Rechtspraak Rechtbank Noord-Nederland 2026-01-16
ECLI:NL:RBNNE:2026:79
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: LEE 24/3832 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen [eiser], uit [eiser], eiser (gemachtigde: mr. W. Sleijfer), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden (gemachtigden: mr. J.J. Hengst en K. Bosscha). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning voor de verbouw van een schuur tot woning aan de [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het beoogde bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De gemeenteraad mocht de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) daarom weigeren. Dit betekent ook dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 18 oktober 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de verbouw van een pand aan de [adres] in [plaats] tot woning. Het gaat om een aanvraag voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening. 2.1. De gemeenteraad heeft op 19 juni 2024 besloten de benodigde vvgb te weigeren. Het college heeft daarom de aanvraag op 9 juli 2024 geweigerd. 2.2. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. M.A. Jansen met [naam schoonzoon] namens eiser, en de gemachtigden van het college. Beoordeling door de rechtbank Wat is het toetsingskader? 3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om een vergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet in dit geval de Wet algemene bepaling omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing. 3.1. Eiser heeft een aanvraag om omgevingsvergunning gedaan om een pand te verbouwen tot woning. Het pand staat op een perceel achter de lintbebouwing aan de [straatnaam]. Het perceel waarop het pand staat ligt in het bestemmingsplan 'Bûtengebiet en doarpen' en heeft de enkelbestemming 'Agrarisch' (artikel 3) met daarbij de functieaanduiding 'specifieke vorm van agrarisch -veldschuur'. Ook geldt voor het perceel de gebiedsaanduiding 'geluidzone -luchtvaart 45-50 Ke' in verband met de dichtbij gelegen vliegbasis Leeuwarden (artikel 38.4 van het bestemmingsplan). Het verbouwen van het pand naar de door eiser gewenste woning past niet binnen de geldende voorschriften van het bestemmingsplan. Het bouwplan voldoet niet aan de bepalingen van het bestemmingsplan omdat wonen op deze locatie niet toegestaan is, omdat gebouwd wordt buiten een bouwvlak en omdat de maatvoering van het gebouw niet voldoet aan de eisen. 3.2. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3, van de Wabo kan een omgevingsvergunning voor een activiteit in strijd met het bestemmingsplan worden verleend als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Die omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemming kan alleen worden verleend nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft (de zogenoemde vvgb). De vvgb kan alleen worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ord