Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-16
ECLI:NL:RBNNE:2026:80
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3128 uitspraak van de meervoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen 1. [naam] uit [woonplaats], en 2. [naam], uit [woonplaats], eisers en de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, verweerder (gemachtigde: mr. G. Baarsma). Samenvatting 1. Deze zaak gaat over het besluit van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (Staatssecretaris) tot intrekking en terugvordering van een subsidie. De subsidie betrof de verduurzaming van een woning aan de [adres] in [plaats] (de woning). Eisers waren tot 3 april 2023 gezamenlijk eigenaar van de woning. Zij hebben de woning verkocht. De verduurzamingswerkzaamheden, waarvoor de subsidie is verleend, zijn niet uitgevoerd. Met het besluit van 15 januari 2024 is besloten de subsidieverlening in te trekken en het betaalde voorschot van € 17.000,- van eiser sub 2 terug te vorderen (het intrekkingsbesluit). Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij stellen dat de subsidie is verdisconteerd in een lagere koopsom van de woning zonder benadeling van betrokken partijen. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het intrekkingsbesluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing op het bezwaarschrift van eisers door het verkeerde bestuursorgaan is genomen. Dit bevoegdheidsgebrek is later hersteld. Omdat de subsidiabele werkzaamheden niet door de subsidieontvanger (tijdig) zijn uitgevoerd, is het intrekkingsbesluit op juiste gronden genomen. Eisers krijgen dus inhoudelijk geen gelijk, ook al is het beroep gegrond om procedurele redenen. Eisers krijgen daarom het griffierecht terug, maar eiser sub 2 moet wel het voorschot terugbetalen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 en 4 bespreekt de rechtbank formele vragen. Onder 5 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 27 juni 2024 op het bezwaar van eisers is het Dagelijks Bestuur van het Samenwerkingsverband Noord-Nederland (SNN) bij de intrekking en terugvordering van de subsidie gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser sub 1 namens beide eisers en de gemachtigde van verweerder, samen met E.J. Brouwer. 2.3. Op de zitting zijn enkele formele gebreken besproken. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en partijen twee weken de tijd gegeven om deze gebreken te herstellen. 2.4. Partijen hebben nadere stukken ingestuurd, waaronder de bekrachtiging van het bestreden besluit door de Staatssecretaris. De rechtbank heeft met toestemming van partijen geen nadere zitting gehouden en het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Heeft het juiste bestuursorgaan het besluit genomen? 3. Het bestreden besluit van 27 juni 2024 is op eigen titel genomen door SNN. Ter zitting is besproken dat SNN hiertoe niet bevoegd was. Het besluit had door of namens de Staatssecretaris genomen moeten worden. Bij brief van 17 oktober 2025 heeft SNN het (ongedateerde) besluit van de Staatssecretaris toegezonden, waaruit blijkt dat de Staatssecretaris het bestreden besluit heeft bekrachtigd. 3.1. Omdat de beslissing op bezwaar aanvankelijk onbevoegd is genomen, is het beroep reeds om die reden gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. Omdat de Staatssecretaris het bestreden besluit inmiddels heeft bekrachtigd, zal de rechtbank het beroep hiertegen Als een verleende subsidie nog niet is vastgesteld, kan deze nog worden ingetrokken. Dit volgt uit artikel 4:48 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Van deze bevoegdheid kan bijvoorbeeld gebruik worden gemaakt als de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet (geheel) hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden of niet wordt voldaan aan de subsidieverplichtingen. Dat staat in artikel 4:48, eerste lid, onder a en b, van de Awb. Tussen partijen is niet in geschil dat de verduurzamingswerkzaamheden, waarvoor de subsidie is verleend, door de verkoop van de woning niet door eisers zijn uitgevoerd. Ter zitting hebben partijen aangegeven dat de koper van de woning de werkzaamheden ook niet zal uitvoeren. 6.2.3. Verweerder heeft terecht aangevoerd dat hij geen partij is bij de koopovereenkomst tussen eisers en de koper. Eisers waren bovendien verplicht om wijzigingen, zoals de verkoop van de woning, door te geven aan SNN. Zij hebben dit niet gedaan. Eisers kunnen de verplichtingen die volgen uit de subsidieverlening niet meer nakomen, omdat zij geen eigenaar van de woning meer zijn. Verweerder mocht daarom de verleningsbeschikking op grond van artikel 4:48 van de Awb intrekken en het betaalde voorschot terugvorderen. De beroepsgrond van eisers slaagt niet. Conclusie en gevolgen 7. Het beroep is gegrond, omdat SNN niet bevoegd was het bestreden besluit te nemen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat de Staatssecretaris het intrekkingsbesluit heeft bekrachtigd en dit besluit op juiste gronden is genomen. Dit betekent dat het intrekkingsbesluit in stand blijft en dat eiser sub 2 het voorschot moet terugbetalen. 7.1. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 27 juni 2024; bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eisers moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, voorzitter, en mr. E. Hardenberg en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. S.G. Steenbergen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026. griffier voorzitter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving Algemene wet bestuursrecht Artikel 3:47 1. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. 2. Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. 3. Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het bestuursorgaan deze binnen een week na de bekendmaking. 4. In dat geval zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:43 van overeenkomstige toepassing. Artikel 4:48 1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen, indien: a. de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvi