Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-03-18
ECLI:NL:RBNNE:2026:842
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Familie- en Jeugdrecht Locatie Groningen Zaaknummer: C/18/253744 / JE RK 26-413 Beschikking van de kinderrechter van 18 maart 2026 over de (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] , die is geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] , en die hierna " [naam kind] " wordt genoemd. op verzoek van de gecertificeerde instelling, Stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen , die is gevestigd in Groningen, en die hierna "de GI" wordt genoemd. De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , die woont in [woonplaats] , en die hierna "de moeder" wordt genoemd, advocaat: mr. M. Schlepers, die kantoor houdt in Groningen. 1 Het (verdere) procesverloop 1.1. Bij beschikking van 12 maart 2026 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot 19 maart 2026 en de beslissing op de resterende duur van het verzoek aangehouden. Hij heeft de GI in de gelegenheid gesteld informatie te geven over de wijze waarop zij uitvoering heeft gegeven en wil geven aan de verzochte machtiging tot uithuisplaatsing. 1.2. Op 17 maart 2026 heeft de GI schriftelijk en telefonisch nadere informatie gegeven. 1.3. Ten slotte heeft de kinderrechter bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven. 2 De (verdere) beoordeling Waar gaat het om in deze zaak? 2.1. Het gaat in deze zaak om de nu dertienjarige [naam kind] . Zijn belaste voorgeschiedenis heeft geleid tot opvoedproblemen en diverse interventies met jeugdhulp, zowel in het vrijwillig als in het gedwongen kader. Deze interventies hebben echter niet geleid tot diagnostiek en daarop aansluitende behandeling van de gedragsproblematiek die zich bij [naam kind] sterk heeft ontwikkeld. 2.2. De gedragsproblematiek bij [naam kind] verslechterde zelfs na de inzet van gedwongen jeugdhulp. Vanuit de gesloten jeugdvoorziening waar hij geplaatst was, is door onvoldoende toezicht en gebrekkige begeleiding niet voorkomen dat [naam kind] zich herhaaldelijk in situaties heeft begeven die hebben geleid tot zijn verdenking van ernstige strafbare feiten. 2.3. Deze feiten zijn dusdanig ernstig dat [naam kind] in voorlopige hechtenis is genomen en ondanks zijn jonge leeftijd en kwetsbaarheid, drie maanden in een penitentiaire inrichting heeft doorgebracht. De voorlopige hechtenis is inmiddels geschorst, waarna [naam kind] thuis bij de moeder is geplaatst en een enkelband draagt. 2.4. Die situatie lijkt de moeder en [naam kind] te overvragen. Daarom is verzocht een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [naam kind] . Tijdens de mondelinge behandeling van het daarop gerichte verzoek zijn vragen opgekomen over de wijze waarop de GI die machtiging ten uitvoer wil leggen. 2.5. Die vragen zijn opgekomen omdat [naam kind] verblijft in een vakantiehuisje op een vakantiepark en het de kinderrechter niet duidelijk kon worden vanuit welke instelling en op welke wijze de begeleiding van [naam kind] vorm en inhoud krijgt. De kinderrechter heeft daarom in zijn beschikking van 12 maart 2026 de GI opdracht gegeven hierover nadere informatie te geven. De GI heeft die informatie gegeven. De kinderrechter gaat hierna in op de vraag welke betekenis toekomt aan die informatie bij het nemen van een beslissing over de verdere uithuisplaatsing van [naam kind] . De belangen van [naam kind] zijn altijd een overweging van de eerste orde 2.6. Bij de beoordeling van het verzoek als het gaat om de uitvoering van een te geven machtiging tot uithuisplaatsing, neemt de kinderrechter in overweging dat het wettelijk stelsel ervan uitgaat dat het de GI is die gaat over de uitvoering van de maatregel en niet de kinderrechter. Dat wettelijke uitgangspunt verhoudt zich echter niet altijd met fundamentele rechten die het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) aan een ieder garandeert en evenmin met fundamentele kinderrechten, die worden gegeven in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Dit brengt met zich dat er spanning kan besta De plaatsing van [naam kind] kan daarom niet op de wet worden gegrond. 2.17. De kinderrechter noemt in dit specifieke geval als knelpunten dat niet duidelijk is welke jeugdhulpaanbieder de plaatsing aanbiedt. Er worden besloten vennootschappen genoemd en contracten in het geding gebracht, waaruit volgt dat een of meer vennootschappen betrokken zijn die nagenoeg overeenkomende namen hebben maar uiteenlopende statutaire doelstellingen (de ene vennootschap heeft als doelstelling " het (doen) ontwikkelen van projecten op het terrein van arbeidsparticipatie, leefbaarheid en duurzaamheid. Begeleiden van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Helpen van mensen om werkfit te worden en begeleiden naast hun werkleerplek. Geven van jobcoaching" de andere " het verlenen van diensten op het gebied van Jobcoaching en begeleiding en verzorgen van ambulante begeleiding ") en niet blijkt dat welke betrokken vennootschap dan ook een gekwalificeerde jeugdhulpaanbieder betreft, of zich überhaupt richt op het verlenen van jeugdhulp met verblijf. 2.18. Het vakantiehuisje waar de machtiging tot uithuisplaatsing wordt uitgevoerd voldoet niet aan daaraan bij wet en nadere regelgeving gestelde (kwaliteits)eisen. De wet biedt geen steun voor het ad hoc plaatsen van kinderen in een vakantiepark. 2.19. Het is de kinderrechter niet gebleken dat er voldoende gekwalificeerd personeel bij [naam kind] verblijft. 2.20. Het zijn tezamen genomen feiten en omstandigheden die tot de conclusie leiden dat de door de GI gewilde uitvoering van de uithuisplaatsing niet op de wet kan worden gegrond en reeds daarom op grond van artikel 8 lid 2 EVRM niet een toelaatbare inbreuk kan zijn op de in het eerste lid van die bepaling gegarandeerde bescherming tegen 'willekeurige' inmenging door de overheid in het privé- en gezinsleven. De kinderrechter constateert ook dat deze plaatsing zich niet verhoudt met de belangen van [naam kind] . [naam kind] heeft gelet op zijn problematiek, juist professionele hulp en begeleiding nodig. Die krijgt hij niet. Zoals hiervoor is overwogen, is al eerder gebleken dat een tekortschietend toezicht en begeleiding heeft geleid tot incidenten die zo ernstig zijn dat [naam kind] in voorlopige hechtenis is genomen. 2.21. De door de GI aangevoerde omstandigheid dat er sprake is van een niet, of zeer moeilijk plaatsbaar kind, leidt niet tot een ander oordeel. De wet biedt geen ruimte om, vanwege schaarste aan passende voorzieningen of complexiteit van de problematiek, af te wijken van de gestelde (kwaliteits)eisen. De verantwoordelijkheid van de betrokken instanties om passende, veilige en kwalitatief verantwoorde jeugdhulp te realiseren blijft onverkort van kracht. 2.22. Het belang van [naam kind] bij bescherming tegen onveilige of ondeugdelijke zorg weegt in dit verband zwaarder dan praktische of organisatorische beperkingen in het zorgaanbod. Wat gaat de kinderrechter beslissen? 2.23. De kinderrechter verleent een machtiging voor de hierna te bepalen duur, zodat de GI de tijd en ruimte heeft om te regelen dat [naam kind] wordt geplaatst in een accommodatie voor jeugdzorg die aan de hiervoor uiteengezette voorwaarden voldoet. De GI kan binnen deze termijn een passende plaatsing voorstellen. Doet zij dat niet, dan wordt het verzoek voor de resterende duur ervan afgewezen. De kinderrechter stelt ook de advocaat van de moeder in de gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over een passende plaatsing voor [naam kind] . 3 De beslissing 3.1. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] tot 1 april 2026; 3.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad; 3.3. stelt de GI in de gelegenheid om een passende plaatsing voor [naam kind] voor te stellen en de te geven informatie uiterlijk aan de rechtbank toe te sturen, uiterlijk op maandag 30 maart 2026 ; 3.4. stelt de advocaat van de moeder in de gelegenheid zich over de plaatsing van [naam kind] voor de resterende duur van het verzoek schriftelijk uit te laten, uiterlijk