Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2015-12-22
ECLI:NL:RBOBR:2015:7389
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,798 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 14/3180
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2015 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Procesverloop
Bij besluit van 26 juni 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit vanwege het niet meewerken aan het aan haar opgelegde alcoholslotprogramma (ASP).
Bij besluit van 14 augustus 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622, heeft de rechtbank op 9 maart 2015 verweerder verzocht aan te geven of deze uitspraak leidt tot een gewijzigd standpunt.
Op 19 mei 2015 heeft verweerder op dit verzoek gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2015 bij de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 september 2015 bij de meervoudige kamer van de rechtbank. Eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Bij besluit van 19 september 2012 is het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard en is haar een ASP opgelegd. Dit besluit staat in rechte vast.
Op 21 november 2012 is eiseres gaan deelnemen aan het ASP, in verband waarmee zij in het bezit is gesteld van een rijbewijs met code 103 ‘rijden met een alcoholslot’.
Bij controle van de uitleesdata zijn vier foutieve hertesten geconstateerd:
-op 18 juni 2013 om 17.29 uur een geweigerde hertest;
-op 13 augustus 2013 om 12.22 uur een geweigerde hertest;
-op 16 april 2014 om 22.33 uur een hertest van 97 µg/l;
-op 5 mei 2014 om 13.51 een geweigerde hertest.
2. Bij het primaire besluit heeft verweerder het rijbewijs van eiseres ongeldig verklaard vanwege het niet meewerken aan het aan haar opgelegde ASP en daaraan toegevoegd dat, indien eiseres niet alsnog deelneemt aan het ASP, verweerder de zogenaamde eigen verklaring tot vijf jaar niet in behandeling zal nemen en geen verklaring van geschiktheid af zal geven. Dit besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.
3. Op grond van artikel 132, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW94) is, diegene die zich dient te onderwerpen aan een alcoholslotprogramma, verplicht zijn medewerking te verlenen aan de opgelegde maatregel, behoudens de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen. Op grond van het tweede lid, besluit het CBR, bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking, onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.
Op grond van artikel 20, onder l, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 verleent betrokkene niet de vereiste medewerking, bedoeld in artikel 132, eerste lid, van de WVW94 aan het ASP indien tijdens het ASP vier of meer foutieve hertesten zijn geregistreerd. Van een foutieve hertest is sprake bij een uitslag van 88 ug/l of hoger.
4. Eiseres stelt dat zij wel voldoende medewerking heeft verleend aan het ASP. Zij heeft voor de foutieve c.q. geweigerde hertesten een verklaring gegeven: op 18 juni 2013 heeft zij de herhalingstest niet gehoord, op 13 augustus 2013 en 5 mei 2014 heeft zij de auto stationair laten draaien om de lege accu te herladen en heeft zij de herhalingstest niet gehoord, en op 16 april 2014 heeft zij tijdens de rit vers sinaasappelsap gedronken.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiseres niet heeft meegewerkt aan het ASP. Vast staat dat sprake is van vier foutieve hertesten zodat zij, gelet op het bepaalde in artikel 20, aanhef en onder l, van de Regeling, niet de vereiste medewerking heeft verleend aan het ASP. De door eiseres gestelde omstandigheden doen daar niet aan af. Verweerder heeft er ten aanzien van de drie geweigerde hertesten terecht op gewezen dat eiseres hierover uitvoerig is geïnformeerd. Bij het opleggen van het ASP is haar het Deelnemer Handboek van Dräger verstrekt, waarin is vermeld dat tijdens de rit op meerdere volkomen willekeurige momenten om een herhalingstest wordt gevraagd. Ter zitting heeft eiseres verklaard hiermee bekend te zijn. De enkele stelling van eiseres dat zij de hertest op 18 juni 2014 niet heeft gehoord, heeft verweerder onvoldoende reden mogen achten om deze foutieve hertest buiten beschouwing te laten. Dat eiseres zowel op 13 augustus 2013 als op 5 mei 2014 voor het herladen van de accu de motor stationair heeft laten draaien en, zoals zij ter zitting heeft toegelicht, vanwege drukte is vergeten bij de auto te blijven, dient voor haar risico te blijven. Met betrekking tot de hertest van 97 µg/l op 16 april 2014 heeft verweerder erop mogen wijzen dat in het Deelnemer Handboek wordt gewaarschuwd gedurende tien minuten voorafgaand aan de hertest niet te eten of drinken, waarbij specifiek staat vermeld dat vruchtensappen een verhoogde meetwaarde (kunnen) veroorzaken. Nu dit eiseres bekend was dan wel had moeten zijn, heeft zij door tijdens een rit sinaasappelsap te drinken, het risico genomen dat zij tijdens die rit een hertest zou krijgen die foutief zou uitvallen. Ook deze foutieve hertest dient voor haar risico te blijven. De beroepsgrond faalt.
6. Eiseres stelt voorts dat zij in aanmerking komt voor verlenging van het ASP in plaats van voor de intrekking van het rijbewijs, omdat bij geen van de hertesten sprake was van alcohol.
7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij in aanmerking komt voor verlenging van het ASP in plaats van de intrekking van het rijbewijs, omdat bij geen van de hertesten sprake was van alcohol. Op grond van de door verweerder gehanteerde voorwaarden wordt slechts tot verlenging overgegaan indien uit de evaluatie blijkt dat in de laatste zes maanden, of tijdens de verlenging van het ASP, tenminste één blaaspoging, niet zijnde een hertest, is geregistreerd hoger dan 0,2 promille (88 µg/l). Niet in geschil is dat het in het onderhavige geval wel om hertesten gaat, zodat aan de voorwaarden voor verlenging niet wordt voldaan. De beroepsgrond faalt.
8. Eiseres stelt voorts dat zij het onterecht en onevenredig acht dat haar rijbewijs ongeldig is verklaard en dat zij weer voor de volledige duur van twee jaar aan het ASP moet deelnemen met de daarbij behorende kosten. Eiseres wijst erop dat zij door de intrekking van het rijbewijs wordt gehinderd in het verrichten van haar werk. Eiseres heeft een woonwinkel, waarvoor zij regelmatig met de auto spullen moet inkopen. Ook privé ondervindt eiseres hinder van het besluit.
9. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het besluit tot het opleggen van een ASP aan eiseres onherroepelijk is en dat zowel de Hoge Raad bij uitspraak van 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434 als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:622 uitdrukkelijk hebben overwogen dat hun oordelen geen gevolgen hebben voor reeds onherroepelijke gevallen. Verweerder stelt voorts, onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2585, dat het opleggen van een ASP bij een houder van rijbewijs B niet is aan te merken als een “criminal charge”, zodat geen ruimte is voor een evenredigheidstoets. De Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid (Regeling) schrijft voorts dwingendrechtelijk voor dat het rijbewijs ongeldig wordt verklaard bij het niet meewerken aan het ASP, zodat er geen ruimte is voor een belangenafweging, aldus verweerder.
10. Naar het oordeel van de rechtbank had bij het bestreden besluit een volledige evenredigheidstoets moeten plaatsvinden. De rechtbank verwijst in dit kader naar haar uitspraken van eveneens 22 december 2015 met nummers SHE 14/4396, SHE 14/3364 en SHE 15/1416 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) en overweegt verder als volgt. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming aangegeven dat, indien eiseres niet alsnog deelneemt aan het ASP, verweerder de zogenaamde eigen verklaring tot vijf jaar niet in behandeling zal nemen en geen verklaring van geschiktheid af zal geven. Het gevolg van het niet registreren van een verklaring van geschiktheid betekent dat eiseres gedurende een periode van vijf jaar niet zal kunnen beschikken over een geldig rijbewijs. Daarmee is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een zeer ingrijpende maatregel, die grote gevolgen kan hebben voor betrokkenen. Gelet op de zwaarte van de sanctie is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een “criminal charge”. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de het arrest van het EHRM van 13 december 2005 in de zaak Nilsson (73661/01). In die zaak oordeelde het Hof over de schorsing van een rijbewijs voor de duur van 18 maanden dat “the severity of the measure was in itself so significant, regardless of the context of his criminal conviction, that it could ordinarily be reviewed as a criminal sanction”. Daarnaast merkt de rechtbank op dat in een strafrechtelijke context een rijontzegging voor de duur van vijf jaar als een forse straf wordt aangemerkt.
Dictum
De rechtbank
-verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het bestreden besluit;
-herroept het besluit van 26 juni 2014;
-bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,00 aan eiseres te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter, en mr. H.M.H. de Koning en mr. U. Kap-Knippels, leden, in aanwezigheid van mr. F.A.M.C. Habraken - Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.