Rechtspraak
Rechtbank Oost-Brabant
2014-01-16
ECLI:NL:RBOBR:2014:183
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
2,974 tokens
Inleiding
RECHTBANK OOST-BRABANT
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummers: SHE 13/3942, SHE 13/3943 en SHE 13/3944
uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2014 in de zaken tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
en
de burgemeester van de gemeente Helmond (SHE 13/3942);
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (SHE 13/3943);
de gemeenteraad van de gemeente Helmond (SHE 13/3944) , verweerders
(gemachtigden: mr. F.A.M. Coppens en mr. P. Helmus).
Procesverloop
13/3942:
Bij besluit van 14 februari 2013 (het primaire besluit) heeft de burgemeester van de gemeente Helmond (de burgemeester) afwijzend beslist op het verzoek van eiser om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).
Bij besluit van 13 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
13/3943:
Bij besluit van 6 maart 2013 (het primaire besluit) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (het college) afwijzend beslist op het Wob-verzoek van eiser.
Bij besluit van 25 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
13/3944:
Bij besluit van 6 februari 2013 (het primaire besluit) heeft de gemeenteraad van de gemeente Helmond (de gemeenteraad) afwijzend beslist op het Wob-verzoek van eiser.
Bij besluit van 26 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft de gemeenteraad het bezwaar van eiser ongegrond verklaard
Eiser heeft bij afzonderlijke geschriften in de zaken 13/3942, 13/3943 en 13/3944 op 1 augustus 2013 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Verweerders hebben ieder afzonderlijk in de hen betreffende zaak een verweerschrift ingediend.
Bij griffiersbrief van 21 oktober 2010 is eiser in de zaken 13/3942, 13/3943 en 13/3944 verzocht de rechtbank te berichten of hij toestemming geeft om de Wob-stukken die hij niet kent, te gebruiken bij de beoordeling van zijn beroepen. Bij brief van 24 oktober 2010 heeft eiser die toestemming verleend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2013, waar de beroepen met zaaknummers 12/4250, 13/2893, 13/2895, 13/2897, 13/3942, 13/3943 en 13/3944 op verzoek van eiser gevoegd en gelijktijdig zijn behandeld. Eiser is verschenen. Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Na de zitting zijn ten behoeve van de uitspraak de in deze uitspraak genoemde zaken gesplitst van de overige zaken.
Overwegingen
1.
De rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan.
2.
Eiser heeft bij brief van 9 januari 2013 bij het college om de volgende informatie op grond van de Wob verzocht:
SHE 13/3942
2.1.
De rapportage van de burgemeester ten behoeve van het klankbordgesprek met de commissaris van de Koningin in de Provincie Noord-Brabant (CvdK) op 2 augustus 2011).
SHE 13/3943
2.2.
De gespreksaantekeningen van de Kabinetschef van de CvdK van het gesprek van de CvdK met de (oud)burgemeester en de loco-burgemeester 16 maart 2011.
2.3.
De door de Kabinetschef opgestelde outline voor het gesprek van de CvdK met de fractievoorzitters Helmond 18 maart 2011.
2.4.
De interne memo van de gemeentesecretaris van Helmond ten behoeve van een op 24 maart 2011 te houden bijeenkomst van het college van burgemeester en wethouders van Helmond 20 maart 2011.
SHE 13/3944
2.5.
Het verslag van het functioneringsgesprek van de (oud)burgemeester met het seniorenconvent van 22 februari 2011.
2.6.
Het door de raadsgriffier van Helmond opgestelde gespreksverslag van het gesprek van de CvdK met de fractievoorzitters van de gemeente Helmond.
Het college heeft het verzoek van eiser om informatie zoals weergegeven onder 2.1. doorgezonden aan de burgemeester en het verzoek om informatie zoals weergegeven onder 2.5 en 2.6 doorgezonden aan de gemeenteraad.
3.
Verweerders hebben verstrekking van de bovengenoemde documenten (gemotiveerd) geweigerd.
SHE 13/3942:
4.
De burgemeester heeft in het bestreden besluit de afwijzing van het Wob-verzoek onder 2.1 gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Hij stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiser terecht is afgewezen, omdat het document niet bij hem berust. Daarmee wordt niet voldaan aan het gestelde in artikel 1, onder a, van de Wob. Het document betreft een vertrouwelijk door de (oud)burgemeester aan de CvdK ter beschikking gesteld verslag over zijn eigen functioneren als (oud)burgemeester. Nu het document een document is ten behoeve van de CvdK, ziet de burgemeester niet in dat dit document bij hem als bestuursorgaan behoort te berusten. Het document hoeft dan ook niet elders vergaard te worden.
5.
Eiser voert als beroepsgrond aan dat hij aanneemt dat het document zich niet in de archieven van verweerder bevindt, maar dat het document in het archief van de burgemeester behoort te berusten. Hij had het document om die reden bij de provincie Noord-Brabant of bij de (oud)burgemeester moeten vergaren.
6.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat het document niet bij verweerder berust. De Wob bevat geen verplichting voor een bestuursorgaan, om documenten, waarvan openbaarmaking is gevraagd, maar die niet bij hem berusten, ergens anders te vergaren. De burgemeester heeft het Wob-verzoek onder 2.1. daarom terecht afgewezen. De beroepsgrond faalt.
SHE 13/3943
7.
Het college heeft in het bestreden besluit de afwijzing van het Wob-verzoek onder 2.2 tot en met 2.4 gehandhaafd en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat het verzoek van eiser terecht is afgewezen om de hierna volgende redenen. De informatie genoemd onder 2.2. en 2.3. berust niet bij het college en behoort ook niet bij het college te berusten. Daarmee wordt niet voldaan aan het gestelde in artikel 1, onder a, van de Wob. De informatie onder 2.4. betreft een stuk dat is opgesteld voor intern beraad. Toepassing van artikel 11, tweede lid, van de Wob is volgens verweerder niet aan de orde omdat het document zich door zijn aard niet laat anonimiseren.
8.
Eiser voert als beroepsgrond aan dat de documenten onder 2.2. en 2.3. zich in het archief van het college hadden moeten bevinden. Het college had de documenten om die reden bij de provincie Noord-Brabant of bij de (oud)burgemeester moeten vergaren.
9.
Evenals in de vorige zaak geldt ook hier dat de Wob geen verplichting voor het bestuursorgaan bevat om documenten, waarvan openbaarmaking is gevraagd, maar die niet onder hem berusten, ergens anders te vergaren. Het college heeft het verzoek van eiser onder 2.2. en 2.3. terecht afgewezen. Deze beroepsgrond faalt.
10.
Met betrekking tot het document onder 2.4 voert eiser als beroepsgrond aan dat verweerder de weigeringsgrond dat het een stuk voor intern beraad betreft te breed heeft ingezet. Eiser betwist dat sprake is van een stuk voor intern beraad. Verder is verweerder voorbij gegaan aan het subsidiaire verzoek om een geanonimiseerde versie aan eiser te verstrekken dan wel het meer subsidiaire verzoek om een zakelijke weergave/samenvatting aan eiser te verstrekken. Ook heeft verweerder niet voldaan aan het gestelde onder artikel 11, tweede lid, van de Wob, aldus eiser.
11.
Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.
12.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kennisgenomen van het desbetreffende stuk.
13.
Volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de ABRvS, vergelijk onder meer de uitspraak van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0664), volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Wob, dat het interne karakter van een stuk wordt bepaald door het oogmerk waarmee dit is opgesteld. Degene die het document heeft opgesteld moet de bedoeling hebben gehad dat dit zou dienen voor hemzelf of voor het gebruik door anderen binnen de overheid. Gelet op artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt uit documenten opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen. Voorts volgt uit jurisprudentie van de ABRvS (uitspraak van 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP1315) dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het doel van de in artikel 11, eerste lid, van de Wob neergelegde bescherming van persoonlijke beleidsopvattingen de bescherming is van de vrije meningsvorming, het belang om in vertrouwelijke sfeer te kunnen “brainstormen” zonder vrees voor gezichtsverlies en het kunnen waarborgen dat bij de primaire vormgeving van het beleid de betrokkenen in alle vrijheid hun gedachten en opvattingen kunnen uiten (Kamerstukken II 19 859, nr. 3, blz. 14 en 38). Zoals verweerder terecht stelt geldt dit ook voor de gemeentesecretaris die als eerste adviseur voor het college functioneert.
14.
De rechtbank is van oordeel dat het betreffende document is opgesteld ten behoeve van intern beraad en dat het persoonlijke beleidsopvattingen bevat, nu de inhoud van het document ziet op een interne discussie binnen het college over het functioneren van de (oud)burgemeester ten opzichte van zijn collega’s. Voor zover daarin feiten genoemd worden, zijn deze zodanig met daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen verweven, dat het niet mogelijk is deze feiten en opvattingen los van elkaar te zien. Nu de gemeentesecretaris aan het college kenbaar heeft gemaakt bezwaar te hebben tegen openbaarmaking heeft het college geen toepassing kunnen geven aan het gestelde in artikel 11, tweede lid, van de Wob. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college, gelet op de aard en de inhoud van het document, de door eiser gevraagde openbaarmaking terecht geweigerd. De beroepsgrond faalt.
Dictum
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzitter, en mr. B.A.J. Zijlstra en mr. M.M.L. Wijnen, leden, in aanwezigheid van mr. C.G.M. Kosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2014.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.