Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-16
ECLI:NL:RBNNE:2026:90
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummers: LEE 24/2953 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [woonplaats], eiser (gemachtigde: mr. M.E.W.M. Rupert), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borger-Odoorn, (gemachtigden: mr. H. Leijten en mr. R.T. Hekman). Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Maatschap [naam] uit [woonplaats] (vergunninghouder)(gemachtigde: mr. ing. B.M. Brandenburg-Stroo). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de verzoeken om handhaving van eiser over de pluimveehouderij van vergunninghouder aan de [adres] in [woonplaats]. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn verzoeken om handhaving. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de afwijzing van de verzoeken om handhaving onvoldoende heeft gemotiveerd . Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Het college heeft op 7 december 2021 een omgevingsvergunning (OBM) verleend aan vergunninghouder voor aanpassingen bij de pluimveehouderij aan de [adres] in [woonplaats]. De vergunning is verleend voor het toepassen van een ander stalsysteem in de bestaande stal, het plaatsen van een tweede pluimveestal, het vergroten van de werktuigenberging en een mestopslag. 2.1. Eiser heeft het college op 17 juli 2023 en 4 september 2023 verzocht om handhavend op te treden. Het college heeft eisers verzoeken om handhaving op 16 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 juni 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de handhavingsverzoeken gebleven. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.3. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De vergunninghouder heeft ook gereageerd op het beroepschrift. 2.4. De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser met zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college en de gemachtigde van de vergunninghouder samen met [naam] en [naam]. 2.5. De rechtbank heeft op 24 september 2025 ook het beroep van eiser met zaaknummer LEE 25/3204 behandeld. De rechtbank doet apart uitspraak op dat beroep. Beoordeling door de rechtbank Wat is het toetsingskader? 3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Nu de verzoeken om handhaving zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing. 3.1. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. Moest het college onderzoeken of er sprake is van een overtreding van artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit? 4. Eiser voert aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de ervaren overlast het gevolg is van een overtreding van artikel 3.119 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). Eisers woning is een geurgevoelig object. De afstand tussen de woning en de nieuw gebouwde pluimveestal bedraagt om en nabij 50 meter. Maar het college heeft volgens eiser ten onrechte geen rekening gehouden met de uitloop van de stal. Dat de uitloop bij het dierenverblijf hoort, volgt uit vaste rechtspraak. Rekeninghoudend met de uitloop ligt het dierenverblijf op minder dan 25 meter van de woning. 5. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn brief van 17 juli 2023 heeft verzocht om handhaving omdat de pluimveehouderij volgens hem een niet werkend filtersysteem heeft waardoor er giftige stoffen worden uitgestoten die de gezondheid van omwonenden schaden. Eiser verzoekt het college er zorg voor te dragen dat de ammoniakproductie en de uitstoot van giftige stoffen De rechtbank gaat hieronder nog in op de andere beroepsgronden van eiser omdat eventuele andere door de rechtbank geconstateerde gebreken dan ook kunnen worden hersteld in het nieuw te nemen besluit op bezwaar. Moest het college onderzoeken of er sprake is van een overtreding van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit? 6. Verder voert eiser aan dat het college onvoldoende heeft onderzocht of de inrichting voldoet aan de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede huisvesting. Omdat er een hoger aantal kippen op een kleiner stuk grond loopt, wordt niet voldaan aan de eis van 4m2 per dier uit de EU-verordening. Daardoor is er een overtreding van artikel 3.123, derde lid, van het Activiteitenbesluit. 7. Het is vaste rechtspraak dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, heeft eiser verzocht om handhaving omdat de pluimveehouderij volgens hem een niet werkend filtersysteem heeft waardoor er giftige stoffen worden uitgestoten die de gezondheid van omwonenden schaden, handhaving van de emissie-eisen en intrekking van de vergunning omdat de vergunning onder onjuiste of onvolledige opgave is verleend. De rechtbank overweegt dat het college dus moest beoordelen of er door een niet werkend filtersysteem schadelijke stoffen werden uitgestoten en of de vergunning op basis van een onjuiste opgave was verleend. Deze grond van eiser gaat echter over handhaving van artikel 3.123 van het Activiteitenbesluit omdat volgens eiser te weinig ruimte beschikbaar is per dier waardoor geen sprake zou zijn van gebruik en onderhoud overeenkomstig de voorwaarden die noodzakelijk zijn voor een goede werking van het huisvestingssysteem. Gelet op de inhoud van de handhavingsverzoeken is dit een niet toegestane uitbreiding van het handhavingsverzoek na het primaire besluit. De rechtbank zal daarom ook niet ingaan op deze beroepsgrond met betrekking tot artikel 3.123, derde lid, van het Activiteitenbesluit. Is er voldoende onderzoek gedaan naar geuroverlast? 8. Verder stelt eiser dat het college onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de door hem ervaren hinder door geur. Er is slechts eenmaal een controle uitgevoerd bij de vergunninghouder. De toezichthouder is niet bij eiser geweest. 9. De rechtbank overweegt dat eiser heeft verzocht om de ammoniakproductie en de uitstoot van giftige stoffen te stoppen. Uit het primaire besluit blijkt dat het college dit verzoek breder heeft opgevat en ook heeft getoetst of er sprake kan zijn van ongewenste geuremissies. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanpassingen in overeenstemming zijn met de omgevingsvergunning en er daarom geen sprake is van een overtreding voor wat betreft de geuremissies. 9.1. De rechtbank overweegt dat eiser in zijn verzoek van 17 juli 2023 alleen algemeen heeft gesteld dat het stinkt in zijn huis en op zijn erf. Hij heeft geen specifiek door hem ervaren overlast benoemd. 9.2. Bij het verlenen van de omgevingsvergunning in 2021 heeft het college getoetst of de aangevraagde verandering van het pluimveebedrijf voldeed aan de (destijds) geldende eisen voor geurbelasting uit de Wet geurhinder en veehouder. In de omgevingsvergunning is overwogen dat de geurbelasting door de uitbreiding en wijziging van de pluimveehouderij minder wordt ten opzicht van de eerder vergunde situatie. Hoewel er een toename is van geuremissie wordt volgens het college door toepassing van een ander stalsysteem, het verwijderen van de horizontale ventilatie en het verhogen van de verticale ventilatie, de geurbelasting op de meeste locaties minder. Uit de (V-Stacks)berekeningen volgt volgens het college dat ruimschoots wordt voldaan aan de geurnorm van 8,0 odour units per kubieke meter lucht (OUE) voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en de geurnorm van 2,0 OUE voor een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze vergunning is onherroepelijk. 9.3. Uit het verslag van de toezichthouder v De rechtbank betrekt bij dat oordeel dat het college zich bewust is van de discussie die speelt over de vraag of vergunninghouder nog voldoet aan de certificeringseisen en gecontroleerd heeft bij SKAL of vergunninghouder nog beschikt over een geldig certificaat. Deze beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. 12.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. 12.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 3 juni 2024; - draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 51 aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W.C.M. van Emmerik, rechter, in aanwezigheid van mr. S. G. Steenbergen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage wet- en regelgeving Wet geurhinder en veehouderij Artikel 3 1. Een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen: a.binnen een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 3,0 odour units per kubieke meter lucht; b.binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht; c.buiten een concentratiegebied, binnen de bebouwde kom meer bedraagt dan 2,0 odour units per kubieke meter lucht; d.buiten een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 8,0 odour units per kubieke meter lucht. 2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij, of dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een andere veehouderij: a.ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en b.ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. 3. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid of de afstand, bedoeld in het tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, wordt een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste en tweede lid, niet geweigerd indien de geurbelasting niet toeneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën niet toeneemt. 4. Indien de geurbelasting, bedoeld in het eerste lid, groter is dan aangegeven in dat lid, het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een geurbelastingreducerende maatregel zal worden toegepast, dan wordt een om