog steeds significant hoger (ruim € 18.000,-) dan het benodigde bedrag, nog daargelaten dat deze verklaring zich niet laat verenigen met de twee ‘bewijzen van geldlening’. Bovendien staat deze verklaring van [medeverdachte 4] op gespannen voet met de verklaring van [getuige 1] waaruit valt op te maken dat er € 52.000,- aan [medeverdachte 7] was uitgeleend en dat dit geld door [getuige 1] in een aantal dagen werd ingezameld vanaf Gothenburg tot Lund.
De rechtbank is overigens van oordeel dat ook de hiervoor besproken overeenkomsten van geldlening met [vereniging 3] geen verklaring opleveren voor de herkomst van de middelen waarmee de aankoop van de [adres 4] is bekostigd. Bij deze stukken c.q. verklaring zijn immers, los van hetgeen hiervoor is verwogen, een aantal kanttekeningen te plaatsen die met zich brengen dat de in deze stukken gesuggereerde herkomst van de gelden als volstrekt onaannemelijk van de hand moet worden gewezen.
Zo valt met betrekking tot de geldlening van [vereniging 3] d.d. 3 oktober 2005 op te merken dat de overeenkomst erover spreekt dat [vereniging 3] € 25.000,- heeft ingezameld en dat zij dit bedrag renteloos aan [medeverdachte 7] uitleent. [medeverdachte 4] heeft echter meermalen tegenover de politie verklaard dat de € 25.000,- waarmee de hypothecaire geldlening van [persoon 3] werd afgelost afkomstig was van de schadevergoeding die [bedrijf 1] aan [medeverdachte 7] had uitgekeerd en dat dit geld toebehoorde aan de Roma-gemeenschap.
Voorts wordt gewezen op het feit dat hiervoor reeds met betrekking tot de woning aan de [adres 5] is vastgesteld dat de aankoop van de woning aan de [adres 9] heeft plaatsgevonden met geld dat middels misdrijf was verkregen. Nu de schadevergoeding van de [bedrijf 1] aan de eigenaar van de [adres 9] ertoe strekt de eigenaar schadeloos te stellen voor de waardevermindering van haar pand vanwege de door [bedrijf 1] veroorzaakte parkeeroverlast, dient deze schadevergoeding als product van een met crimineel geld witgewassen pand te worden gezien en is daarmee middellijk van misdrijf afkomstig in de zin van art. 420 bis Sr.
Verder acht de rechtbank, zoals hiervoor reeds is overwogen, de verklaringen van [getuige 1] met betrekking tot de door hem georganiseerde inzamelingen en ter zake namens [vereniging 3] opgemaakte overeenkomsten en verklaringen ongeloofwaardig, aangezien [getuige 1] in slechts algemene bewoordingen verklaart met betrekking tot de door hem georganiseerde inzamelacties, geen namen van donateurs weet te noemen, gevraagd naar concrete details zegt zich deze niet te herinneren en verwijst naar administratie die niet (meer) beschikbaar is en voorts in zijn verklaring niet wordt ondersteund door andere getuigen, zoals [persoon 2] die, anders dan [getuige 1] stelde, verklaarde niet betrokken te zijn geweest bij de opstelling van stukken met betrekking tot de [adres 4] .
Ten slotte overweegt de rechtbank dat aan haar overtuiging - dat de gelden waarmee de [adres 4] is aangekocht afkomstig zijn van misdrijf - in niet onbelangrijke mate heeft bijgedragen de hierna te bespreken betrokkenheid van verdachten bij het valselijk opmaken van stukken die de kennelijke strekking hebben om die criminele herkomst te verhullen.
Verweren witwassen
De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] bij onderhavig feit zijn betrokken, en wel in de vorm van medeplegen. Dienaangaande wordt, ook voor wat betreft het gestelde ontbreken van (voorwaardelijk) opzet het volgende overwogen.
Gelet op de verklaring van [medeverdachte 4] dat hij de aankoop van de [adres 4] in 2005 en 2009 regelde en de hiervoor vermelde conclusie dat dit met geld van criminele herkomst is gefinancierd, is daarmee ook het opzet gegeven.
Het verweer van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] dat zij niet bekend waren met het feit dat het geld waarmee zij de [adres 4] in 2005 respectievelijk 2009 kochten van misdrijf afkomstig was wordt verworpen. Voor wat betreft [medeverdachte 7] verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor dienaangaande heeft overwogen bij het pand [adres 5] . Hetgeen daar is overwogen geldt mutatis mutandis voor [medeverdachte 6] die immers, net als [medeverdachte 7] , zonder dat hij de beschikking had over eigen inkomsten, in het kader van de aankoop van het erfpachtrecht aan de [adres 4] verplichtingen is aangegaan zonder een gedegen onderzoek naar de herkomst van de ter zake ter beschikking gestelde (fictieve) financiering. Dit gegeven, in combinatie
met de hierna nog te bespreken actieve betrokkenheid bij de valselijk opgemaakte overeenkomsten van 3 oktober 2005 en 14 april 2009 leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] op de hoogte moeten zijn geweest van de criminele herkomst van de gelden. Gelet op de wezenlijke en significante (zelfs onmisbare) rol die [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] hebben gespeeld bij de aan- en verkoop van de [adres 4] en bij de totstandkoming van stukken om de criminele herkomst van de financiering ervan te verhullen is sprake van de voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking.
Rol [medeverdachte 9]
Ook ten aanzien van [medeverdachte 9] is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op zijn intellectuele rol bij het plegen van de feiten. [medeverdachte 9] heeft de meeste opdrachten tot vertaling van de overeenkomsten/verklaringen aan [vertaalbureau] gegeven, waaronder een tweetal conceptversies betreffende leningen aan [medeverdachte 7] ten behoeve van de [adres 4] .
[getuige 2] ontkende aanvankelijk dat de door hem opgestelde overeenkomsten en verklaringen waren geantedateerd maar gaf later, nadat hij werd geconfronteerd met de bevindingen uit het digitale onderzoek naar de onder hem inbeslaggenomen computerbestanden, schoorvoetend toe dat de stukken op een latere datum waren opgemaakt dan de datum die op de stukken vermeld stond.
De verklaring van [getuige 3] is afwijkend van hetgeen hij eerder tegenover de (Zweedse) politie verklaarde op 4 april 2012. In deze verklaring is [getuige 3] veel algemener en vager wat betreft zijn betrokkenheid bij inzamelingen voor de [achternaam] -familie. Hij had via zijn vader gehoord dat [medeverdachte 5] geld nodig had om een huis te bouwen of kopen. [getuige 3] weet niet of het om een lening of een gift ging. [getuige 3] is behulpzaam geweest bij de inzameling en heeft het geld dat hij collecteerde tijdens de preken van zijn vader in Zweden of elders in Europa aan zijn vader gegeven. Dat gebeurde in de valuta van het land waar werd gecollecteerd. [getuige 3] weet niet hoe het geld aan [medeverdachte 5] werd overgedragen. Hij herinnert zich wel dat [medeverdachte 5] zijn vader in Zweden bezocht en het ingezamelde geld van zijn vader kreeg. Volgens [getuige 3] is er nog meer geld voor [medeverdachte 5] ingezameld tijdens collectes, maar [getuige 3] is daar niet bij betrokken geweest. De verklaringen die [getuige 3] heeft getekend zijn door zijn vader opgesteld; [getuige 3] heeft die op verzoek van zijn vader getekend. De inhoud van de verklaringen werden door [getuige 3] uit respect voor zijn vader niet in twijfel getrokken; hij vertrouwde op de juistheid ervan.
Verder kan op basis van de stukken en verklaringen niet worden vastgesteld dat de inzamelingen waarover [getuige 3] verklaart betrekking hebben op dezelfde bedragen als die welke genoemd worden in de overeenkomsten met [vereniging 2] . De verklaring van [medeverdachte 5] duidt er op dat het in de verklaring van 10 september 2007 genoemde, door [getuige 3] ingezamelde bedrag los moet worden gezien van de overeenkomst met [vereniging 4] . Elders echter verklaart [medeverdachte 5] dat het van [vereniging 4] geleende geld door de pastoor uit Zweden is ingezameld en naar Nederland gebracht. Waar [medeverdachte 5] aanvankelijk en bij herhaling verklaarde dat het geld door de pastoor alleen naar Nederland was gebracht, verklaarde hij later dat het geld door de pastoor en zijn zoon naar Nederland werd gebracht. Weer later zou het geld door [getuige 3] aan hem zijn betaald. [getuige 2] zou weten dat hij het geld van [getuige 3] had geleend. Evenmin is duidelijk geworden of de (eenzijdige) schuldbekentenis van [medeverdachte 5] ten gunste van [vereniging 2] betrekking heeft op één van de in de overeenkomsten met deze stichting genoemde geldleningen. Indien dat het geval is dan valt niet te begrijpen waarom (aanvullend hierop) nog overeenkomsten moesten worden opgesteld die, naar hierna zal worden overwogen, waren geantedateerd.
Op grond van de stukken bestaat voorts de indruk dat er een (veel) groter bedrag verantwoord wordt dan gezien de koopsom en de in de bouwaanvraag opgegeven bouwsom nodig was en waarover [medeverdachte 5] verklaart:
Beschikbaar: - overeenkomst 17-9-2007 € 141.000,-
- verklaring [getuige 3] 10-9-2007 € 141.000,-
- schuldbekentenis 30-11-2007 € 140.200,-
- verklaring [getuige 3] 3-12-2007 € 140.000,-
- overeenkomst 11-12-2007
€ 140.000,-
totaal € 702.200,-
[medeverdachte 5] heeft geen (bevredigende) verklaring verschaft die duidelijk maakt hoe deze stukken zich tot elkaar verhouden.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat aan haar overtuiging, dat de gelden waarmee de [adres 4] is aangekocht afkomstig zijn van misdrijf, in niet onbelangrijke mate heeft bijgedragen de omstandigheid dat - naar hierna zal worden overwogen - stukken valselijk zijn opgemaakt in een kennelijke poging om de criminele herkomst te verhullen van de middelen waarmee de aankoop en nieuwbouw van de woning aan de [adres 3] is betaald.
Verweren witwassen
Nu de juistheid van de aangevoerde verklaring voor de herkomst van de gelden wordt verworpen en [medeverdachte 5] degene is geweest die het door hemzelf te betalen deel van de koopsom onder de notaris heeft gestort, is daarmee ook, gegeven de conclusie dat dit geld dus een criminele herkomst moet hebben, het opzet gegeven. De premisse die aan het verweer met betrekking tot het ontbreken van opzet ten grondslag ligt (namelijk dat het geld uit Zweden afkomstig is) is hiervoor reeds door de rechtbank verworpen. In het licht van de hierna te bespreken betrokkenheid van [medeverdachte 5] bij de valselijk opgemaakte overeenkomsten en verklaringen geeft [medeverdachte 5] er blijk van zich bewust te zijn geweest van de omstandigheid dat de aankoop en nieuwbouw van de [adres 3] [adres 4] gefinancierd was met gelden van criminele herkomst, gelet op de kennelijke strekking van de valselijk opgemaakte stukken om die herkomst te verhullen.
Verder is met betrekking tot het tenlastegelegde gebruik in feit 1 onder c van de tenlastelegging onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bij art. 420 bis WvSr. aangevoerd dat geen sprake is van gebruik door een (schijn)onderneming en dat er (dus) geen sprake is van gebruik in de zin van de strafbepaling. Dat verweer wordt verworpen reeds nu het steunt op slechts een in de Memorie van Toelichting genoemd voorbeeld waaruit ‘gebruik’ in de zin van de betreffende witwasbepaling zou kunnen bestaan. Bij dit gebruik maken gaat het ‘om het op een of andere wijze aanwenden van het betrokken voorwerp ten behoeve van de witwasser zelf of ten behoeve van derden. Het heeft een element van profijttrekking in zich”.
[medeverdachte 5] heeft met betrekking tot het gebruik nog verklaard dat de kosten van de woning betaald worden door de familie [achternaam 2] die in de woning verblijven. Zij storten dit geld op de bankrekening van [medeverdachte 5] . Van die rekening wordt de hypotheek en de andere kosten van de woning betaald. Volgens het GBA staan op het adres [adres 3] zes personen ingeschreven. [medeverdachte 5] verklaarde zelf ook soms op dit adres te verblijven. Deze feiten en omstandigheden ten aanzien van het gebruik van de woning leveren ‘gebruik’ in de zin van de aangehaalde wetsbepaling op: verdachte verblijft niet alleen zelf met enige regelmaat in de woning maar laat de woning ook gebruiken door derden, die hem daarvoor betalen. Zowel dit eigen gebruik alsook het gebruik door derden draagt elementen van profijttrekking.
Rol [medeverdachte 9]
Ook ten aanzien van [medeverdachte 9] is de rechtbank van oordeel dat sprake is van medeplegen, gelet op zijn intellectuele rol bij het plegen van de feiten. [medeverdachte 9] heeft de meeste opdrachten tot vertaling van de overeenkomsten aan [vertaalbureau] gegeven, waaronder de vertaling Zweeds-Nederlands van de hiervoor onder 2, 4 en 5 genoemde, hierna als valselijk opgemaakt aan te merken documenten. Deze vertaling is cruciaal voor het beoogd gebruik in de richting van de (Nederlandse) belastingdienst. [getuige 13] , directeur van het vertaalbureau, heeft verklaard dat hij hoofdzakelijk contact had met [medeverdachte 9] .
Volgens de verklaring van laatstgenoemde zou [verdachte] namens de Stichting tijdens een conferentie in Parijs in 2006 een aanvraag hebben ingediend om in Rosmalen een centrum voor Roma te openen. [vereniging 6] zou medewerking hebben toegezegd; het geheel zou niet meer dan € 400.000,- mogen kosten. Daartoe zou geld zijn ingezameld bij verschillende christelijke Roma-gemeenschappen. De hoogte van de (als geldlening) ter beschikking gestelde bedragen is onbekend omdat er geen aantekeningen van zijn bijgehouden. [vereniging 6] zou de uitvoering van een en ander in handen hebben gelegd van [getuige 15] , die in oktober 2008 zou hebben verklaard dat het bedrag bijeen was gebracht, waarna hij en [verdachte] opdracht kregen om een geschikt pand uit te kiezen waar Roma families elkaar kunnen ontmoeten, samen kunnen bidden en ook overnachten. Uiteindelijk bleek het pand aan de [adres 13] het meest geschikt voor de oprichting van een Roma centrum. [getuige 15] bevestigt – in algemene bewoordingen – dat hij aanwezig was bij de bijeenkomst in Parijs in 2006, dat toen gesproken is over de aankoop van een pand, dat er tijdens [vereniging 6] -bijeenkomsten geld voor dit doel werd ingezameld en dat hij aanwezig was bij de overdracht van het geld.
De rechtbank begrijpt dat met deze verklaring niet beoogd wordt om een nieuwe, alternatieve verklaring te verschaffen met betrekking tot de herkomst van het geld waarmee de [adres 13] is aangeschaft, maar dat deze verklaringen zouden passen in de eerder door verdachten verschafte verklaring en de ter schraging daarvan gepresenteerde overeenkomst. De rechtbank stelt evenwel vast dat deze verklaringen op geen enkele wijze in verband staan met de tot nog toe door verdachten gepresenteerde verklaring omtrent de herkomst van het geld. Geen van verdachten heeft het in zijn verklaringen over [vereniging 6] dan wel de aankoop van een Roma-centrum. De organisatie [vereniging 6] noch de daarbij betrokken personen worden genoemd, terwijl verdachten evenmin spreken over de aankoop van de [adres 8] teneinde daar een sociaal-cultureel-religieus centrum voor Roma te vestigen, hetgeen ook niet in overeenstemming lijkt met de bestemming van het pand ten tijde van de aankoop (woning) noch met het huidige feitelijke gebruik. De enige die [vereniging 6] noemt is [getuige 2] in zijn (laatste) verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris op 3 december 2014, waarin hij, sprekend over de rol van [vereniging 2] als notaris en over het verlenen van legitimiteit op een vraag van de verdediging of er – met [vereniging 2] vergelijkbare – organisaties in Europa zijn, verklaart dat zeven tot acht jaar geleden het kerkgenootschap [vereniging 6] is opgericht dat ook op die manier functioneert, als een soort overheid. [getuige 15] geeft evenwel niet aan dat [vereniging 6] op enigerlei wijze betrokken is bij de geldinzameling ten behoeve van de aankoop van het pand aan de [adres 8] . Verder stelt de rechtbank vast dat de verklaring van [vereniging 6] noch de verklaring van [getuige 15] relevante aanknopingspunten oplevert voor onderzoek die aansluiten bij de door verdachten verstrekte verklaring.
Omdat de feitelijke gedragingen van verdachten, optredend in hun hoedanigheid van bestuurders van de Stichting, in juridische zin aan de Stichting kunnen worden toegerekend, kan de Stichting als pleger van het feit worden aangemerkt. Deze gedragingen vallen immers binnen de invloedsfeer van de Stichting en zijn feitelijk, zo moet worden vastgesteld, door haar ook aanvaard. Gelet op de prominente rol van [verdachte] , zoals deze naar voren komt in de verklaringen van [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] en [getuige 2] , acht de rechtbank bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de Stichting. [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] hebben, als bestuurders van de Stichting en als zodanig ook optredend bij gelegenheid van de levering van het pand aan de Stichting, een wezenlijke bijdrage geleverd aan de verboden gedraging. Zij waren, volgens hun eigen verklaringen tegenover de politie, op de hoogte van de gang van zaken rondom de aankoop van het pand. Zij hebben door het ondertekenen van een – naar hierna nader zal worden overwogen – valselijk opgemaakte overeenkomst die de kennelijke strekking had om de werkelijke herkomst van de geldmiddelen te verhullen, ook blijk gegeven van hun bekendheid met de criminele herkomst ervan, mede in aanmerking nemende dat zij ermee bekend waren, althans konden zijn, dat de Stichting zelf niet in staat was om de aankoop van de [adres 8] te bekostigen. De omstandigheid dat [medeverdachte 10] , naar de verdediging stelt aan de hand van een overgelegd rapport van psychologisch onderzoek uit februari 2010, functioneert op een lichtverstandelijk beperkt niveau staat aan dit oordeel niet in de weg. Gelet op het voorgaande is sprake van medeplegen.
Rol [medeverdachte 9]
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 9] dit onderdeel (mede) heeft gepleegd. Uit de bewijsmiddelen blijkt onvoldoende van betrokkenheid van [medeverdachte 9] bij de Stichting of de door de Stichting en haar mededaders gepleegde feiten, zodat [medeverdachte 9] van dit onderdeel zal worden vrijgesproken.
De betreffende bedragen
(€ 7.641,01, € 5.244,75 en € 2.113,50) zijn, gelet op de periode waarover zij zijn ontvangen (maximaal zeven jaar) en rekening houdend met het feit dat betrokkenen gedurende (een deel van) die periode een uitkering genoten, niet zodanig dat gesproken kan worden van (een vermoeden van) witwassen. Gezien het bekende (legale) inkomen valt een legale herkomst immers niet uit te sluiten.
Gelet hierop dienen [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] en [verdachte] voor wat betreft de en/of rekening, van dat deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.
[medeverdachte 3] heeft in de betreffende periode geen stortingen gedaan - het eerste bankafschrift dateert van januari 2012 - zodat ook hij dient te worden vrijgesproken van bedoeld onderdeel.
3.6.2 Stortingen ten aanzien waarvan naar het oordeel van de rechtbank wel sprake is van witwassen
Voor wat betreft de (overige) stortingen door [verdachte] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omvang van de bedragen ( [verdachte] : € 385.965,60, [medeverdachte 9] : € 88.889,78, [medeverdachte 4] : € 217.797.34; [medeverdachte 5] € 193.691,14; [medeverdachte 8] : € 107.050,-; [medeverdachte 6] : € 17.610,-; [medeverdachte 7] : € 33.695,-), de periode waarin ze zijn ontvangen (maximaal zeven jaar; ten aanzien van [medeverdachte 6] nog geen drie jaar, te weten in de periode van 30 juli 2009 tot en met 20 maart 2012), het gegeven dat verdachten geen inkomsten hadden (de Stichting, [medeverdachte 9] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] ) dan wel een uitkering ontvingen ( [verdachte] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 7] ), en na te noemen overwegingen inzake de gestelde herkomst, sprake is van witwassen.
Voor zover de feitelijke gedragingen (stortingen) van [verdachte] zijn verricht in hoedanigheid van bestuurder van de Stichting, kunnen deze in juridische zin aan de Stichting worden toegerekend en moet de Stichting als pleger van het feit worden aangemerkt. Deze gedragingen vallen immers binnen de invloedsfeer van de Stichting en zijn feitelijk, zo moet worden vastgesteld, door haar ook aanvaard. Gelet op de prominente rol van [verdachte] , zoals deze naar voren komt in de verklaringen van [medeverdachte 10] , [medeverdachte 2] en [getuige 2] , acht de rechtbank bewezen dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging van de Stichting.
Nu feitelijk wat betreft de Stichting - gelijk hierna zal worden overwogen - sprake is van een schijnconstructie is de rechtbank van oordeel dat haar bestuurders [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] als medeplegers aan de stortingen op rekening van de Stichting kunnen worden gekoppeld.
Voor zover de herkomst van de stortingen volgens verdachten gezocht moet worden in de Zweedse geldleningen, dient deze verklaring als ongeloofwaardig terzijde te worden geschoven; de rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen zij hiervoor, bij de betreffende panden, heeft overwogen.
Voor zover de herkomst volgens verdachten gezocht moet worden in de geldleningen van de [vereniging 5] - dit betreft de bronfinanciering [adres 12] ten behoeve van de aankoop van de [adres 6] in 2003 door [medeverdachte 8] en de bronfinanciering [adres 14] ten behoeve van de aankoop van de [adres 7] in 2010 door [medeverdachte 9] - overweegt de rechtbank het volgende.
De stortingen over de periode 2005 tot en met 3 april 2012 op de rekening van [medeverdachte 8] dateren van ruim na de aankoop van de [adres 6] in 2003, zodat enig verband met de mogelijk ten behoeve van de aankoop verstrekte lening naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt.
De stortingen op de rekening van [medeverdachte 9] vinden deels reeds ruim voor de aankoop van de [adres 7] plaats; zo is in de periode van 29 januari 2005 tot en met 2 februari 2009, derhalve gedurende vier jaar, alleen al op de [bank 1] een bedrag van € 29.886,50 gestort, terwijl verdachte geen werk of uitkering had. Het betreft een regelmatig terugkerend patroon van stortingen, waarbij het laagste bedrag € 5,- en het hoogste bedrag € 1560,- bedraagt. Gezien dit reeds ruim voor de aankoop ingezette en nadien ook voortgezette patroon van stortingen, is de rechtbank van oordeel dat een verband met de aankoop van de [adres 7] ontbreekt.
Het verweer dat het enkele storten van geld niet is aan te merken als een gedraging die is gericht op het verbergen of verhullen van de criminele herkomst, dient te worden verworpen. De ter zake geldende jurisprudentie ziet immers enkel op door eigen misdrijf verkregen gelden. Dat daarvan in casu sprake is, is niet gebleken.
3.6.3 Verdachten zijn bevraagd naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen doch hebben zich op hun zwijgrecht beroepen.
De hiervoor aangehaalde onderzoeksbevindingen, bezien in samenhang met hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot de aan verdachten tenlastegelegde witwas- en vervalsingsfeiten (in het bijzonder in relatie tot het pand [adres 8] ) brengen de rechtbank tot de conclusie dat sprake is van een schijnconstructie, waarbij verdachten gebruik hebben gemaakt van een rechtspersoon (de Stichting) om de feitelijke beschikking en zeggenschap te verkrijgen over onroerend goed (woonruimte), gefinancierd met middelen waarvan moet worden aangenomen dat deze van criminele herkomst zijn, zonder dat dit gevolgen zou hebben voor hun recht op uitkering, aangezien niet zijzelf, maar de stichting waarvan zij het bestuur vormden, te boek stonden als eigenaar van het vastgoed waarover zij de feitelijke beschikking en zeggenschap hebben.
De rechtbank acht niet bewezen dat [medeverdachte 10] daarnaast ook eigenaar/bezitter is geweest van de woning aan de [adres 16] . De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 10] met enige regelmaat voorkomt in het bouwdossier van de gemeente in relatie tot bouwplannen voor dit perceel is onvoldoende om een dergelijke conclusie te kunnen trekken.
De rechtbank is van oordeel dat verdachten in strijd met de op hen ingevolge de ABW c.q. WWB rustende inlichtingenplicht hebben nagelaten om melding te maken van hun betrokkenheid bij de aankoop en het beheer van woningen aan de [adres 1] en [adres 13] . Uit de diverse stukken uit het dossier van de gemeentelijke sociale dienst van de gemeente [naam 3] blijkt dat verdachten ter zake geen opgave hebben gedaan. De enkele omstandigheid dat de gemeente op de hoogte was van het feit dat [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] bestuurders waren van de de Stichting laat onverlet dat de gemeente daarmee niet (ook) op de hoogte is gebracht van de hiervoor genoemde schijnconstructie rondom de Stichting, waardoor het feitelijk beheer en zeggenschap van verdachten over de panden (de materiele eigendom) aan het zicht onttrokken bleef.
Gelet op het feit dat sprake is van een schijnconstructie had [verdachte] de stortingen ad ruim € 360.000,- op de bankrekening van de stichting moeten melden. In het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een schijnconstructie ligt besloten dat [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] als mede-bestuurders deze stortingen ook hadden moeten melden.
[verdachte] en [medeverdachte 2] hebben evenmin opgave gedaan van de op hun rekening ontvangen schadevergoedingen, hoewel zij daartoe wel waren gehouden vanwege de mogelijke invloed daarvan op het recht op uitkering dan wel de hoogte van de uitkering.
Voor [verdachte] betreft het de uitkering ad € 25.000,- van de [naam 3] die hij in twee tranches van elk € 12.500,- ontving op 22 december 2004 en 23 december 2005 ter zake schade wegens sloopwerkzaamheden aan de woning [adres 1] . Het verweer dat de schadeloosstelling ziet op schade aan de woning, toebehorend aan de Stichting, en dat deze derhalve niet aan [verdachte] maar de Stichting toekomt moet gezien hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de rondom de Stichting opgetrokken schijnconstructie worden verworpen. Tevens heeft [verdachte] ontvangen (maar niet bij de sociale dienst opgegeven) een op 26 mei 2011 op zijn bankrekening uitgekeerde schadeloosstelling van [bedrijf 5] € 35.000,-.
Voor [medeverdachte 2] betreft het de uitkering van een schadevergoeding ad € 15.000,- van Univé eind 2004. [medeverdachte 2] heeft ten onrechte nagelaten daarvan opgave te doen; er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die dit verzuim verschoonbaar maken.
De rechtbank acht niet bewezen dat [verdachte] stortingen op (eigen) bankrekeningen heeft verzwegen en spreekt hem in zoverre vrij In het proces-verbaal wordt, onder verwijzing naar bijlage 58gesteld dat [verdachte] in 2004 een betaling van € 4.000,- van [persoon 8] heeft ontvangen en verzwegen, maar uit dossier [naam onderzoek] blijkt dat het in bijlage 58 genoemde bankrekeningnummer [bankrekening 19] op naam staat van [persoon 9] .
De rechtbank acht evenmin bewezen dat hij zijn rol in de aankoop/financiering van het pand [adres 15] heeft verzwegen. De stukken die daartoe ter onderbouwing worden aangedragen kunnen de conclusie niet schragen dat [verdachte] bij die aankoop een dusdanige rol heeft vervuld dat hij zulks bij de gemeente had dienen te melden. De rechtbank wijst er op dat zij [verdachte] hiervoor, waar het betreft zijn aandeel in het witwassen van het pand [adres 15] ook heeft vrijgesproken.
Bewijsmiddelen.
De inhoud van de in dit vonnis per feit vermelde bewijsmiddelen zijn, samen met een bewijsmiddelenoverzicht, in fotokopie aan dit vonnis gehecht en dienen als ingelast te worden beschouwd. Alles wat overbodig is voor de bewezenverklaring is daarbij door de rechtbank doorgestreept. Het bewijsmiddelenoverzicht en de fotokopieën maken deel uit van het vonnis.
De bewezenverklaring.
Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:
1. op tijdstippen in de periode van 01 januari 2005 tot en met 03 april 2012 in Nederland:
telkens tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt heeft gemaakt door van voorwerpen de herkomst te verhullen en door voorwerpen over te dragen en/of om te zetten en/of van dat/die voorwerp(en) gebruik te maken, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s),
a. in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 april 2012 een bedrag van € 366.975,- in ontvangst genomen en vervolgens in giraal geld omgezet door contante stortingen op de bankrekening ten name van [stichting 1] ( [bankrekeningnummer 1] )
c. in de periode van 1 juli 2009 tot en met 03 april 2012 in de gemeente [plaatsnaam] , het gebruik genoten van een hierna te noemen woning, te weten
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , zulks terwijl hij, verdachte en zijn mededaders wisten dat dat voorwerp -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf;
2. De rechtspersoon [stichting 1] op tijdstippen in de periode van 22 april 2009 tot en met 03 april 2012 in Nederland telkens tezamen en in vereniging met anderen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt door van voorwerpen de herkomst te verhullen en door voorwerpen over te dragen en om te zetten, immers hebben zij, [stichting 1] , en haar mededaders,
a. in de periode van 22 april 2009 tot en met 26 juni 2009 telkens geldbedragen, tot een totaal bedrag van ongeveer € 366.975,- in giraal geld omgezet door contante stortingen op [bankrekeningnummer 15] t.n.v. [stichting 1] ten behoeve van de aankoop van het woonhuis staande en gelegen aan [adres 8] , en
b.
op 01 juli 2009 de hierna te noemen woning op naam verkregen:
- een woonhuis staande en gelegen aan de [adres 8] , aangekocht voor een geldbedrag van 345.000,-- en op 1 juli 2009 notarieel overgedragen en geleverd aan en verkregen door [stichting 1] , zulks terwijl zij, [stichting 1] en haar mededaders telkens wisten dat die voorwerpen -onmiddellijk of middellijk- afkomstig waren uit enig misdrijf,
aan welke verboden gedragingen hij, verdachte, telkens feitelijk leiding heeft gegeven;
4. De rechtspersoon [stichting 1] in de periode van 23 november 2009 tot en met 03 april 2012 in Nederland en/of in Zweden tezamen en in vereniging met anderen een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers hebben de [stichting 1] en haar mededaders in strijd met de waarheid navolgend geschrift opgemaakt en/of doen opmaken:
- een geschrift, opgesteld in de Zweedse taal gedateerd 14-4-2009, inhoudende de mededeling dat [stichting 1] , [vereniging 2] en de Roma gemeenschap het volgens overeenkomst eens zijn over:
- het beheer van de [stichting 1] door [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2] ;
- dat de Roma gemeenschap 367.000,-- heeft verzameld welk geld renteloos wordt geleend aan [stichting 1] voor de aankoop van het woonhuis aan de [adres 13] ;
- dat de [stichting 1] zich verplicht om Roma toe te laten die behoeftig zijn om zich in het woonhuis te vestigen en het woonhuis te beheren en te onderhouden; en
- bij verkoop van het woonhuis de opbrengst over te dragen aan de Roma gemeenschap in het geval geen andere aankoop wordt gedaan.
Ondertekend te Helsingborg op 14 april 2009 door [getuige 2] , [verdachte] , [medeverdachte 10] en [medeverdachte 2]
zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken, aan welke verboden gedraging hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.
5. in de periode van 01 januari 2002 tot en met 31 maart 2012 in de gemeente
's -Hertogenbosch in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde
verplichting, te weten de verplichting ingevolge artikel 65 van de Algemene bijstandswet en/of artikel 17 van de Wet werk en bijstand om aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch op verzoek en/of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand,
opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten de hem, verdachte, verstrekte uitkering (bijstand) op grond van de Algemene Bijstandswet en/of Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, immers heeft hij, verdachte, op de hem verstrekte rechtmatigheids- en/of
rechtmatigheidonderzoekformulieren Abw en/of rechtmatigheidonderzoekformulieren WWB en/of formulieren Langdurigheidstoeslag en/of anderszins onverwijld uit eigen beweging aan (een uitvoeringsorgaan van) voormeld college en/of de gemeente [naam 3] geen gegevens verstrekt omtrent het (al dan niet tezamen en in vereniging met de [stichting 1] en/of een of meer anderen) in bezit hebben van
onroerend goed (waaronder de woningen [adres 1] en [adres 13] ) ben het ontvangen van stortingen op rekening en en schadeuitkeringen
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
Verweren strafbaarheid van het feit en van verdachte
Ook voor wat betreft de hierna te bespreken strafbaarheid van het feit en van de verdachte hebben de raadslieden, voor zover zij dergelijke verweren niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, zich aangesloten bij de namens de medeverdachten gevoerde verweren. De rechtbank beschouwt de gevoerde verweren derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit het betreffende verweer zelf blijkt dat het uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin het is gevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij de verweren in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter.
De strafbaarheid van het feit.
Uitvoering ambtelijk bevel
Namens verdachte is een beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond van artikel 43 Sr. Volgens de verdediging dienen de vorderingen van de Belastingdienst op grond van artikel 47 AWR te worden aangemerkt als een ambtelijk bevel, gegeven door het daartoe bevoegde gezag. Dit betekent dat verdachte niet strafbaar is en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Naar het oordeel van de rechtbank dient dit verweer te worden verworpen. Gesteld noch gebleken is dat de belastingdienst heeft verzocht om valselijk opgemaakte stukken.
Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.
Er zijn geen overige feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
De strafbaarheid van verdachte.
Verontschuldigbare rechtsdwaling.
Namens verdachte is een beroep gedaan op verontschuldigbare rechtsdwaling: hij zou zich hebben verlaten op adviezen en voorlichting door notarissen en belastingadviseurs aangaande de schriftelijke vastlegging van de inzamelacties. Hij zou hebben gehandeld in de verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragen.
Dit verweer mist naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag omdat nergens uit is gebleken dat de genoemde functionarissen op de hoogte waren van het feit dat de te verantwoorden gelden van misdrijf afkomstig waren en desondanks verdachte hebben geadviseerd om deze gelden te verantwoorden zoals hij dat feitelijk heeft gedaan middels de aan de belastingdienst verstrekte overeenkomsten en verklaringen. De omstandigheid dat betrokken functionarissen in hun contacten met en uitlatingen naar verdachte wellicht (te) weinig kritisch zijn geweest naar aanleiding van hetgeen hen door of namens verdachte werd verteld leidt niet tot een ander oordeel. Er is geen plaats voor verontschuldigbare rechtsdwaling indien adviezen worden verkregen op basis van onjuiste of onvolledige inlichtingen van de zijde van degene die zich op dit verweermiddel beroept.