Rechtspraak Rechtbank Oost-Brabant 2014-10-01
ECLI:NL:RBOBR:2014:5615
Bestuursrecht
RECHTBANK OOST-BRABANT Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch Bestuursrecht zaaknummer: SHE 13/5839 uitspraak van de meervoudige kamer van 1 oktober 2014 in de zaak tussen [persoon 1] en [persoon 2], te [woonplaats], eisers (gemachtigde: M.A.M. Jonkers), en de burgemeester van de gemeente Oirschot, verweerder (gemachtigde: mr. S. Rotman), Als derde-partij heeft aan de geding deelgenomen: [bedrijf 1], te [vestigingsplaats],(gemachtigde mr. C.M.L. Willems-Dekkers). Bij besluit van 3 april 2013 (het primaire besluit) heeft het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oirschot aan [bedrijf 1] een vergunning verleend als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (Dhw-vergunning) voor het uitoefenen van het horecabedrijf. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij besluit van 18 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van beroep dateren van 24 januari 2014. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend. Bij brief van 4 juni 2014 hebben eisers gereageerd op het verweerschrift. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2014. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor [bedrijf 1] zijn verschenen haar gemachtigde, alsmede [persoon 3] en [persoon 4]. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzitter, en mr. M.J.H.M Verhoeven en mr. C.N. van der Sluis, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2014. griffier voorzitter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [bedrijf 1] exploiteert een educatieve viskwekerij aan de [adres 1]. [bedrijf 1] is aangewezen als Toeristenpoort. Eisers wonen aan de [adres 2]. Ten behoeve van haar exploitatie heeft [bedrijf 1] op 26 maart 2013 een aanvraag ingediend om verlening van een Dhw-vergunning. Bij het primaire besluit is aan [bedrijf 1] de Dhw-vergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf. De vergunning geldt voor de ontvangstruimte en het terras. In de begeleidende brief van 3 april 2013 staat dat activiteiten moeten passen binnen het bestemmingsplan buitengebied, dat het de houder van een Toeristenpoort op grond van de Algemene plaatselijke verordening verboden is dit voor bezoekers geopend te hebben en daar bezoekers te laten verblijven van 19.00 tot 09.00 uur en dat op 10 mei 2012 de beleidsregels Toeristenpoorten door het college van B&W zijn vastgesteld waarin staat hoe een Toeristenpoort mag opereren. Op 17 september 2013 heeft een hoorzitting plaatsgevonden van de Bezwaarschriftencommissie. Bij advies van 31 oktober 2013 heeft deze commissie geadviseerd het bezwaarschrift van eisers ongegrond te verklaren. 2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder overeenkomstig het advies het bezwaarschrift ongegrond verklaard en het primaire besluit (onder herstel van het bevoegdheidsgebrek) in stand gelaten. 3. Eisers voeren aan dat verweerder de Dhw-vergunning ten onrechte heeft verleend, omdat zij vrezen voor overlast als gevolg van het gebruik van de inrichting dat door die verlening mogelijk wordt gemaakt. Deze vrees is volgens eisers reëel omdat zich in de praktijk al overlast voordoet, de afstand tussen de horeca-lokaliteit en de woning van eisers ongeveer 8 meter bedraagt en de ontvangstruimte een blokhut betreft met zeer beperkte geluidisolatie. Met deze overlast is geen rekening gehouden in het kader van de bestemmingsplanprocedure, omdat nooit beoogd is de blokhut te gebruiken met een volwaardige Dhw-vergunning. De overlast waarmee eisers dreigen te worden geconfronteerd, is nooit onderzocht. 4. Deze beroepsgrond faalt. Artikel 27, eerste lid, van de Dhw vermeldt de weigeringsgronden voor een Dhw-vergunning. Ingevolge artikel 28 van de Dhw wordt een vergunning verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1117) dat uit de tekst van artikel 28, eerste lid, van de Dhw blijkt dat de in artikel 27 vervatte weigeringsgronden als limitatief moeten worden aangemerkt. De beoordeling of sprake is van overlast is geen weigeringsgrond op grond van de Dhw, zodat het betoog van eisers in zoverre geen doel treft (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2010, r.o. 2.6.1, ECLI:NL:RVS:2010:BO6657). Het standpunt van eisers dat de weigeringsgrond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dhw zich hier voordoet, omdat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat het in artikel 21 van de Dhw gestelde verbod (om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken, indien redelijkerwijs moet worden vermoed, dat dit tot verstoring van de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid zal leiden) zal worden overtreden en aldus overlast als onderdeel van de openbare orde een rol in onderhavige beoordeling moet spelen, onderschrijft de rechtbank niet. Overlast als hier aan de orde kan niet op één lijn worden gesteld met verstoring van de openbare orde als bedoeld in artikel 21 van de Dhw. Voor zover eisers menen dat strijdigheid bestaat met het bestemmingsplan, moet worden geoordeeld dat dit evenmin een weigeringsgrond is als bedoeld in artikel 27 van de Dhw (zie de hiervoor aangehaalde uitspraak van 14 juli 2010), zodat het betoog ook in zoverre geen doel treft. 5. Eisers voeren voorts aan dat de toiletgelegenheid die bij de aanvraag om de Dhw-vergunning is betrokken, niet in de onmiddellijke nabijheid van de horeca-inrichting is gelegen, hetgeen in strijd is met artikel 7 van het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet (Besluit eisen inrichtingen). De toiletten zijn gesitueerd in een ander gebouw achter op het terrein van de inrichting op een afstand van 56 meter. De looproute gaat over een onverhard/half verhard pad en er is geen verlichting aanwezig. Dit brengt volgens eisers het risico met zich dat bezoekers urineren in de heg op de grens van het perceel met de woning van eisers. 6. Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt. 7. Ingevolge artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Dhw-vergunning wordt, voor zover hier van belang, onder inrichting verstaan de lokaliteiten waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte. Ingevolge artikel 10 van de Dhw dient de inrichting te voldoen aan bij algemene maatregel van bestuur in het belang van de sociale hygiëne te stellen eisen. In de Memorie van Toelichting van de Dhw staat dat het stellen van inrichtingseisen geschiedt om het tappen van alcoholhoudende drank en het slijten van sterke drank te doen plaatsvinden onder omstandigheden, welke uit sociaal-hygiënisch oogpunt aanvaardbaar zijn (TK 1961-1962, 6811, nr. 3, blz. 18). Artikel 7, eerste lid, van het Besluit eisen inrichtingen bepaalt dat in de onmiddellijke nabijheid van een horecalokaliteit, ten behoeve van de bezoekers, ten minste twee volledig van elkaar gescheiden toiletgelegenheden aanwezig zijn. In de Nota van Toelichting van het Besluit eisen inrichtingen staat het volgende. “(…) In de praktijk bleek de bepaling dat de toiletten ín de inrichting dienen te zijn, problemen op te leveren bij tijdelijke horecainrichtingen (zoals kermis- en strandtenten) en bij horeca-inrichtingen in winkelcentra en warenhuizen. Daarom wordt nu bepaald dat de toiletten in de onmiddellijke nabijheid van de horecalokaliteit dienen te zijn. Voor de bezoekers moeten de toiletten derhalve gemakkelijk te bereiken zijn vanuit de horecalokaliteit, zij hoeven echter niet meer in de horecainrichting te zijn gesitueerd. (…)”(Staatsblad 2000, 438, blz. 8) 8. De rechtbank is van oordeel dat artikel 7 van het Besluit eisen inrichtingen strekt tot bescherming van de (sociale-hygiëne van) bezoekers van de horeca-inrichting. Deze bepaling strekt niet tot bescherming van belangen van omwonenden van de horeca-inrichting. Eisers zijn geen bezoekers van de horeca-inrichting, maar omwonenden. Om die reden strekt de bepaling kennelijk niet tot bescherming van de belangen van eisers. 9. Het voorgaande betekent dat hetgeen eisers hebben aangevoerd niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet daarom af van een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond. 10. Eisers voeren voorts aan dat verweerder door middel van een verordening beperkende regels had kunnen stellen conform artikel 25a, tweede lid, onder b, van de Dhw.