Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2015-03-03
ECLI:NL:RBOBR:2015:1124
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,536 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 14/4139
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2015 in de zaak tussen
[eiser]
, eiser
en
de burgemeester van de gemeente Uden, verweerder
(gemachtigde: M. Hulleman).
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2014, nader aangevuld bij besluit van 14 mei 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet de sluiting van een gedeelte van het bedrijfspand aan [adres] bevolen voor de duur van 12 maanden, met ingang van de dag van bekendmaking.
Bij besluit van 10 oktober 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De gronden dateren van 20 november 2014.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2015. Eiser is verschenen in persoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan.
Eiser is eigenaar van het bedrijfspand aan [adres] (hierna ook: het pand). Hij verhuurt het pand aan [bedrijf 1], die het pand op zijn beurt heeft onderverhuurd aan twee huurders die een rioleringsfirma zouden exploiteren. Omdat de huurders niet aan hun financiële verplichtingen voldeden en er enige tijd niets van hen was vernomen, ging eiser samen met de eigenaar van [bedrijf 1] poolshoogte nemen. Daar troffen zij de twee huurders levenloos aan.
Op 28 april 2014 heeft politieonderzoek plaatsgevonden.
In het proces-verbaal van bevindingen van de politie van Oost-Brabant van 21 mei 2014 dat naar aanleiding van het onderzoek op 28 maart 2014 is opgesteld, wordt het pand een “laboratorium” genoemd en is vermeld dat in het afgeschermde gedeelte van het pand amfetamine via de Leuckartmethode was geproduceerd en dat alle productieapparatuur en chemicaliën aanwezig waren voor de omzetting van APAAN in BMK. Verder is vermeld dat alle goederen, chemicaliën. (half)producten en afvalstoffen werden geïnventariseerd en waar nodig bemonsterd, en dat door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) een aantal monsters werden geanalyseerd.
Het NFI heeft de monsters van de chemicaliën in het laboratorium onderzocht en heeft daarvan op 1 augustus 2014 een rapport opgesteld. De conclusies in dit rapport luiden als volgt:
“Vraagstelling 1 – Identificatie in relatie tot de Opiumwet
In het onderzoeksmateriaal is amfetamine, BMK, APAAN en zoutzuur aangetoond (…).
Vraagstelling 2 – Onderzoek naar illegale productie van synthetische drugs
De samenstelling van een groot deel van het onderzoeksmateriaal is kenmerkend voor de vervaardiging van amfetamine uit BMK met de Leuckartmethode. Daarnaast is een deel van het onderzoeksmateriaal terug te voeren op de vervaardiging van BMK uit APAAN met zoutzuur.”
2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat – kort gezegd – de feiten en omstandigheden voldoende aanleiding geven het pand direct te sluiten voor de duur van 12 maanden. Hierbij heeft verweerder gewezen op het ter plaatse aangetroffen laboratorium, de stof amfetamine als bedoeld in lijst I bij de Opiumwet, de aanwezigheid van grondstoffen om deze harddrugs te vervaardigen en van verpakkingsmiddelen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan in dit geval van sluiting had moeten worden afgezien, is volgens verweerder niet gebleken.
3. Eiser voert aan dat er geen bewijs is voor de aanwezigheid van drugs in het pand. Het proces-verbaal van 21 mei 2014 geeft aan dat er geen duidelijkheid is over welke stoffen er in het pand aanwezig waren. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat de hoeveelheid van de stoffen die zouden zijn aangetroffen evenmin bekend is. De overleden personen hebben weliswaar geprobeerd om drugs te produceren, maar omdat ze niet wisten hoe dat moest, is het hun dood geworden. Eiser vermoedt dat productie dan ook niet heeft plaatsgevonden. Verweerder heeft voorts ten onrechte verondersteld dat sprake is van een drugsnetwerk. Er is geen sprake (geweest) van een loop naar het desbetreffende pand in verband met drugs of andere illegale activiteiten.
4. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.
In lijst I is, voor zover hier van belang, amfetamine vermeld als zijnde een harddrug.
In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II, 2005–2006, 30 515, nr. 3), is vermeld dat met de uitdrukking “daartoe aanwezig is” in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, wordt gedoeld op de aanwezigheid van verdovende middelen, ongeacht de hoeveelheid, die gebruikt wordt of bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Voor zover de gedachte mocht hebben post gevat, dat daarmee een handelsvoorraad wordt bedoeld, is er sprake van een misverstand.
5. Verweerder heeft ter nadere uitwerking van de op grond van voormeld artikel aan hem toekomende bevoegdheid de “Beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet” (het beleid) vastgesteld. Hierin is, voor zover hier van belang, bepaald:
“In deze notitie wordt onder drugshandel verstaan: de verkoop, aflevering of verstrekking dan wel daartoe aanwezigheid van drugs in een pand en de daarbij behorende erven.
(…)
De niet gedoogde verkooppunten van drugs worden gesloten in de volgende gevallen:
-harddrugs in niet gedoogde verkooppunten van drugs
Bij een 1ste constatering dat in al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen - niet zijnde feitelijk bewoonde woningen - en daarbij behorende erven drugshandel t.a.v. harddrugs wordt geconstateerd, dan wordt het pand gesloten voor de duur van 12 maanden (minimaal).”
6. Allereerst oordeelt de rechtbank dat het betoog van eiser dat er geen bewijs is voor de aanwezigheid van drugs in het pand en dat er geen productie heeft plaatsgevonden, feitelijke grondslag mist. Zoals eiser ook ter zitting is voorgehouden, blijkt immers uit het rapport van het NFI van 1 augustus 2014 dat er amfetamine is aangetroffen, alsmede de grondstoffen waarmee amfetamine wordt vervaardigd, zoals BMK, APAAN en zoutzuur. Amfetamine is een harddrug als bedoeld in de Opiumwet. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd die aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het NFI-rapport.
7. Gelet op het hiervoor genoemde toetsingskader is de hoeveelheid aangetroffen amfetamine niet van belang, mits deze aangetroffen drugs bestemd is voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op grond van wat er in de loods is aangetroffen (amfetamine, grondstoffen voor de vervaardiging van amfetamine en productieapparatuur) in onderlinge samenhang bezien, op het standpunt kunnen stellen dat dit het geval is. Reeds hierom bestond voor verweerder de bevoegdheid om, in overeenstemming met verweerders beleid op dit punt, over te gaan tot sluiting van het (in het primaire besluit genoemde gedeelte van het) pand voor de duur van 12 maanden. De stellingen van eiser dat verweerder ten onrechte heeft verondersteld dat sprake is van een drugsnetwerk en dat geen sprake is geweest van een loop naar het pand in verband met drugs of andere illegale activiteiten - daargelaten dat deze stellingen niet nader zijn onderbouwd - kunnen eiser hier niet baten. De beroepsgrond faalt.
8. Eiser voert verder aan dat de sluiting van het pand met 12 maanden niet gepast is.
De rechtbank overweegt over deze beroepsgrond het volgende.
9. Aan de orde is de vraag of verweerder, hoewel hij bevoegd was om op grond van artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting van het pand over te gaan, hij evenwel, na afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid niet hiertoe kon overgaan.
10. De rechtbank stelt vast dat verweerder in overstemming met het beleid heeft gehandeld.
De rechtbank acht het beleid dat verweerder voert bij al dan niet voor publiek toegankelijke lokalen - niet zijnde feitelijk bewoonde woningen - en daarbij behorende erven, niet kennelijk onredelijk. Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.H. Rijken-Lie, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Kohl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2015.
De griffier is verhinderd rechter
de uitspraak te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.