Rechtspraak
Rechtbank Noord-Nederland
2026-02-05
ECLI:NL:RBNNE:2026:820
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste en enige aanleg
2,020 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:RBNNE:2026:820 text/xml public 2026-03-20T09:53:42 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Noord-Nederland 2026-02-05 C.18/251971 FT RK 26-22 Uitspraak Eerste en enige aanleg NL Groningen Civiel recht; Insolventierecht Faillissementswet 383 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:820 text/html public 2026-03-20T09:53:05 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBNNE:2026:820 Rechtbank Noord-Nederland , 05-02-2026 / C.18/251971 FT RK 26-22 Homologatie akkoord WHOA-procedure. vonnis RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Locaatie: Groningen Team Insolventies – meervoudige kamer verzoek tot homologatie van een akkoord rekestnummer: C.18/251971 FT RK 26-22 uitspraakdatum: 5 februari 2026 Vonnis op het ingekomen verzoekschrift ex artikel 383 lid 1 Faillissementswet (Fw) in de besloten akkoordprocedure buiten faillissement, van: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoeker] B.V. statutair gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen: [verzoeker] , advocaat: mr. F.B. Bosvelt en mr. L. van der Heijden te Utrecht. 1 De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit de volgende processtukken: - de startverklaring ex artikel 370 lid 3 Fw, gedeponeerd op 19 mei 2025; - het stemverslag met bijlagen ex artikel 382 Fw, gedeponeerd op 15 december 2025; - het verzoekschrift met bijlagen van 21 januari 2026 van [verzoeker] ex artikel 383 lid 1 Fw; - de beschikking van 27 januari 2026, dagbepaling behandeling homologatie; - de zienswijze van 2 februari 2026 van mr. P.J. Fousert (hierna: de observator) ex artikel 384 lid 7 Fw; - de spreekaantekeningen van mr. F.B. Bosvelt en mr. L. van der Heijden zijdens [verzoeker] . 1.2. De rechtbank heeft de behandeling van het ingediende verzoek bepaald op 3 februari 2026 en het verzoek is op die datum middels een online videoverbinding ter zitting behandeld en nader toegelicht. Daarbij zijn verschenen en gehoord: - [bestuurder] , middellijk bestuurder van [verzoeker] ; - mr. F.B. Bosvelt; - mr. L. van der Heijden; - mr. P.J. Fousert. 1.3. De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag. 2 De feiten 2.1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. [verzoeker] exploiteert sinds [startdatum] een [verzoeker] in Groningen. Momenteel zijn er [aantal] werknemers in dienst. In de periode 2019-2024 is [verzoeker] in financieel zwaar weer geraakt door – kort samengevat – de Brexit, de Covid19-pandemie en de oorlog in Oekraïne. In deze periode is ten gunste van de Belastingdienst bezitloos pandrecht gevestigd op de inventariszaken van [verzoeker] . In de eerste maanden van 2025 zijn maatregelen getroffen om het tij te keren. De aandelen in [verzoeker] zijn door haar voormalig aandeelhouder overgedragen aan [kapitaalverstrekker] B.V. (hierna: [kapitaalverstrekker] ). [kapitaalverstrekker] heeft aan [verzoeker] vervolgens een lening verstrekt waarmee [verzoeker] in de eerste maanden van 2025 aan haar lopende verplichtingen kon voldoen. Deze lening is gezekerd met een pandrecht op de debiteuren ten gunste van [kapitaalverstrekker] . Ook is de huurprijs van het door [verzoeker] gehuurde pand naar beneden bijgesteld, een ERP-systeem geïnstalleerd, personeel afgevloeid en is men meer kostenefficiënt gaan werken. 3 Het akkoord en de stemming 3.1. [verzoeker] heeft op 13 november 2025 aan haar schuldeisers een akkoord aangeboden. Het aangeboden akkoord heeft betrekking op de verplichtingen van [verzoeker] die zijn ontstaan vóór 19 mei 2025, de datum waarop de startverklaring is gedeponeerd. Omdat verplichtingen van werknemers en pensioenfondsen niet gewijzigd kunnen worden in een WHOA-traject, is een drietal schuldeisers buiten het akkoord gehouden. Daarnaast zijn zeven dwangcrediteuren buiten het akkoord gehouden. In een bijlage bij het akkoord is toegelicht waarom deze crediteuren kwalificeren als dwangcrediteuren. 3.2. [verzoeker] heeft de (vorderingen van de) stemgerechtigden ingedeeld in de volgende klassen. klasse Omschrijving Vorderingen Uitkering A Belastingdienst-gedekt € 217.992,00 100% in 48 maandelijkse termijnen B [kapitaalverstrekker] - gedekt € 122.562,94 100% in 96 maandelijkse termijnen C Crediteuren- eigendomsvoorbehoud € 13.974,92 100% ineens D Belastingdienst-ongedekt € 487.739,04 13,5% in 48 maandelijkse termijnen E Concurrente mkb-crediteuren € 139.008,39 20% ineens F Concurrente crediteuren € 648.993,21 6,75% in 48 maandelijkse termijnen G [kapitaalverstrekker] - ongedekt € 212.437,06 6.75% achtergesteld in 12 maandelijkse termijnen 3.3. De stemgerechtigden konden tot uiterlijk 11 december 2025 stemmen. 3.4. [verzoeker] heeft het stemverslag op 15 december 2025 op de griffie van de rechtbank gedeponeerd. 3.5. Uit het stemverslag blijkt dat de klassen A, B, D en G voor 100% hebben ingestemd. Klasse E heeft voor 78,19% ingestemd en klasse F voor 96,19%. Nu de voorstemmers in deze klassen twee derde vertegenwoordigen van het totale bedrag aan vorderingen behorend tot de schuldeisers die binnen hun klasse een stem hebben uitgebracht, worden deze klassen geacht te hebben ingestemd. In klasse C heeft schuldeiser [schuldeiser] B.V. (hierna: [schuldeiser] ) tegengestemd. [schuldeiser] vertegenwoordigt met een vordering van € 8.188,00 58,59% van het totaal, zodat het percentage instemming in deze klasse niet de vereiste twee derde meerderheid heeft behaald. 3.6. [verzoeker] verzoekt de rechtbank het akkoord op de voet van artikel 383 lid 1 Fw te homologeren. 4 De beoordeling Rechtsmacht en bevoegdheid 4.1. De rechtbank stelt vast dat het homologatieverzoek het eerste verzoek is in deze procedure. Dit betekent dat de rechtbank dient vast te stellen voor welk soort procedure, zoals bedoeld in artikel 369 lid 6 Fw, is gekozen bij de voorbereiding van het akkoord. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of aan haar rechtsmacht en relatieve bevoegdheid toekomen om van het verzoek kennis te nemen. 4.2. [verzoeker] heeft blijkens de startverklaring gekozen voor een besloten akkoordprocedure. [verzoeker] is statutair gevestigd in Groningen en houdt daar eveneens kantoor. Gezien het bepaalde in artikel 369 lid 7 aanhef en onder b Fw juncto artikel 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om het verzoek in behandeling te nemen. Uit artikel 262 Rv volgt verder dat deze rechtbank bevoegd is van het verzoek kennis te nemen. Ontvankelijkheid 4.3. Een schuldenaar kan om homologatie van een akkoord verzoeken als tenminste één klasse van schuldeisers met het akkoord heeft ingestemd (artikel 383 lid 1 Fw). Indien een uitkering in faillissement is te verwachten dient de voorstemmende klasse een klasse te zijn die bestaat uit schuldeisers die bij een faillissement van de schuldenaar naar verwachting een uitkering tegemoet kunnen zien ( ‘in the money’ zijn). In het onderhavige geval zijn klassen A, B en C ‘in the money’ en van deze klassen hebben klassen A en B voorgestemd. [verzoeker] is dan ook ontvankelijk in haar verzoek tot homologatie van het aangeboden akkoord. Afwijzingsgronden 4.4. Ingevolge artikel 384 lid 1 Fw wijst de rechtbank een verzoek tot homologatie toe, tenzij zich één of meer van de afwijzingsgronden als bedoeld in artikel 384 lid 2 tot en met 4 Fw voordoet. 4.5. Omdat er geen stemgerechtigden zijn die op grond van lid 3 of lid 4 van artikel 384 Fw een verzoek tot afwijzing hebben gedaan, zal de rechtbank het akkoord alleen toetsen aan de algemene afwijzingsgronden van artikel 384 lid 2 Fw. 4.6. De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] in haar verzoek, en dit is ter zitting nader toegelicht, voldoende heeft onderbouwd dat zij verkeert in een toestand waarin het aannemelijk is dat zij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden. Zij verkeert derhalve in een toestand als bedoeld in artikel 370 lid 1 Fw. 4.7. Ook voor het overige zijn er geen algemene afwijzingsgronden. Er is sprake van een akkoord met bijlagen dat de in de wet voorgeschreven informatie bevat die de stemgerechtigden nodig hebben om zich daarover een geïnformeerd oordeel te kunnen vormen.